Noodlot

Chapter 6

Chapter 64,108 wordsPublic domain

Zij kòn dat niet langer uithouden en eens, toen zij goed in zichzelve dorst te zien, zag zij, dat zij twijfelde aan Frank, aan de waarheid zijner verzekeringen omtrent die vrouw ... En zij vroeg, smachtende naar zekerheid, aan Bertie, hun vriend:

--Bertie, zeg het me: dat _iets_, waarover je verleden sprak, dat geheimzinnige, wat is het?

--Ach, niets, beste meid, heusch niets ...

Doordringend zag zij hem aan en zij vervolgde met eene vreemde, koude stem:

--Jawel, ik weet het, ik heb het geraden ...

Bertie schrikte op: wat dacht zij, wat woelde haar door het hoofd ...?

--Ik heb het geraden, herhaalde ze. Frank houdt niet van me: hij houdt ... hij houdt van die vrouw, dat mensch van het Lyceum ... Hij heeft altijd van haar gehouden ... Is het zoo?

Bertie zweeg en zag strak voor zich uit: dat was het gemakkelijkst en het verstandigst.

--Bertie, zeg: is het zoo?

--Ach, wel neen! antwoordde hij mat. Wat een dwaasheid haal je je toch in het hoofd. Hoe kom je daar nu aan ...

Er was geen klank van overtuiging in zijne stem: hij sprak blankweg, als was hij er niet bij, als overwoog hij iets in zichzelven.

--Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde.

--Maar wel neen ... Wat denk je toch wel?

Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog eene pooze, haar van ter zijde bestudeerend. Toen, om zijne te flauwe tegenwerpingen te temperen:

--Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van Frank. Dat is niet mooi ... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden man ...

--Het is dus niet waar?

--Heusch niet: hij ziet haar niet meer ...

--Maar geeft hij niet meer om haar?

Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden.

--Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend.

--Je antwoordt me niet! bad ze.

Weêr die zelfde blik, vol duisternis.

--O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van hare ziel.

--Wat wil je, dat ik weet van Franks gevoelens? waagde hij te sissen. Ik weet het niet, daar!

--Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend.

--Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend, opstaande.

--Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij ziet haar nu wel niet meer, uit eerbied voor mij, maar toch denkt hij en spreekt hij over haar met je ... en daarom is hij stil en somber als hij hier is ... Is het zoo?

--Ach, God, ik weet het niet! steunde hij met een zacht ongeduld. Wat weet ik?

--Maar waarom doet hij dan of hij van mij houdt, waarom heeft hij me gevraagd? Omdat hij een oogenblik, in Noorwegen, heeft gedacht, dat hij buiten haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen en nu niet meer kan?

Hij sloeg zijn handen in elkaâr.

--O, God, Eve, schei uit, schei uit! Ik weet het niet, zeg ik je, ik weét hèt nièt, daar, daar, daar ...

Hij zonk met een zucht van uitputting in zijn stoel terug. Zij bleef zwijgen, en de tranen vloeiden haar als een regen uit de oogen, onophoudelijk.

XI.

En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest en dat ze het goed--o God, te goed!--geraden had, terwijl zij integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten.

Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dat _hij_ alles deed: dat _hij_ het eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dat _hij_ de scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dat _hij_ Eve dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde; hijzelf was er onschuldig aan ...

En dit was geen zelfbedrog: hij _meende_ dat alles.

Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op, die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene somnambule.

--Ik moet u spreken, vader ...

Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol ingehouden smart.

--Ben je niet wel, kind?

--O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen of u eens met Frank wilt spreken.

--Met Frank?

--Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ...

En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar verhaal en zweeg dus over hem.

Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar in hare ziel was!

--En ... wat dan? vroeg hij aarzelend.

--En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad, liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ... Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me, dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o, ik ben zoo ongelukkig ...

Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën. Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven, haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was, nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek. Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder, droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London ... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme.

--Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ...

--Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en in me komt ... buiten mijn wil ...

--Maar kind, je praat nonsens ...

--....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar dan komt het weêr terug ...

--Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een poosje weg, en het komt en het gaat weêr ...

Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan zijne voeten.

--Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man: u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem alles vragen?

--Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je, hoor, heel dwaas.

Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze pijnen.

--Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem, vadertje! _Ik_ kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o vadertje, spreek met hem!

Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd--onvermoeid en krachtig--in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt.

--Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden. Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!

Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.

--Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe, spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ik _bid_ er je om!

--Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.

--Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me over?

--Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.

--Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien, zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom, hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten heerschten.

--Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik ben zijn kind ...

Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen hebben!

--Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen!

In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets.

XII.

Toen Frank den volgenden middag kwam, zag hij aanstonds aan heur gelaat, dat er eene groote ontroering in haar woelde.

--Wat is er, kind? vroeg hij ontsteld.

