Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 9

Chapter 93,887 wordsPublic domain

"Wat kon ik anders?" antwoordde hij. "Maar er was 't een en ander gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben, dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren geen boeken in 't Tagaalsch, behalve de katechismus: al 't overige was in 't Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging aan 't vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen vergenoegden zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden, eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes en de katechismus goed van buiten kenden.

"Ik ben dus nu weer aan 't werk, om van de kinderen papegaaien te maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van te snappen, 't Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in Europa van vooruitgang!"

"Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!" zeide Ibarra, terwijl hij opstond. "De 'teniënte mayor' heeft me een uitnoodiging gezonden, om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?"

De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd, en antwoordde:

"U zult zien dat van 't voorstel waarover ze me gesproken hebben al even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! 't Zal wat wezen!"

XX.

De vergadering van den gemeenteraad.

De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of minder leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk, met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang's: dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. _cuadrillero's_.

Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele stoelen maakten de verdere meubileering uit.

Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij van 't behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in 't dorp een feller karakter aan.

"Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!" zeide Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der liberale partij tot zijn vrienden. "Hij moet bepaald een geheim plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we hebben daar nog maar elf dagen voor."

"En hij is in 't klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren, die ziek is!" merkte een der jongeren op.

"Dat doet er niet toe!" beweerde een ander. "We hebben alles al klaar. Als nu maar 't voorstel van de ouden niet de meerderheid krijgt...."

"Dat geloof ik niet!" zei Don Filipo. "Ik zal het voorstel van de ouden indienen...."

"Hoe zoo? Wat zegt u?" vroegen de bijzittenden verbaasd.

"Ik zeg dat, als ik 't eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden zal indienen."

"En het onze?"

"Daar moeten de heeren zich mee belasten," antwoordde de "teniënte" lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: "De heeren moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb."

"We begrijpen u niet meneer!" zeiden de anderen en keken hem vol bange twijfeling aan.

"Luistert," zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem stonden. "Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet."

"En toen?"

"De oude man zeide me: 'Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten jullie dat voorstellen. Al was 't iets nuttigers dan de lucht, 't wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.' Maar je moet het geheim bewaren."

"Maar..."

"Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in 't belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den schoolmeester!"

De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen aan het gesprek.

Eenige oogenblikken later trad de burgemeester--_gobernadorcillo_ of "gouverneurtje" noemt men hem hier--met een gemelijk gelaat binnen. Het was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op, iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden.

De "Capitán"--zoo betitelt men den burgemeester--zette zich in den leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af, hoestte nog eens en zoo vervolgens.

"Heeren!" begon hij eindelijk met kwijnende stem, "ik heb me verstout u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de tweede... ehem! ehem!"

Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het zwijgen oplegde.

Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar, van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke "Capitán" Basilio, tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan.

"Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk een belangwekkende aangelegenheid," zeide hij. "Ik spreek het eerst, ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken het eerst spreken niet beteekent dat men _de eerste is_, evenmin het laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil ik 't eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester, mijn hooggeachte vriend Don _Valentin_, dan de ex burgemeester, mijn jeugd-vriend Don _Melchor_, en zooveel andere voornaamheden meer welke ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?"

En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig.

"Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen zal!" zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven zich in de handen.

"Capitán" Basilio veegde zich met een zijden zakdoek 't zweet van 't voorhoofd en ging voort:

"Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn, zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome: _Senatus populusque romanus_, zooals we in die gelukkige tijden zeiden, welke helaas nimmermeer voor 't menschdom zullen terugkeeren. En ik zal dan vragen aan de _patres conscripti_, zooals Cicero zou zeggen, als hij hier op mijn plaats stond, dat--in deze belangrijke zaak met het oog op den korten tijd--en tijd is goud, zooals Salomo zeide--ieder van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik heb gezegd."

En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis tot de anderen, die zeggen wilde: "Nou, ik heb goed gesproken, hè?"

Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij tot de jongeren, als om ze 't van nijd te doen besterven.

"Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?" hervatte de "gobernadorcillo." Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten stoorde hem.

Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der "patres conscripti" laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord.

De mannen van 't behoud knipten met de oogen en gaven elkaar beteekenisvolle wenken.

"Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de feestelijkheden," zeide Don Filipo.

"We kunnen die niet aannemen!" antwoordde een teringachtig oudje, onverzoenbaar konservatief.

"We moeten tegenstemmen!" zeiden de andere oppositie-mannen.

"Heeren!" zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, "ik heb het voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van dat het door 'een ieder' zal verkozen worden boven dat hetwelk onze tegenstanders kunnen uitdenken."

Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen: ze zwoeren "in corde" een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don Filipo ging voort:

"We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien, in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige."

"Hm!" klonk het ongeloovig. "Het dorp A. had 5000, B. 4000 peso's. Hm! Nonsens!"

"Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!" ging Don Filipo onverstoorbaar voort. "Ik stel voor een groot theater op te richten midden op het plein, dat 150 peso's moet kosten!"

"Dat 's niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!" wierp een hardnekkig behoudsman tegen.

"Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso's, voor het theater!" zeide Filipo. "Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven voorstellingen tegen 200 peso's per avond, dat maakt 1400 peso."

Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in 't geheim waren, verroerden zich niet.

"Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch licht of zonnetjes: dat's goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso's 't stuk, en 200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de vuurwerkmakers van Malabón."

"Hm!" viel een der ouden in, "een donderpot van 2 peso's doet me niet schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso's zijn."

