Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 8

Chapter 84,031 wordsPublic domain

"Ik heb gedroomd!... Och God!" riep Basilio uit en richtte zich op, gutsend van 't zweet, "'t was een droom, zeg, moeder, het was maar een droom. Niets meer dan een droom!"

"Wat heb je gedroomd?"

De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.

"Een droom, een droom!" herhaalde Basilio zacht.

"Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!" zeide zijn moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.

"Nu dan," zeide deze zacht, "ik droomde dat we aren gingen lezen... op een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van 't andere herinner ik me niets meer!"

Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.

"Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt," zeide Basilio, na eenige oogenblikken van stilte.

"Wat voor plan?" vroeg zij.

Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen: ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.

"Ik wil geen koster meer worden!"

"Hoe zoo?"

"Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis; die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor 't ook niet; wat zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder, de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt weg aan boeten. Iedereen klaagt over 't zelfde. Ik word herder, en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er goed op passen en 't vetmesten, net als onze hen. In 't bosch zal ik vruchten plukken, en ze dan in 't dorp verkoopen tegelijk met groenten uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en vallen zetten, om vogels en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen, en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft, zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?"

"Och wat zou ik ervan denken? Stellig!" antwoordde Sisa, haar zoon omhelzend.

Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in 't geheel geen rekening hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.

Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.

Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten djamboe's, klèngkèng's en andere vruchten in het bosch. Ze liepen van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen en zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en 't zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe, de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te luiden. Aan 't touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.

Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen had, sliep niet.

XVIII.

Zieltjes in nood.

't Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan.

"De pater is ziek," zeiden de vrome vrouwtjes. "Hij beweegt zich niet zoo statig en sierlijk als gewoonlijk."

Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking.

"Opgepast!" fluisterden de kosters onder elkaar. "De storm komt opzetten! 't Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee beroerde jongens!"

Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man, die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen, stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand te kussen. Doch de geestelijke maakte zulk een gebaar van ongeduld, dat ze midden op haar weg stil bleef staan.

Ze begreep daar niets van. Zoo'n bejegening aan haar, Zuster Rufa, de vrome "celadora"--soort kommissaris van orde--van de Broederschap!

De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl anderen zeiden dat ze een andermans varken voor 't hare had aangezien en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de "coadjutor".

Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette de vrouwen en ging de trap op.

"Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!" zeiden de anderen.

Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien morgen was ze bij 't eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan om er "pakoe" te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken.

Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende frissche kinderstem zou hooren.

Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken.

Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet.

"Waar kan ik deze groenten laten?" vroeg ze, zonder zich beleedigd te toonen.

"Daar... waar je wilt!" antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken.

Sisa legde de térong's, petola's, de balsem-appels, de "zarzalida" en malsche "pakoe"-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende die haar handelbaarder voorkwam dan de kok:

"Zou ik den pater niet kunnen spreken?"

"Die is ziek," antwoordde de man zacht.

"En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?"

De bediende keek haar verbaasd aan.

"Crispin?" vroeg hij de wenkbrauwen fronsend.

"Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?"

"Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven," antwoordde Sisa. "Ik wil hem zien..."

"Jawel!" zei de bediende. "Hij is gebleven, dat is zoo, maar daarna... daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen."

Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit.

"Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!" voegde de kok erbij. "Je kunt wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!"

Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer.

"Je moet hier niet huilen!" riep de kok haar toe. "Weet je dan niet, dat de 'padre' ziek is, ga op straat janken!" De arme vrouw werd bijna de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de "zusters" heengingen, die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid van den pastoor.

De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en onderdrukte haar schreien.

Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel.

XIX.

Avonturen van een schoolmeester.

Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen nacht meegeloeid heeft met den storm. Bij 't eerste glimpje van den dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen, die hun zeilen spannen.

Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.

"Hier is 't!" zeide de laatste. "Hier werd het lijk van uw vader in 't water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!"

Ibarra drukte hartelijk de hand van 't jongmensch.

"U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!" hervatte deze. "Ik was uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees, was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!"

Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed verzonken. Dan wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:

"U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp."

"En nu?"

"Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is."

"Hoe zoo?"

"Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten."

