Chapter 3
Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water, omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn, Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachelijke, bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met zijn stadje,--wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het vaalwitte châlet van het Grand-Hôtel--het weende, roerloos onder de zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een zonsondergang....
Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak, scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een gaas.
--Kijk, daar is een beetje zon, over de zee ... Men smacht hier naar de zon ... O, ik woû, dat de zon even doorbrak ... Het is hier zoo treurig, zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in "Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zoû hier bidden om wat zon en men krijgt niets dan dat glansje daar in de verte.... O, ik ril!
Zij huiverde werkelijk in de stijve, satijnige plooien gutta-percha van haar regenmantel; heur gelaat was lang en bleek en hare oogen groot en verlangend. En zij voelde zich eensklaps zoo verlaten in geheel hare ziel, dat zij instinctmatig den arm van haar vader greep, in eene behoefte om zich te dringen aan zijne borst.
--Ben je koud, kind? Willen we weggaan? vroeg Sir Archibald.
Zij knikte en zij hielpen beiden haar afstijgen van de steenen. Zij wist niet waarom, maar zij dacht eensklaps aan hare doode moeder en of die ook wel eens zich zoo verlaten gevoeld had als zij, trots de genegenheid van haar vader. Maar toen zij de hut weêr in het oog kreeg, sprak zij in eens, als met een inval:
--Papa, er zijn daar namen gesneden in die deur. Laten wij de onze er ook in snijden.
--Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek ...
--Ach neen, toe, laten we onze namen er in snijden. Ik wil het! pruilde zij dringend, als een bedorven kind.
--Wel neen, Eve, gekheid.
--Ach ik wil het! smeekte zij.
De oude heer gaf echter niet toe, mopperend, maar Frank haalde zijn zakmes te voorschijn.
--Mr. Westhove, snijd _u_ dan mijn naam er ook in, alleen: Eve! Het zijn maar drie letters. Wilt u? vroeg zij zacht.
Frank had op de lippen te zeggen, dat hij haar naam zelfs zoû willen snijden, al ware die ook nog zoo lang, maar hij zweeg: het had als eene banaliteit geklonken, te midden van die treurende natuur.
En hij korf zijne letters in die deur, die was als een vreemdelingenboek. Eve stond stil te turen naar het westen, en ze zag, dat de drie lijntjes goud verbleekten en het roze wegsleet.
--De zon, de zon! murmelde zij onhoorbaar, rillend, met een bleek lachje om hare lippen en een vochten blik.
Er vielen zware droppels regen. Sir Archibald vroeg of zij kwamen en ging reeds vooruit.
Eve knikte hem droef glimlachend met hare wimpers toe en naderde Frank.
--Is u klaar, mr. Westhove?
--Ja, sprak Frank en korf nog haastig zijne laatste letters.
Zij zag toe en bespeurde, dat hij voor haar gesneden had: Eve Rhodes, met zeer nette, gelijke, glad uitgeschaafde karakters. Daaronder stond: Frank--grof en ruw gehouwen in de haast.
--Waarom heeft u Rhodes er bij gesneden? vroeg ze en hare stem klonk zeer gedempt, zeer van verre.
--Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig.
IV.
Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne verlakte muiltjes.
--En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken.
Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht lachend sprak hij kort:
--Neen....
Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend, verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord, dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem wijdde.
Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje verwonderd:
--Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van Oswald?
Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd bij haar antwoord:
--Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen?
Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen, was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil geworden.
--Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze zal me geweldig pedant hebben gevonden.
--Frank! vroeg Bertie op eens.
--Wat? antwoordde Frank verschrikt.
--We gaan morgen weg van hier, nietwaar?
--Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt.
--Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan?
--Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.
--En de Rhodes'?
--Ze gaan naar Bergen ...
--Ook morgen?
--Ik weet het niet ...
En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog, waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ...
HOOFDSTUK III.
I.
