Noodlot

Chapter 5

Chapter 53,951 wordsPublic domain

--In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.

--Waarom niet?

--Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet, onmogelijk.

En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht, een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille wanhoop, die van hem uitstraalde.

Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.

--En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal je dan gelukkig zijn, Eve?

--Maar Bertie ...

Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn van geluk, tegenover zijne smart.

--Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.

Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.

--Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.

--Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...

--Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.

--Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds wringend zijn handen ...

Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:

--Arm kind!

--Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.

Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ...

--O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!

Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote, verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.

--Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ... Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je, spreek dan toch!!

Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet medelijdend meer, maar koel beslist!

--Neen, neen, Eve, er is niets ...

--Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??

Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij voelde dat.

--Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die vaas is omgevallen ...

--Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?

Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de rozen weêr in de vaas ...

--Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.

Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.

--Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen zou komen ...

Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze zacht drukkend.

--Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie, ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve ... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds, want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf, ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je: vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig, wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen, begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als woekerkruiden en giftplanten.

--Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.

--Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan gelukkig zijn? Zweer je het me?

Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!

Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en, hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans, met zijn smartelijksten glimlach:

--Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb ik?

--Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen, heusch niet ...

Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.

--Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol nachtelijk mysterie.

Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid: Frank alleen zou blijven dineeren.

--Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als een etherisch waas.

--Wat? vroeg zij, zacht weenend.

--Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend opstaande, doodmoê, huiverend.

--O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer doen, nietwaar ...

--Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.

Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank, slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen trillend, rond, als naar een steun ...

Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...

En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.

VIII.

Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim? Was er iets met Frank ...

En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:

--Wat is er, Frank? en hij antwoordde:

--Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk, hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne stem en zijn blik tegenover Frank.

Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had? Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank vragen of hij _iets_ had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was altijd hetzelfde antwoord:

--Niets, lieveling!

Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:

--Wat? Wat is er? Is er iets?

En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach, vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had: een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn schijnbestaan, als van iets ontastbaars,--een droom,--in haren geest.

IX.

Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ...

Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het:

--Zoo, dag Frank, dag lieve vent ...

Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,--een der skatingrinkjes--, terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te spreken, die met eene dame liep!

Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ... Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en zelfs naar voren geknikt, zeggende:

--Daar loopt Frank ...

Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien!

Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur afscheid nemen, maar Frank sprak:

--Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ...

Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ...

Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen. Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden.

--Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ...

En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer, het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden: ze wist dat nietwaar?

--Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel?

--Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij haar troosten zoû.

--Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze, haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû:

--Nu niet meer ...?

Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat altijd zoo was ...

--O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ...

Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen, beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ...

--Heb je het koud, lieveling?

Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus, waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde niet aandringen. Het zoû wel slijten ...

Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in koorts.

Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig, dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad, vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van "Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars door een riool was gesleurd.

En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar romantisch gemoed.

X.

Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had: twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid?

Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende, eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem nog wel eens gevraagd naar dat _iets_, maar daarna werden hunne gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank gezegd of gevraagd ...

Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis, het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel besteedde, edeler dan het zijne was ...

--Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen.

Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de eerste stap was genomen, het was het Lot ...

Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes, die--het Lot wilde het zoo--men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid aan den leugen, dat men door zichzelven--energie--iets kan wijzigen aan den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval--toeval, wàt is toeval?!--dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve--zoo klein, zoo fijn, zoo verloren--niet zien zoû!

Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ...

En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht, verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en onstandvastig: hij zoû nooit zijne vrouw gelukkig maken.

Maar Bertie zag ook aanstonds in, dat dit zelfbedrog was en dan lachte hij weêr en schudde het hoofd, omdat hij zichzelven zoo comiek, zoo vreemd vond. Het leven was niets, niet de moeite waard zich er om te vermoeien, maar zoo in zichzelven door te dringen, zichzelven te bestudeeren, zoo te blikken in zijn denken, zoo te goochelen met zijne gedachten, dàt was belangwekkend, dàt was eene interessante bezigheid, terwijl men lui op een zachten divan lag ...

En toch genoot hij slechts zelden eenige hersenrust, want de spinsels zijner sluwheid weefden, haar afmattend, zich voort in zijne gedachte. Ook zijne uitingen tegen Eve--soms lange gesprekken, soms halve zinnen--matteden hem af door het telkens en telkens nauwkeurig afwegen der woorden. Maar niets van deze afmatting was aan zijn uiterlijk te bespeuren en die woorden, ze rolden zoo schijnbaar ondoordacht van zijne lippen, dat zij schenen te leven van natuurlijkheid. Inderdaad waren zij de frases van een comediespelend, vooruit ingestudeerd pessimisme; zij treurden over het leven, zij beklaagden Eve met eene mysterieuze ontferming, en, tusschen die smart heen, beschuldigden zij Frank--eventjes, ter loops, met niets, bijna alleen met hun accent--beschuldigden zij hem van grilligheid, onstandvastigheid, wuftheid, weifelmoedigheid. Bij den minsten uitroep van Eve echter spraken zij zichzelven weêr tegen, kunstig schermend nu met zichzelven, dan met Eve, als met de feintes van fijne floretten, terugtrekkende schijnsteken, een prikje hier, een prikje daar, een druppeltje bloed stortend, telken keer ...

En Eve zelve scheen het, dat hare ziel, na eerst door een riool gesleurd te zijn, uitbloedde onder die prikjes. Het was eene smart, zeer duidelijk, als zij in wanhoop de werkelijkheid vergeleek met hare illuzies, vager wordend, zich uitwisschend, als zij wat koel verstand had om er over te redeneeren en zich af te vragen: waarom voel ik mij zoo rampzalig? Omdat Frank is zoo als alle jongelui schijnen te zijn? Omdat Bertie pessimist is en wanhoopt, dat ik gelukkig zal worden?... Dan haalde zij hare schouders op, hare smart was niet te begrijpen, was een nevel geworden, was weg ... Zij was immers zeer gelukkig gewèest; Bertie's wanhoop was ziekelijk; zij wilde wéêr gelukkig worden. Maar niettegenstaande die logica de smart even verdreef, kwam ze aanstonds weêr terug, trots redeneering en verstand, zeer halsstarrig, als iets, dat een golf aanspoelt, dat komt en wijkt, wijkt en komt.