Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 6
Om hem te "pesten" verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw, het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en een _slakot_--toedoeng--van _nipah_ op het hoofd, rondkuierend in de late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij zag, dat de _alférez_ de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd, het beeld van den Heilige Geest "Och, toe, schei uit!" mompelde. De _alférez_ was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen, die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij 't geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in den tuin van den _alférez_, terwijl hij een onderwerp overpeinsde voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze elkaar daarna tegenkwamen.
Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak aan 't venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan, de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.
Dit zijn de grootmachtigen van 't dorp San Diego.
XII.
Allerheiligen.
Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half van riet en staken, schijnt het af te scheiden van 't verblijf der menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken.
In 't midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken _Inri_ ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van 't kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt.
Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold, ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet, ontstaan door aardbevingen, aan 't oog onttrekkend.
De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende vrouw te zeggen:
"Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?"
Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig--hij gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre takken--de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer.
"Zeg 's!" zegt de rooker in Tagaalsch, "zou 't niet beter zijn, dat we op een andere plek gingen graven?
"Hier is 't nog zoo nieuw."
"'t Eene graf is al even versch als 't ander."
"Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog bloederig... brr! En die haren?"
"Och, wat ben jij jufferachtig!" verweet hem de ander, "'t lijkt wel of je griffier van 't gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk dat twintig dagen oud was, had opgegraven--'s nachts, in 't donker, bij regen, mijn lantaren ging uit...."
De ander huiverde.
"De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en als jij hem dan dragen moest.. nou, en 't regende en we waren beiden druipnat, en..,"
"Brrr! En waarom heb je 'm opgegraven?"
De doodgraver keek hem met verwondering aan.
"Waarom? Weet ik het? Ze hadden 't me gezegd!"
"Wie had het je gezegd?"
De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot voeten aan.
"Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed: de groote pastoor had het me bevolen."
"Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?" vroeg de "jufferachtige" wederom.
"Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een 'mensch' was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd, dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt...."
"Nee, nee! Ik graaf niet meer!" viel de ander in, vol ontzetting zijn schop loslatend en uit de groeve wegspringend. "Ik heb daar een doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet van slapen kan."
De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg.
Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder elkaar en alsof ze 't niet eens konden worden, gingen ze vaneen en een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen, die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der gebeden ruischten door de lucht.
Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe.
"Zeg 's!" zeide hij. Deze hief het hoofd op.
"Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het vleesch van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar had, onder die blaren, aan den voet van 't kruis?"
De doodgraver haalde de schouders op.
"Hier!" vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, "ik heb niets meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt."
De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het knekelhuis, en zei:
"Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik 't niet."
"Zal ik je 's wat zeggen?" ging de oude voort, "zoodra ze me betalen wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. 't Was de schedel van mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt..."
"Is hij daar niet? dan weet ik 't niet! Maar, als je wilt, kan ik je wel een ander geven."
"Je bent al net als het graf dat je graaft!" voegde de oude man hem zenuwachtig toe, "je kent de waarde niet van wat je verloren laat gaan. Voor wie is dat graf?"
"Weet ik 't? voor een dooie!" antwoordde de ander humeurig.
"Als het graf, net als het graf!" herhaalde de oude en lachte droogjes, "je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar, graven maar!"
En hij wendde zich om en ging naar den uitgang.
De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn _salákot_, en begon die te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem heen gebeurde.
XIII.
Voorteekenen van storm.
Op 't oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in 't zweet.
Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar het kerkhof.
"Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen terugkomen!" zeide de oude man schuchter. "Capitán Tiago zei dat hij wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis neergezet, dat ik zelf gesneden heb."
Ibarra antwoordde niet.
"Daar achter dat groote kruis, heer!" ging de knecht voort, wijzende naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan.
Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na.
De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel stond bedremmeld en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag nergens een kruis.
"Is 't hier?" mompelde hij bij zich zelf. "Nee, 't is daar ginds, maar de aarde is er omgewoeld!"
Ibarra keek hem angstig aan.
"Jawel!" ging hij voort, "ik herinner me, dat er een steen naast was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf 's vragen, wat er met het kruis gedaan is."
Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg, en daarna groette door zijn "salákot" aftenemen.
"Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?" vroeg de bediende.
De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na.
"Een groot kruis?"
"Jawel, groot," bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde.
"Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?" vroeg de doodgraver verder.
"Ja zeker, juist, juist!" en de knecht teekende op den grond een bizantijnsch kruis.
"En waren er bloemen op 't graf gestrooid?"
"Oleanders, tjempaka's en viooltjes!"
"Ja zeker!" hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar.
"Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is."
De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend:
"Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!"
"Verbrand! En waarom heb je 't verbrand?"
"Omdat de groote pastoor het me gezegd had."
"Wie is dat, de groote pastoor?" vroeg Ibarra.
"Wie? Die erop-in ranselt, pater 'Stok'".
Ibarra streek de hand langs 't voorhoofd.
"Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat moet u zich toch herinneren."
De doodgraver glimlachte.
"De dooie is er niet meer in!" antwoordde hij bedaard.
"Wat zegt u?"
"'t Is nog al duidelijk!" voegde de man er op gekscheerenden toon aan toe, "ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven."
"Ben je gek?" vroeg de knecht hem. "'t Is toch nog geen jaar dat we 'm begraven hebben."
"Nou ja: 't is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven heb. De 'groote pastoor' woû 't hebben, om hem naar 't Chineesche kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en 't dien nacht regende..."
De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra's houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde hem door elkaar.