December in Londen, een koude mist. Een wit waas om White-Rose, in de achterkamer een groot vuur. Maar Bertie was in geen stemming om van dat bien-être, waaraan hij reeds gewend was, te genieten; hij beschouwde het daarenboven als iets geheel en al natuurlijks, dat hem, van rechtswege, toekwam, omdat hij een fijn gestel had, klein en tenger was, en zich niet geboren voelde om ellende te lijden. En toch had hij ellende gekend: de slavernij van dienstbare betrekkingen, waaronder hij met eene serviele en kruipende diplomatie had weten te buigen; toch wist hij van de nijping van honger, de goorheid van vunze armoede ... Wat scheen dat alles lang geleden, vaag als een droom, als de lijnen van dat Londensche tuingezicht daar buiten, afgestompt in de bleeke vaalte der nevels, o vaag als een onduidelijk vermoeden van een voorbestaan! Want hij had na zijne metamorfoze willen vergeten, hij had zich gedwongen te vergeten, geen seconde aan een verleden, ook niet aan eene toekomst te denken; hij haatte zijn verleden als eene onrechtvaardigheid, als eene schande, als eene onuitwischbare vlak op de uiterlijke onberispelijkheid van zijn heden: iets, dat steeds verborgen, begraven, brutaal ontkend moest worden, tot hijzelf gelooven zoû, dat het niet bestaan had. En hoe was hij voor zich geslaagd in deze vernietiging zijner Amerikaansche jaren, die uitgewischt schenen in de annalen zijner herinnering!
Waarom moesten die jaren dan nu, langzaam, als spoken, voor zijn geest oprijzen uit het graf hunner vergetelheid? Waarom kregen zij, eerst spoken! al meer en meer omtrek, tot zij, duidelijk van lijn, helder gekleurd dag aan dag, maand aan maand schakelend, opwarrelden in de vlam van het vuur, waarin hij moedeloos staarde, een doodendans van jaren gelijk, die hem aangrijnsden als met doodskoppen, met holle oogen en bleeke tronies, verwrongen door een sluw gemeenen grimlach; jaren, die hem toewuifden met vuile lompen en zijn reuk ontzenuwden met een goren stank? Hij zag die jaren, hij rook ze, hij rilde van hunne koude, daar in den gloed van dat vuur; hij voelde hun honger, trots het souper, dat hem wachtte.... Waarom? O, was het, omdat de toekomst, die hij eveneens ontkende, thans begon te dreigen als een onheil, dat iederen dag, ieder uur, nader en nader kwam, onafwijsbaar, onafwendbaar, en omdat die toekomst wellicht zoû zijn, als dat verleden?
Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst, làf, zonder geestkracht, zonder moed.... Er dreigde iets en hij voelde het naderen, hem overvallen, met hem strijden op leven en dood, in eene overspanning van wanhoop: hij voelde zich wankelen, nederzinken, hij voelde zich gerukt worden uit de fluweelen zachtheid van zijn leven, neergesmakt worden op straat, zonder dak, zonder iets ... Wat behoorde hem toe! Het linnen aan zijn lichaam, de schoenen aan zijne voeten, de ring aan zijn vinger, het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed boven, het was van Frank. Zoo was het geweest een vol jaar lang en als hij ooit weg zoû moeten gaan met alleen het zijne, dan zou hij moeten gaan ... naakt, in den winter. En hij kón niet meer zijn, als hij geweest was in Amerika, dienstbaar scharrelend van den eenen dag op den anderen. Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. Want het dreigde, gruwzaam, onbarmhartig: geen seconde was die bedreiging van hem af, en, in de lafheid zijner verweeking, wrong hij er zachtjes zijne witte handen om, en drupten er twee tranen langs zijn strak masker van wanhoop.
Te strijden voor zijn bestaan! Hij kon het niet meer; zijne energie was er te zwak voor: eene zwakte, die hij over zich had voelen komen als een wellust, na zijn getob met het leven, en die hem nu onmachtig maakte, zich tot een zweem van geestkracht in te spannen! En vóór zich zag hij de noodlottige keten der, soms oneindig-kleine, gebeurtenisjes zich opnieuw ontrollen, ieder gebeurtenisje een vreeslijke schakel, soms leidend tot catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als zijn vader, na het mislukken zijner indolente studies te Leiden, hem niet in een administratief betrekkinkje naar eene fabriek te Manchester verbannen had, dan had hij denkelijk nooit sommige jongelui leeren kennen, zijne medeklerken aldaar, fashionable boeven en gevaarlijke strijders voor het leven, nog halve knapen en reeds rot van eene verdorven jeugd ... Als hij ze niet gekend had--en hoe gemakkelijk hadden ze, zijne aangeboren neigingen slechts te gemoet komend, hem medegesleept!--dan had hij misschien toch niet zóó lichtschuwe geldknoeierijen bij zijne fabriek bedreven, dat zijn patroon, uit medelijden en vriendschap voor zijn vader, hem naar Amerika geholpen had ...