"In de notulen: 1000 peso's voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!"

De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op en gingen overleggen.

"Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en overvloed van geld hebben," ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, "stel ik voor: 1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200 gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft."

"Juist, zooals Sulla!" herhaalde Capitán Basilio gevleid.

De verbazing nam trapsgewijze toe.

"Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en nog eens duizenden peso's bij zich heeft, behalve hun beste hanen, en het 'liampo' [16] en speelkaarten, stel ik voor 'veertien dagen hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...'"

Maar de "jongen" stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten dat de "teniënte mayor" gek geworden was. De "ouden" vormden een warme diskussie.

"En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen..."

Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven, overstemden den spreker geheel-en-al. 't Was een geweldig rumoer geworden.

"Nee!" kreet een onverzoenlijke behoudsman, "ik wil niet dat hij al de eer krijgt van 't feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!"

"Don Filipo heeft ons misleid!" zeiden de vrijzinnigen.

"Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen tegen!"

De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen.

De kapitein der "cuadrillero's" vroeg het woord. Hij kreeg 't, maar deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten.

Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen, en sprak:

"We kunnen wat de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld niet aannemen, want 't komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de 'teniënte mayor'; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo eenstemmig af. Is 't niet zoo heeren?"

"Ja, ja!" riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt een "oude" zoo te hooren spreken.

"Wat moeten we beginnen met vier predikers?" ging de oude man voort. "Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in 't meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij te maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!"

"De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!" mompelde Capitán Basilio.

"Nu begrijp ik het!" riep de oude zonder van streek te raken. "Ze vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen gevalle, uw voorstel voor 't feest is onaannemelijk, onmogelijk. 't Is een dwaasheid, een dolheid!"

Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken.

De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan, die het woord vroeg.

"Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong, het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van mijn persoontje."

De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd.

"Dat jongmensch spreekt goed!--Hij is bescheiden!--Hij redeneert bewonderenswaardig!" zeiden ze onder elkaar.

"'t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!" merkte Capitán Basilio op. "Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd, en hij is nog zoo jong."

"Zoo ik u een programma voorstel, heeren," ging de jonge man voort, "doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken."

"Goed gezegd, goed gezegd!" zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven, hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige die onverstoorbaar bleef, was de "gobernadorcillo"--deze burgervader scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort:

"Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor iedereen."

"Juist! juist!" stemden de jongeren in, "dat moeten we hebben."

"Heel goed!" voegden de ouden eraan toe.

"Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de 'teniënte mayor' die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, of ze op een kanon laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden, zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen, die zich in 't krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen, met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen, alsof ze door de _tikbalang_ waren verleid? In onze zeden stellen we de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw, zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou 't niet duizendmaal beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren, en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?"

"Juist! Juist!" herhaalden zijn aanhangers.

"Hij heeft gelijk!" mompelden eenige oudjes peinzend.

"Daar had ik nooit aan gedacht!" merkte Capitán Basilio op.

"Maar hoe wilt u dat dan doen?" opperde de onverzettelijke konservatief.

"O, heel gemakkelijk!" antwoordde de jonge man. "Ik heb hier twee komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd, met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet 'De verkiezing van den Burgemeester.' 't Is een blijspel in proza, in vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere, in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters onzer provincie. Het heet 'Maria van de Makilingberg.' Toen we zagen dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd, waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van 't dagelijksche leven kunnen dienen."

"Ik kom voor de kosten van 't theater op!" riep Capitán Basilio geestdriftig uit.

"Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!" zeide de kapitein der "cuadrillero's".

"En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is..." stamelde een ander, en richtte zich met majesteit op.

"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het van verscheidene kanten.

De "teniënte mayor" was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich met tranen.

"Hij huilt van spijtigheid!" dacht de onwrikbare behoudsman, en hij schreeuwde:

"Aangenomen, aangenomen zonder diskussie!"

En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te hemelen. Doch de spreker ging voort:

"Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op 't meer en ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig hebben, die de 'teniënte mayor' heeft voorgesteld. Om het feest op te vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken, die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is, kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er ons een bouwt. 't Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo ruw-weg: aan u allen, om het verder te volmaken."

Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde:

"Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren..."

"Laten we 't voorloopig aannemen," zeiden de anderen. "Laten we dien daar 's vernederen."

En ze wezen naar den "teniënte mayor."

Toen de orde weer hersteld was, was iedereen 't reeds eens. Alleen ontbrak nog de beslissing van 't "gouverneurtje".

Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen:

"Ik stem er ook mee in... maar ehem!"

De vergaderden luisterden zwijgend.

"Maar?" vroeg tenslotte Capitán Basilio.

"Volkomen...stem volkomen in!" herhaalde de burgervader!

"Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar..."

En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen.

"Maar de pastoor," ging de ongelukkige voort, "meneer de pastoor wil wat anders."

"Betaalt de pastoor het feest of doen wij 't? Heeft hij een enkele 'cuarto' bijgedragen!" riep een heldere stem.

Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar stond de "wijsgeer" Tasio.

De "teniënte mayor" zat roerloos met strakke oogen naar den burgemeester te staren.

"En wat wil de pastoor?" vroeg Capitán Basilio.

"Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang tusschen de bedrijven."

"Nu, dat willen wij niet!" zeiden de jongen en enkele ouden.

"De 'padre cura' wenscht het!" herhaalde de burgemeester.

"Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden."

"En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?"

"Juist...om 't u te zeggen."