"En dat heb je gedaan?" vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon.
"Word maar niet boos, heer," gaf de ander verbleekend en bevend terug, "ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf: 't is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb 'm toen maar in 't water gegooid!"
Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was.
"Je bent een ellendeling, niets meer!" zeide hij, en, als een gek over beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten.
De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde:
"Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje nog bij inschieten."
Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde hem schreiend.
De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den hemel naar 't oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa's der boomen, en deed de rietvelden kreunen.
Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich naar den buitenkant, naar 't oude huis dat hij nu sinds jaren niet betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open, de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken; de duiven fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning, die midden in den tuin stond.
Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in 't oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de vijand van de _alférez_. De wind boog de breede randen van zijn hoed om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken bamboe-stok met ivoren handvat. 't Was de eerste maal dat Ibarra en hij elkaar zagen.
Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken.
De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe, hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en vroeg bijna onverstaanbaar:
"Wat heb je met mijn vader gedaan?"
Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich op 't gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden: hij voelde zich als verlamd.
"Wat heb je met mijn vader gedaan?" herhaalde de ander met gesmoorde stem.
De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte, bracht er met moeite uit:
"U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!"
"Niets?" hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat hij hem op zijn knieën deed vallen.
"Nee, ik verzeker 't u! Dat was mijn voorganger, "t was Padre Dámaso..."
"O!" riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor 't voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig naar zijn huis.
De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke opstaan.
XIV.
Tasio de gek of de wijsgeer.
De oude zonderling van 't kerkhof doolde afgetrokken door de straten.
't Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek aan middelen of bekwaamheid: 't was juist omdat zijn moeder rijk was, en men algemeen zeide dat hij "aanleg" had. De goede vrouw vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten: daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen 't jaar, zocht hij een troost in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo'n liefde voor boeken, dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was.
De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio, en onopgevoeden--de meerderheid--Tasio de gek, om zijn zonderlinge denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang.
Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht, de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend.
Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek.
Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met kwast, als teeken van zijn waardigheid.
"U schijnt vroolijk te wezen?" vroeg deze in de landstaal.
"Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop."
"Zoo! En waarop hoopt u dan?"
"De storm!"
"De storm! U wilt zeker gaan baden?" vroeg de "gobernadorcillo" op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den ouden man.
"Baden... 't zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils aanloopt," antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek daarbij zijn toespreker in 't gelaat, "maar ik hoop op iets beters."
"Wat dan?"
"Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te verbranden!" gaf de wijsgeer ernstig terug.
"U moest maar ineens de zondvloed vragen!"
"We verdienen 'm allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo, heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe 'Capitán' voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij onweer. En zeg me nu 's: hoe kwam het, dat in '70, toen de bliksem in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en 't altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?"
Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. "Jezus Maria en Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!" mompelde de "gobernadorcillo", die bleek werd en een kruis sloeg.
Tasio schoot in een schaterlach.
"Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!" zeide hij in 't Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk.
De kosters waren binnen bezig een "túmulus" op te richten met kaarsen en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar, bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden geschilderd.
"Is het voor de zielen of voor de kaarsen?" vroeg hij. En twee knapen ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen, zonder het antwoord der kosters af te wachten.
"Gaan jullie met me mee, jongens?" vroeg hij hun.
"Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt: een pastoor 't lusten."
XV.
De kosters.
Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij vroeg hen wanneer zij naar huis gingen.
"De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!" antwoordde 't oudste ventje. "Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan moeder geven."
"Zoo! En waar gaan jullie heen?"
"Naar den toren, om te luiden voor de zielen."
"Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken zoolang 't onweert."
Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op te gaan naar het koor.
Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde:
"Nou zou 't me spijten, als het insloeg."
En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant van 't dorp.
"Zeg, komt u eerst even binnen!" riep een stem uit een venster hem in 't Spaansch toe.
De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte.
"Wat leest u daar?" vroeg Tasio en wees op het boek dat de man in zijn hand hield.
"'t Is iets nieuws--mooi boek: 'De kwellingen der zaligen in 't Vagevuur!'" was het vroolijk bescheid.
"Man! man! man!" riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij het huis binnenging. "De schrijver moet wel een knap man wezen."
Bij 't opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij Teodora Vina. Don Filipo was de "teniënte mayor" of onder-burgemeester en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn.
"Heeft u op 't kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet, die pas uit Europa terug is?"
"Ja, ik heb 'm gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte."
"Ze zeggen dat hij 't graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag moet wel vreeselijk geweest zijn."
De "wijsgeer" haalde de schouders op.
"Stelt u geen belang in zijn ongeluk?" vroeg de jonge huisvrouw.
"Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn gegaan. Ik was 't die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden."
"En?"
"U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van 't erfelijk koningschap. Door 't beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben."
"Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik 't u gisteren aangeraden heb?" vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen.
"Nee!" antwoordde de oude man lachend.
"Hoe jammer!" riep ze met oprechte spijt, "ze zeggen dat tot morgen tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere dagen van 't jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei."
"Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben, waar we van moeten profiteeren?"
"Maar Doray!" viel Don Filipo in, "je weet toch wel dat Don Anastasio niet aan 't vagevuur gelooft."
De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo kwam 't gesprek op 't vagevuur en de filosoof vertelde hoe 't geloof daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de verdoemenis geloofde. 't Einde van zijn redeneering was dat hij niet kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen van een oogenblik.
Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar, en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning.
De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; 't was of God met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en 't eeuwige gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en, voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als een klagelijk gekreun door de lucht.