Daar was hij het diepst gezonken, ondergegaan in het schuim van spartelende gelukzoekers ... O, ware hij niet in Amerika verongelukt, hij zoû niet, in de grootste ellende te Londen gestrand, Franks hulp hebben ingeroepen. En Frank ... Frank ware zonder zijn drijven niet naar Noorwegen gereisd, had zonder hem dus Eve niet ontmoet. O, die reis naar Noorwegen, hij vloekte ze nu, want zonder Noorwegen ware Frank misschien nooit verliefd geworden en had Frank wellicht nooit gedacht aan trouwen! En nu ... Frank was gisteren naar de woning van Sir Archibald gegaan, waar de jongelui na hunne Noorweegsche ontmoeting veel waren gekomen, en Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zoû trouwen en ... hij, Bertie? Waar zoû hij blijven, wat zoû er van hem worden?
Zwaar gevoelde hij de noodlottigheid van het leven, en de onrechtvaardigheid der levensaaneenschakelingen en hij zag in, dat hij zijn eigen ongeluk had opgeroepen door slechts een enkel woord ... Een enkel woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks aanstaand huwelijk, zijn eigen ondergang ... hoe hatelijk duidelijk zag hij die enkele schakelen zijner levensketen in elkaâr geklonken! Eén woord, uit eene domme intuïtie geuit: Noorwegen: en hij bewerkte onherroepelijk het geluk van twee anderen, ten koste van zichzelven! Onrechtvaardigheid, onrechtvaardigheid!
En hij vloekte de intuïtie, die geheime domme kracht, waarvan een beetje is in ieder woord, dat wij uiten, en hij vloekte dit: dat ieder woord, iedere klank der menschelijke stem, niet overlegd kan zijn. Wat was het toch, intuïtie? Iets stom en goedigs, een soort zinneloos _beter ik_, zooals de menschen zeggen, dat, diep verborgen, in het geheim, maar voortholt als een dol veulen, dwars door de fijnste verwikkelingen der spinnende gedachte heen! O, had hij maar gezwegen van Noorwegen! Wat gaf hij om dat eene, noodlottige, land boven alle andere landen? Waarom niet Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamschatka, voor zijn part; waarom juist Noorwegen!! Domme intuïtie, die zijne vervloekte lippen verlokten te zeggen: Noorwegen, en onrechtvaardigheid van het lot, het leven, van alles!!
Energie? Wil? Was dáár tegen te willen en energiek te zijn? Woorden, niets dan woorden! Hurk fatalistisch neêr als een Arabier, en laat dag volgen op dag; denk niet na, want onder de gedachte loert ... de intuïtie! Vechten? Tegen het lot, dat zijne kettingen blind in elkaâr voegt, schakel aan schakel?
Hij wierp zich woest achteruit in zijn stoel en steeds wrong hij zachtjes zijne handen, steeds drupten twee tranen van zijn oog. En hij zag zijne lafheid voor zich staan, hij staarde zijne lafheid in de bange oogen, zonder haar te veroordeelen. Want hij was zooals hij wàs, hij was laf en kon zich niet veranderen! De menschen noemden iemand, die was als hij: _laf_; dat was een woord! Waarom was laf: slecht; eerlijk en moedig: goed en mooi? Alles conventie, overeengekomen begrippen, zooals de geheele wereld éen conventie, éen hersenschim was. Er was niets, niets!
Maar er was toch iets: ellende, armoede! Hij had die gevoeld, met ze gevochten, lijf aan lijf, en hij was daar nu te zwak voor, te teêr, te fijn! Hij _wilde_ niet!
Toen, achteruit geleund, het bleeke hoofd rustend op den fluweelen rug van den fauteuil, zijne diepe, zwarte oogen troebel van het gift der gedachten, voelde hij door zijne zwakte een zachten, gelijkmatigen, electrischen stroom gaan, een stroom van wil. Het noodlot had gewild, dat hij Eve en Frank samen zoû brengen; welnu, hij, armzalige speelbal van dat lot, hij zoû _willen_, dat ...
Ja, hij zoû willen, dat ze gescheiden wierden.
Het rees daar vast voor zijn blik, dat voornemen, ijzig en streng, een boos beeld van satanische slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het verpletterende gewicht er van in ... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!
Er was niets dan conventie en ... armoede. En dan--was er dat beeld, dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend, tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.
II.
Dien nacht,--hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren bij de Rhodes'--sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten. Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten; havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden, in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve, hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel geluid van veel koper.
Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen....
Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte, bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten, in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw; de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken, hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo oppermachtig ...
III.
De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend:
--We zullen goede vrienden zijn, nietwaar?
Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve toe en sprak:
--Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ...
En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald, dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid.