Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 4

Chapter 44,036 wordsPublic domain

Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij probeerde van alles: liet missen lezen, bezocht heilige plaatsen, gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso hem aanraadde naar _Obando_ te gaan; daar danste hij 't feest van San Pascual Bailón en vroeg om een zoon. 't Is bekend dat er te _Obando_ een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze lieve Vrouw van _Salambau_, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach, 't ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen, toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven ze haar de namen _Maria Clara_ ter eere van de Maagd van Salambau en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel, de pater vereerende oude, die wij in 't begin van ons verhaal hebben ontmoet. Ze woonde het grootste deel van 't jaar te San Diego om het gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna blonde tint. Haar neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden, die de trek van Capitán Tiago's vaderschap herkenden in Maria Clara's kleine en welgevormde ooren.

Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat [7] uit het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.

Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar, wanneer ze haar bij de processies in 't wit kleedden, haar weelderige lokkentooi doorstrengeld met _tjempaka's_ en leliën, met twee zilveren en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk, ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich zelve van liefde voor haar, niet ophield met de heiligen van Obando te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan te schaffen.

In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar vrouw, gelijk de bloemknop, die 's nachts nog gesloten den volgenden ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van _Binondo_ naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra, die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de "waakzuster", bracht ze zeven jaar van haar leven door.

Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende omstandigheden verkeerden.

VII.

Idylle op een plat dak.

Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan; deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende het Heilige Offer het "Anker der Redding" te lezen.

Nauw was de priester van 't altaar verdwenen of het jonge meisje gaf haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig hield, niet minder dan een non. Morrend en onder 't slaan van kruisjes stond de goede oude op.

"Och, de goede God zal 't wel vergeven. Hij zal 't hart van de jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante," had de ander tot haar gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte moederlijk-bedoelde verwijten.

Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van 't afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en door te lezen.

Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den boezem van 't meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in 't rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze "hem" ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....

"Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft," zei Capitán Tiago. "Je moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht noodig. Wat dunkt je, _Malabón_....of _San Diego_?"

Bij dezen laatsten naam werd Maria Clara zoo rood als een klaproosje en kon ze niet antwoorden.

"Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen," ging Capitán Tiago voort, zonder 't hoofd op te heffen, "je gaat er daarna niet meer heen."

Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.

"En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar Malabón.... je peetvader is niet meer in _San Diego_. De pastoor, dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe pastoor dien we daar nu hebben. 't Is een heilige."

"San Diego staat haar beter aan, neef!" merkte tante Isabel op. "Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst."

Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een rijtuig stilstaan, en werd bleek.

"O ja, dat is waar!" antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend, hervatte hij:

"Don Crisóstomo!"

Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging haar door 't lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten, onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg, om zich te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het gedruisch van een deur die gesloten werd.

Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die 't dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door 't sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed, haar armen om den hals van 't oudje en overstelpte haar met kussen.

"Maar, dwaas kind, wat scheelt je?" kon de oude ten slotte uitbrengen, terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.

Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen arm.

"Kom, maak je klaar, gauw!" voegde de oude op hartelijken toon eraan toe, "terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet op je wachten."

De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich op in haar kamer.

Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze overal heen keek, behalve naar de menschen.

Zij en de jonge man wisselden daarna slechts één blik: hun ontroering vond geen woorden.

En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van 't "engelen haar"? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in 't geheim van den duisteren nacht, in 't mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde, eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij, want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!

Maar nu gij niet wilt, zal ik 't zelf toch maar probeeren.

De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog de bladeren en bloemen der klimplanten--daarom huiverde het "engelen haar"--de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche lampen. Het geplas van een "sagoean" (roei-riem uit één stuk hout) in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren over de _Binondo_-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat de tante mompelde:

"Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in 't oog gehouden", zeide zij.

In 't eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk als honig voor de lieden van 't land, maar lach- of ergernis-wekkend voor vreemdelingen.

"Heb je altijd aan me gedacht?" vraagt zij jaloersch. "Heb je me op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel mooie vrouwen!"....

Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.

"Zou ik je kunnen vergeten?" antwoordt hij, terwijl hij verrukt in haar donkere pupillen staart. "Kon ik ooit een heilige belofte schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me zoo alleen zag schreien bij 't lijk van mijn moeder en je naar mij toekwam, je hand op mijn schouder lei--je hand, die je me al een heelen tijd niet toeliet vast te houden--en dat je toen tegen me zei: 'Gij hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad'... en dat je toen samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een dochter. Buiten regende en donderde het, maar 't was me of ik muziek hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O, als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in 't verre Europa mijn fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland, mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van 't Filippijnsche land, 't heerlijke land, dat de deugden van 't Spaansche moederland vereenigt met de schoone eigenschappen van een jong volk, zooals zich in jouw wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was 't of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in 't zonnig Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven, daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde..."

"Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila en Antipolo--jouw land," antwoordde zij glimlachend; "maar van 't oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar 't klooster ging, heb ik altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik vond het toen vreeselijk, maar later in 't klooster lachte ik erom en verlangde er naar, dat ik weer 's zoo ruzie met je kon hebben... om dan daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder pakte gauw mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de 'gogo'--een soort 'merang'--waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie begreep. 'Och, domme jongen,' antwoordde je moeder toen, 'je zult merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.' Ik begon te lachen, jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen naar 't dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die, om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes."

Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige blaadjes ingepakt waren.

"Jouw salie-blaadjes!" antwoordde hij op haar blik.

"Dat 's alles wat je me ooit gegeven hebt."

Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.

"Afblijven!" riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.

"Niet aankomen: dat 's een afscheidsbrief."

"Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?"

"Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?"

"En wat had ik je daarin te vertellen?"

"O, 'n boel fopperij!" antwoordde zij lachend, terwijl ze te kennen gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. "Stil! ik zal je den brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan, om je te sparen."

En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken, dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:

"Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje," en ze doorliep eenige regels met de oogen. "Mijn vader staat erop, dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.--"Je bent nu een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van 't leven leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter Baltasar spreekt: "Opgegroeid in 't water, verwelken haar bladeren, zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van hitte doet haar verdorren." Wel, kijk, je bent bijna een jonge man, en je schreit nog!"--Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder leggend, zeide hij me met bevende stem: "Denk je, dat jij alleen kunt liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en 't niet naar vindt van je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn eenzaamheid, al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je, voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, 't mijne gaat verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de koude erin. En toch schrei je, en kun je 't heden niet opofferen voor een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!"--Mijn vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën, omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid was te vertrekken."

Ibarra's ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman was bleek, en stapte van 't eene uiteinde van het platte dak naar 't andere.

"Wat scheel je? wat is er?" vroeg zij hem.

"Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu dadelijk naar 't dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen."

Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:

"Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg die bloemen op 't graf van je vader!"

Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het bidkapelletje opsloot.

"Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet maken want Maria en Isabel komen gauw! Goeie reis!" zeide Capitán Tiago, terwijl Ibarra in 't rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de richting van het San Gabriël-plein.

En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:

"Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede Reis, want er zijn een boel _toelisan's_ (roovers). 't Is beter nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een bom duiten te moeten uitgeven als losgeld."

VIII.

Herinneringen.

Ibarra's rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht ondanks zichzelf glimlachen.

De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht, de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes met eetwaren, de hôtels, "de restaurants", de winkels, tot zelfs de zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels, die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort te slepen, alles, 't gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon, een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten in zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen.

De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte, de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; 't regende een dag en er ontstond een moeras, dat 's avonds de rijtuiglantaarns weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun geborduurde muiltjes laten steken!

Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht de koude van 't ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis, aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider, voor wien 't wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen kon mishandelen.

Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam, of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg het in zijn _salákot_, [8] de overigen keken met een zonderlinge blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij nog het gedruisch dat ze maakten bij 't stukslaan van steenen, om de kuilen op straat aan te vullen en 't vroolijk tingelen der zware voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn, zonder smart, zonder ongeduld, zooals 't eigenaardig karakter der inboorlingen meebrengt.--"Vandaag jij, morgen wij," zeiden ze zeker bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen, de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van.

De goede eerwaardige _Puente de Barcas_, die echt-Filippijnsche brug, die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen der _Pasig_-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield.

De amandel-boomen der _Plaza de San Gabriel_ waren niet grooter geworden, ze bleven achterlijk in hun groei.

De _Escolta_-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met steunbeelden de plaats in van haar oude _camarines_--de lage gebouwtjes met de Chineesche winkels erin. De _Puente de España_, een nieuwe brug, trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het eiland _Isla del Romero_ begint, brachten hem de frissche ochtenden in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een _banca_--een klein nauw schuitje--om naar de baden van _Ulf Ulf_ te gaan.

Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen--ernstig en met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en beide dochters aankwam.

Bij 't afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in, koersnemende naar de wandelplaats _de la Sabana_. Links klonk uit de sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk maakte. Het levendige gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters, die er zoo vaak opstootjes maken!