Noodlot

Chapter 10

Chapter 103,884 wordsPublic domain

--Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank, laat hem, ga niet naar hem toe.

--Jawel Eve, ik moet het hem vragen ...

--Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet!

Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.

--Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.

--Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ...

--Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.

--Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.

Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen, geheel zijn gelaat.

--Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ...

--Tot straks! sprak hij.

Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ...

Buiten stortregende het.

VI.

Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter verdediging en ... dat zij niet konden.

--Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen. Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen rieten stoel, roerloos.

--Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een paar weken waren ...

Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ... Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten, spoedig ...

--Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van?

Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er van smeekte.

--Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren? --Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar.

--Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet anders. Spreek op ...

Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg. Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was, onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was als hij was en dat alles was als het was ...

--Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ...

--Wat weet je?

--Ik was het, die ...

--Die wat ...

--Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen.

Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen, het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer, vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.

--Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.

--Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is te vreeselijk!

Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:

--Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je het haast?

--Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.

--Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ...

--Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als je trouwde ... Ik hield van je en ... en ...

--Spreek op, je hieldt van me en toen ...

--En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank, hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn ... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan ... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ... _Ik_ deed Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, _ik_ maakte, dat ze aan je twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hield _ik_ tegen ... _Ik_ deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ...

--Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk! Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen, hatelijk lachte.

Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte door.

--O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid, zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik liever anders zoû zijn ... Maar kan _ik_ er iets aan doen, dat ik zoo ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht, geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit, noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank ...

--Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk, ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!

--Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem, schudde hem.

--Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met _mijn_ geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!

--Ja ...

--Met mijn geld!

--Ja, ja, ja!

Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ...

Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even. O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.

Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.

--Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt! Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had. En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet, dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk, begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat ik je hààt?!!

Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht zoû gespuwd hebben.

--Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.

Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde, stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-, driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie. En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer, brieschend.

--Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ...

En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar ... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood: purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend, draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om den hals van het masker ...

Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het bewegelijk levende harer verschijning.

--Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt hem!

Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.

--Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij er uitziet!

Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest zich vasthouden aan een meubel.

--Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem nog eens, nog eens ...

Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.

--Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!

--Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan! Sta op, ellendeling, gauw, sta op ...

Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan. Maar Bertie bleef liggen.

--God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het lichaam. Zie je het dan niet!!

Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ...

Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos, eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.

--Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je hebt hem vermoord ...!

Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een afgrond stortte, in een afgrond van bloed.

--Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver weggaan, laten we vluchten!

--Is hij dood? vroeg hij wezenloos.

Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde, voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen zoû:

--Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...?

Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.

--Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten wilde.

--Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier. Blijf bij hem waken. Ik kom terug ...

En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen, verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn, die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ...

Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen heen ...

Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte. De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst gevoeld heb!...! O God, help, help ...

En zij stortte neêr op den grond, flauw.

HOOFDSTUK V.

I.

Na dien dag van ontzetting twee volle jaren lang een leven van stil leed voor hen beiden, ieder lijdend in zichzelven, gescheiden als zij waren, met slechts nu en dan de bittere zoetheid van een kort samenzijn, wanneer zij hem daar opzocht, waar hij die twee jaren sleet, langen dag na langen dag doorsleet; in de strafgevangenis der duinen. Want als een slaapwandelaar had hij dien vreeselijken dag zichzelven aangegeven op het commissariaat van politie te Scheveningen, had hij zich laten brengen naar het Huis van Bewaring, had hij zijne "zaak" doorgemaakt ... Zes weken had ze geduurd--een kort verloop, zoo troostte zijn advocaat hem er meê, omdat er geen duisterheden in op te sporen waren, omdat de moord glashelder was te bewijzen als de onopzettelijke doodelijke afloop eener mishandeling, zooals bleek uit het getuigenis van Miss Rhodes, die verklaard had, dat de schuldige zelf eerst niet geweten had zijn vriend vermoord te hebben, dat hij hem vlak na den moord nog twee-, driemaal geschopt had, om hem te doen opstaan, slechts geloovende aan eene flauwte, dit alles gebeurd zijnde in hàar bijzijn. En de zaak was door de sympathie van het publiek nagevolgd, toen de omkoop der brieven aan den dag kwam, na het getuigenis van Sir Archibald en zijne dochter, na het getuigenis ook van William, die langs diplomatieken weg was genoodzaakt over te komen. Er waren geen moeilijkheden, in die zes weken liep alles geleidelijk af. Frank kreeg twee jaar, en kwam niet in hooger beroep.

Hij had ze in een wakenden droom van doffe naargeestigheid dag na dag doorgesleten, met telkens, o telkens weêr opdoemend, dat spooksel van dien verwrongen romp en de afzichtelijkheid van het, door vuistslagen vermorzelde, wanhoopsmasker, voor oogen. Hij had het spooksel voelen glijden over de bladen van zijn boek, als hij poogde te lezen, door de letters van zijn handschrift, als hij poogde te schrijven: wat wist hij nauwlijks zelf, brokstukken van eene reisbeschrijving over Amerika en Australië, troostelooze bezigheid, pijnlijk, omdat ieder woord hem den vermoorde herdenken deed, die toch ook dat alles had meêgeleefd. Deed hij dan niets, zich somber verdroomend, turende uit zijn cellevenster, dan zag hij, vlak voor zijn oog, op wat afstand, nauwlijks verte, de villa, waar zij samen gewoond hadden, en waar het gebeurd was, zag hij soms een stuk ovaal der zee, als een grijze schemering, en het was hem of hij den zilten geur rook, zooals hij dien had geroken, toen hij daar gezeten had, uren lang, met de beenen op de balustrade, zij, in zijn bereik, zonder dat hij het bewust was, hun noodlot ieder oogenblik hen naderend, onafwendbaar. En zoo was het nooit van hem af geweest, als eene obsessie.