Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 5

Chapter 53,916 wordsPublic domain

De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek een anderen kant uit--'t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts, en daar zag hij 't oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen van haar grootmoeder.

Hij zag in de verte de zee, en dacht aan 't verre Europa met de geestelijk-ontwikkelde volkeren, die 't stoffelijke niet veroordeelen en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten voorstaan, dat ze 't geestelijke vereeren!...

De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats _de la Luneta_ [9], trok thans zijn aandacht.

Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had, die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar 't waren geen ijdele napraterijen, 't waren overtuigingen die niet verbleekten in 't licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: "Vergeet niet, dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, alleen de moedigen die erven", had hij vermaand. "Ik heb getracht je bij te brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je gaat naar zeer rijke landen." En hij voegde er toen lachend aan toe: "Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt." Die man was daar gestorven.

Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf:

"Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee, wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet, nee!"

Zijn aandacht werd niet getrokken door _la Ermita_--de kluizenarij--die fenix van "nipah", welke zich uit zijn as verheft in den vorm van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar _Malate_, noch naar de cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de vogelnestjes door iedere huisvader voor zich.

Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken door een of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger in 't mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen weg, waar de felle tropische zon blaakte. 't Weemoedig, eentonig gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt het snerpend geknars van 't droge wiel met de ontzaggelijke as aan 't zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers van een "paragos", de Filippijnsche slede, die met horten en stooten voortschuift over 't stof of de modderpoelen van den weg. Op de velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers, die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen troepjes merries...

Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over 't hobbelig terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde snel omlaag.

IX.

Locale aangelegenheden.

Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre Dámaso, die zich naar 't huis begaf waar hij juist vandaan kwam.

"Waar gaan jullie heen?" vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante Isabel, die op 't punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand op de wangen van het meisje.

"Naar 't klooster om mijn goed te halen," antwoordde ze.

"Aha, aha! We zullen 's zien wie verder komt, we zullen 's zien"... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte hij zich naar de trap en ging naar boven.

"Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?" zeide tante Isabel. "Kom, stap in, Maria, 't wordt zoo laat."

Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen, doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen, want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze bijna een knieval moest doen om die te kussen.

"Santiago!" was 't eerste wat hij zeide, "we moeten over heel belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan."

Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de deur achter zich dicht.

Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na de mis gelezen te hebben, naar 't klooster van zijn orde gegaan dat gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings "de Isabel II" of "de Mojallones" heette, al naar de koninklijke familie die te Madrid zetelde.

Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur.

"Binnen!" zuchtte een stem.

"God geve uwe reverentie weer gezondheid!" was de groet van den jongen dominikaan bij 't binnenkomen.

In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel en uitgemergeld als een heilige van Ribera's penseel. Zijn oogen lagen diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden.

Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder 't eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij 't hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten.

"Ach!" zuchtte de oude man, "de doktoren raden me een operatie aan, Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando! "

Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in 't gelaat.

"En wat heeft uwe reverentie besloten?" vroeg hij.

"Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel, maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij, hoe is 't met jou, wat heb je voor nieuws?"

"Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had."

"O, en hoe is 't daarmee?"

"Poeh!" antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat minachtend af, "ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad."

"Denk je dat?"

"Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen."

"Nu al? En hoe was dat?"

Fray Sibyla verhaalde in 't kort wat er tusschen Padre Dámaso en Crisóstomo Ibarra voorgevallen was.

"Bovendien", voegde hij er ten slotte aan toe "'t jonge mensch gaat trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin misschien te verspelen."

De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd.

"Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo'n vrouw en zulk een schoonvader zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet, des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!"

Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan.

"Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk," voegde hij er met moeite ademend aan toe. "Ik heb liever aanvallen dan dat zotte aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...'t Is waar, dat ze betaald worden."

"Denkt uwe reverentie dat?"...

De grijsaard keek hem droevig aan.

"Hoû dat maar voor zeker!" bracht hij met moeite uit. "Onze macht duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen."

"En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms..."

"Dat zal 't niet doen!"

"En toch, als 't eens, belust op wat wij binnenhalen mocht toegeven aan zijn begeerte... als er 's een durf-al was, een vermeteling..."

"Oh, dan staat het ellendig met hem!"

Beiden zwegen een poos.