Zij gevoelde zich eerst zoo zwak, zóó zwak ... Het was zoo iets vreeselijks ... het was weêr die modder, zoo vies ... Maar zij vermande zich; zij richtte zich op in hare mooie wilskracht, die eene stevigheid gaf aan het kinderlijke dwepende en kuisch vrouwelijke van haar karakter, als een forsch gedanen achtergrond, waartegen veel zachts en teeders uitblinkt. En vooral omdat zij wist, dat zij alleen stond, verlaten door haar vader, wilde zij krachtig zijn.

--Frank, het kan niet anders! begon zij met de wanhoop van hare energie. Ik moet er over met je spreken! Ik ben bijna, al vóór dat je iets geantwoord hebt, overtuigd, dat ik ongelijk heb en zelfs heel slecht denk, maar toch moet ik je er over spreken, want ik lijd er te veel onder, onder dat alles ... Altijd te zwijgen en alles te verkroppen, het doet zoo een pijn ... Ik hoû het niet meer uit, Frank ... Ik vroeg papa het je te zeggen, maar hij wil niet ... Misschien heeft hij gelijk, maar het is toch niet lief van hem, want nu moet ik het zelf doen ...

Zij voelde zich in de opschroeving harer geestkracht even sidderen bij deze bittere gedachte, maar zij deed zich geweld aan en ging voort. --Frank, Frank ... die vrouw ... o, die vrouw ... ik denk er nog altijd aan.

--Maar Eve ...

--Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie nog altijd dat mensch naast me, ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt ... Het gaat me niet uit mijne ooren ...

Zij sidderde meer en meer, en toen kwam het weêr over haar en in haar: dat van dat oog, van die stem, dat vreemde, dat was als eene hypnoze van een geestelijken invloed: dat, wat heur vader niet had kunnen begrijpen. Wat zij nu uitte, scheen haar voorgezegd te worden door de stem, en hare houding en gelaatsuitdrukking schenen een poze te zijn, waartoe de blik van het oog haar noodzaakte. En zeer intens voelde zijzelve: dat die blik donker was, als een nacht.

--O, Frank, Frank! riep zij uit en de tranen ontwelden haar uit zenuwoverspanning, uit vreeze, dat zij het niet zoû durven zeggen, als die stem het wilde: ik moet het je vragen, ik mòet het. Als je hier bij mij komt, waarom ben je dan dikwijls zoo somber, en stil, alsof je niet gelukkig met me bent, waarom ontwijk je elk stellig antwoord, waarom zeg je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw ... is het om haar, is het, omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!... omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij nog altijd iets in je leven is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het pijnigt me zoo, het woelt zoo in me, altijd, altijd ... En ik ben niet kleingeestig jaloersch, ik ben dat nooit geweest: ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van vroeger, al vind ik het vreeslijk! Maar je bent altijd zoo vreemd, zoo stil, zoo treurig, en zoodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder het te willen, Frank, zónder het te willen, dat zweer ik je! Maar het komt in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zoo zijn? Frank, zeg het: ik ben gek, nietwaar, zoo te denken, en ze is niets meer voor je, nietwaar, niets meer, je ziet haar nooit meer, nietwaar?

De angst, die om hare woorden om haar was, verwrong heur geheele gelaat, bleek als van de matte bleekheid van verwaaide azalea's; eene kramp van pijnlijkheid scheen te zenuwtrekken om haren mond, om hare knippende oogen en meer dan ooit scheen zij eene martelares van heur eigen verbeelden.

Maar op dit oogenblik zag hij deze marteling niet, omdat bij hare woorden eene groote drift in hem zich begon te verheffen, eene drift, zooals hij van kind af enkele malen in zich had voelen opwaaien, als met de stormvlagen van een orkaan, woedende over alles heen, alle gevoelens en gedachten door elkander verstuivend als wolken stof ...! Dat woei zoo bij hem op, als aan zijne oprechtheid, openhartigheid, eerlijkheid, waarheid getwijfeld werd, woei als een wind van rechtmatigen toorn over die onrechtvaardigheid op, want in zichzelven liet hij zich veel voorstaan op zulke deugden en stofte hij dat hij oprecht, openhartig, eerlijk, waar was. Zijne donkergrijze oogen gloeiden onder het gefrons van zijne overhangende wenkbrauwen; de drift zijner woorden siste nijdig tusschen zijne tanden door, die groot en blank onder zijne zware snor opschitterden als vonken ivoor:

--Hoe is het mogelijk, verdomd, hoe is het mogelijk! Ik heb het je ééns gezegd, eens vooral, ik heb je ééns gezegd: neen, neen, neen! en je vraagt het me weêr, je vraagt het me weêr! Denk je, dat ik lieg? Waarom denk je dat! Heb je ooit aan me kunnen merken, dat ik loog? Ik zeg je van neen, en het is dus neen! Maar je twijfelt toch, je blijft er toch over nadenken en tobben als eene oude vrouw ... Waarom neem je de dingen niet zooals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zoo! Waarom geloof je me niet? Ik ben niet treurig, ik ben niet somber, ik ben gelukkig met je, ik hoû van je, _ik_ twijfel niet aan je ...! Maar jij ... jij ... Geloof me: als je daar meê voortgaat, maak je je eigen ongelukkig, en mij ook, mij ook!

Maar zij zag hem vast aan, en hare fierheid verhief zich naast zijne drift, want zijne woorden mishaagden haar.

--Op zoo een toon hoef je niet met me te spreken! antwoordde zij hoog. Als ik je zeg, dat ik zonder het te willen, zónder het te willen, zeg ik je, aan je twijfel, en dat ik daarom ongelukkig ben; hoef je niet zoo met me te spreken! Heb dan medelijden met me, maar spreek zoo niet!

--Maar Eve, als ik je nu verzeker, hernam hij, trillend van zijne woede, die hij beteugelen wilde, dwingend zichzelven tot zachtheid; als ik je nu verzeker ...

--Dat heb je al meer gedaan ...

--En je gelooft me niet?...

--In zoo verre niet, dat ...

--Je gelooft me niet?! brulde hij, zich niet meer machtig.

--In zoo verre niet, dat je me iets verbergt! kreet zij terug.

--Je iets verbergt? wat dan?

De naam van hun vriend, van Bertie, rees haar op de lippen, maar ... zoodra zij aan Bertie dacht, was het eene vaagheid, eene onbeslistheid in haar, als wist ze niet hoe en wat, en nooit herinnerde zij zich duidelijk wat Bertie gezegd had. Het was steeds of Bertie om haar heen een toovercirkel van stilzwijgen had getrokken, waarbinnen het haar onmogelijk was zijn naam te noemen. En ook nu was hun vriend haar eene ongrijpbare schim, zijn naam een onzegbare klank, waren zijne woorden onherhaalbare ijlheden van timbre ...

--Wat? Wat? herhaalde zij zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist ...! Maar je verbergt me iets, je verbergt me iets! En denkelijk verberg je me iets ... over haar, over die vrouw!

--Maar die vrouw, zeg ik je ...

--Neen, neen, ging zij voort, door haar opstrevenden trots gesterkt in haar idee fixe. Ik weet het wel: jullie tellen dat niet; "dat is een verleden, dat is altijd zoo!" zeggen jullie, en daarom noemen jullie _niets_ wat ik wel _iets_ noem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets, dat je me verbergt, me verbergt, Frank ...

--Maar Eve, ik zweer je ...

--Zweer het niet, Frank, want dat zoû slecht zijn! krijschte zij, zich, als ondanks zichzelve, opwindend tot een paroxisme van ziekelijke overtuigdheid omtrent iets, waarvan zij niets zekers wist. Want ik voel het, dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me, overal!

Woest greep hij hare polsen, overspannen van woede, omdat zij zijne verzekering verwierp, gekrenkt in den hoogmoed op zijne deugden van eerlijkheid en waarheid, en blind voor de diepte van haar gesuggereerd mystiek wantrouwen.

--Je gelooft me niet, verdomd, je gelooft me niet! siste hij.

Ten tweeden male, mishaagde, kwetste haar zijn toon. En de twee openbaringen hunner temperamenten, met hunne passies en ziekelijkheden, bonsden tegen elkander in.

--Wel nu dan! Neen! gilde zij en zij wrong zich zoo ruw rukkend uit zijn forschen klem, dat hare tengere polsgewrichten kraakten. Nu weet je het dan: ik vertrouw je niet, daar. Je verbergt me iets en er is iets, er is iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel is mij niet mogelijk te loochenen! Dat mensch, dat je heeft durven aanspreken, ze is in mijne verbeelding vastgegroeid: ik voel haar naast me, ik ruik haar en ik voel het zoo intens, zóo intens, dat er nog iets is tusschen jou en haar, dat ik het je durf zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en mij bedrieg je, daar!

Met een, uit zijne borst opbrieschend, stemgeknars, met gebalde vuisten liep hij op haar toe en werktuigelijk deinsde zij achteruit. Maar hij greep haar weêr, nu hare polsen zoo vast omkluisterend in zijne sterke handen, dat zij zijne kracht in haar vleesch tot op haar gebeente voelde indringen:

--Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, dat je dat tegen me zeggen kan. Je bent laag, dat je dát bedenken kan! "Je voelt, je voelt!" Ja, je voelt uit bekrompenheid, uit armzieligheid ... Je bent niets, je hebt niets in je dan je vuil en klein getwijfel! Je heele gemoedsleven bestaat uit vuiligheid, daar! Er is niets meer tusschen ons: ik ken je niet meer, ik word misselijk van je ...

Hij smeet haar van zich af, op een divan. Daar viel zij in een, met hare groote verschrikte oogen naar het plafond, wijd open. In dit oogenblik was zij meer ontsteld, dan rampzalig en begreep zij niet juist. Het schemerde haar in heur overprikkelde hersenen: ze wist niet wat er eigenlijk gebeurde.