Ibarra zweeg even.

"Hoeveel leerlingen heeft u nu?" vroeg hij ten slotte met een zekere belangstelling.

"Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas."

"Hoe komt dat zoo?"

De schoolmeester lachte weemoedig en riep:

"Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange, vervelende geschiedenis moeten vertellen."

"U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven," ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. "Ik heb er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik wil me bezielen met den geest van den man, die mij 't leven gaf, en daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt."

"Het land" zeide de onderwijzer, "zal uw vaders nagedachtenis zegenen, als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel, geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en leeren stukken van buiten in 't Spaansch en soms heele boeken, zonder er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze dorpelingen van de school?"

"En u die weet waar 't kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het te verhelpen?"

"Och!" antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, "een arme schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten hebben, een lokaal, en niet zooals 't nu is een ruimte naast het rijtuig van den pastoor, onder 't klooster, waar ik onderwijs mag geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen, natuurlijk den 'padre'; die komt dan soms zenuwachtig beneden, vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt mij soms uit. U begrijpt licht, dat men zoo niet kan onderwijzen of leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam, zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen, want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de eenvoudigste methode toe--zinnetjes en naamwoorden--zonder veel aan groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren, wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.

"Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en maakten die al eenige zinnetjes."

De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij zich daar overheen zette, ging hij voort:

"Ik hoef me niet te schamen voor 't verhaal van mijn grieven: iedereen zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar boven, kwam binnen en zeî hem goeden dag in 't Spaansch. Hij stak me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In 't eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen oversloeg, en sarkastisch zeî: 'Zoo, zoo "_buenos dias_"! [15] _Buenos dias_! Wel dat 's leuk! Je kent dus al Spaansch?!' En toen lachte hij weer."

Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.

"U lacht erom," hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. "Ik verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond daar en ik voelde dat het bloed me naar 't hoofd steeg, en een onweer mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei me, dezen keer in ernst, in 't Tagaalsch: 'Pronk nu maar bij mij niet met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch niet, want dat is geen kost voor jullie.' Ken je meester Ciruela? Nu, Ciruela en die was een schoolmeester die niet kon lezen, hield school.

"Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn traktement, die om 't te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke, politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt door zijn corporatie, gevreesd door 't gouvernement, rijk, machtig, die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd, aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En 't onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel, trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen, of anders anti-Spaansch gezind en _filibustero_--opstandeling. Van een schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven, als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept."

"En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En 't is u daarna beter gegaan?"

"Gave God dat ik door schande wijs was geworden!" antwoordde hij, "dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! 't Is waar dat ik sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover, een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is 't een marteling, en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is, het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in 't dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een ander ongelukkig maken, zonder dat ik 't zelf minder werd. Behalve nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen met mijn lot."

De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:

"Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche ranselsysteem op school uit den booze was: 't schaamtegevoel verdwijnt erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden wreed. Ik schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging 't niet best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in 't bijzijn van alle anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel gauw verbreidde zich in 't dorp het nieuwtje, dat ik op school niet sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo'n tooneel als vroeger vreesde, groette ik hem stijf in 't Tagaalsch. Dezen keer was hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf, dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest, dat 'de letter met het bloed ingaat' enz., enz. Hij haalde me een hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te wezen... Nu, 't kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen onder 't klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd, toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten 't daar niet bij, maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden nemen. 't Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: ik was te jong. Och, wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad, hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen, verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling."

"Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! 't Waren mijn eenige vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De oude Tasio zeî me: 'Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun niet geranseld?' Als gevolg daarvan werd ik ziek."

Ibarra luisterde aandachtig.

"Nauwelijks beter, kwam ik weer op school en ik vond mijn leerlingen tot op een vijfde verminderd.

"De besten waren heengegaan bij de hervatting van 't oude systeem. En van degenen die overgebleven waren--die naar school gingen om 't werken thuis te ontloopen--toonde geen enkele vreugde, niet een wenschte me geluk met mijn beterschap: 't was hun onverschillig of ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen, die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had, ik werd overladen met verwijtingen."

"En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?" vroeg Ibarra.