"Bovendien," ging de zieke voort, "wij hebben noodig, dat ze ons aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. 't Geld komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens niet meer in onze macht."

"Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen..."

"Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En 't ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld: dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: _Quos vult perdere Jupiter, dementat prius._ [10] Laten we daarom ons gewicht niet te zwaar maken: 't volk mort al. Ik denk er zoo over als jij: laten de anderen daar ginds hun eigen zaken regelen, laten wij het prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!"

"Dus uwe reverentie gelooft, dat de 'canon' of grondlasten?..."

"Laten we toch niet meer over geld spreken!" viel de zieke met een zekeren afkeer in, "je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan Padre Dámaso..."

"Jawel, vader" antwoordde Fray Sibyla lachend, "maar van morgen zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar 't hoofd gestegen was en dat Padre Dámaso in 't zelfde geval verkeerde als hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij, ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel: ik ben geen overbrenger en ben 't ook nooit geweest; daarom draag ik ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag."

Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray Sibyla heen.

Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar _Malacanan_--het paleis van den gouverneur--geweest was, had deze toch van de zaak gehoord.

"Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen," had hij lachend tot een zijner adjudanten gezegd, die hem 't geval had medegedeeld. "Ik wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben er ook achter, dat de 'provincial' zich niet om mijn orders bekommerd heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien 'fraile': ze hebben hem een veel beter dorp gegeven. Och, 'monnikerijen' (frailadas) zeggen we in Spanje!"

Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer.

"O! als dit volk niet zoo aarts-dom was," zuchtte hij, "zou ik die eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot, en laten we doen wat iedereen doet."

Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso, of beter gezegd die van dezen met hem.

"Dus je bent nu gewaarschuwd!" zeide de Franciskaner bij 't afscheid. "Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw op haar peet!"

Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis te beveiligen.

"We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!" mompelde hij.

X.

Het dorp.

Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp _San Diego_ te midden van bouwlanden en sawah's. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten.

Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden van die opeenhooping van daken van _nipah_, pannen, zink en "cabonegro" (_idjoek_), [11] gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een boom--de fijnbebladerde asem--, de met vruchten beladen klapperboom, een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in 't zandig bed verspreid haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend onvast, verbinden de beide oevers. En zijn 't ook slechte bruggen, 't zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om 't evenwicht op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, die bevend voortstapt en zijn stok in 't water laat vallen.

Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt, dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas, gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen, en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het loof van de gastvrije boomen.

Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde over, maar 't waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde en bekende, schijnt het volgende te wezen:

Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er 's nachts herten en wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem reeds voor "betooverd," toen een walgelijke lucht, die zich uit het naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok; ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding aan den tak van een _baliti_-boom hangen. In levenden lijve boezemde hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had, verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de _baliti_ was er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder, die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen, beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.

Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar 't scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila, bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.

Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden: de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe's, papaja's, djamblang's enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze "de ouwe! de ouwe!", smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch waren--sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel enkelen lachend.

XI.

De grootmachtigen.

Wie waren de overheids-personen van 't dorp?

Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in 't dorp nooit zijn partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen men hem zag wankelen.--Zou 't dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij 't een half uur later in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden hem achter zijn rug "Koster" Tiago.

Dan misschien het dorps-hoofd?

Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had, alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere, hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had hem vijf duizend peso's gekost en heel wat vernederingen. En naar ze hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop.

Wie dan?

Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de Paus en het Vatikaan; de onderluitenant--_alférez_--van de _guardia civil_ de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in 't andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort, want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.

Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger, den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid, bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco), tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men aan ieders hals vier of vijf "scapalieren" en om ieders middel een koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het verkoopen--door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen--van al de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den duivel te keeren.

Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling van zijn plichten: volgens den _alférez_ al te nauwgezet. Wanneer hij aan 't preeken was--daar hield hij veel van--werden de deuren der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden, in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.

De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke tevens, was, zooals we gezegd hebben, de _alférez_. De eenige, want de vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch, toen die 't gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer na negen dagen in vrijheid gesteld.

Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme onvoorzichtige duivels, en de _alférez_ verdiende zijn lot. Zijn vrouw, een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De _alférez_ wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn vrouw af te rammelen.

Hij en zij sloegen--alsof 't maar een grapje was--elkaar bont en blauw, en schonken de buren gratis-voorstellingen.

Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi, lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte dan weer witjes en bad nog meer.