Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 33

Chapter 334,111 wordsPublic domain

"Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: 't ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten, als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde, fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig, vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten, dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen."

"Uw woorden zijn kwetsend voor me," zei Ibarra geraakt.

Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:

"Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst besparen. Herinner u maar 's dien keer, toen ik met u sprak in deze zelfde _bangka_, bij 't licht van deze zelfde maan, zoowat een maand geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden, of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!"

"U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van omstandigheden, toen was ik verblind, ik had 't land, weet ik 't? Nu heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen me om misdadiger te worden! En nu ze 't eenmaal gewild hebben, zal ik _filibustero_ wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen: die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde, we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop, geen menschlievendheid: er is alleen maar 't recht van den sterkste!"

Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.

Ze gingen 't paleis van den _capitan general_ voorbij, en meenden bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.

"Zou de vlucht ontdekt zijn?" mompelde Elias.

"Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het _zacate_-gras bedekken; want we komen zoo meteen voorbij 't kruitmagazijn, en 't mocht den schildwacht 's verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn."

De _bangka_ was een van die ranke smalle kano's, die niet drijven, maar over 't water heenglijden.

Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg hem waar hij vandaan kwam.

"Van Manila, ik heb _zacate_ gebracht aan de rechters en aan de pastoors," antwoordde hij, handig den tongval der lieden van _Pandakan_ nabootsend.

Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van 't geen er plaats had.

"_Soeloeng!_ (Ga door!)" zeide deze tot hem, "ik waarschuw je dat je niemand in je _bangka_ mag nemen, want er is zoo juist een gevangene ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede fooi geven."

"Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?"

"Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!"

De _bangka_ verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.

"We zullen eenige minuten oponthoud hebben," zeide hij zacht, "we moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar."

Het dorp sliep in 't maanlicht. Crisóstomo stond op, om de kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met _zacate_-gras.

Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe en haalde onder uit het gras eenige lege _wajons_ of zakken van palmblad. Ze voeren verder.

"U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt u zelf," zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. "Maar als ik een opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na, wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen, zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die 't meest te lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten, dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel, maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik hoop zie in de menschen."

"Dan ga ik zonder u!" antwoordde Crisóstomo vastberaden.

"Is dat uw vast besluit?"

"Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen 't goede verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe hebben ze 't me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid, en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou een misdaad wezen, dat zou 't zelfde wezen als ze aan te moedigen tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, 't zou lafheid, kleinmoedigheid wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal 't domme volk oproepen, ik zal 't zijn ellende laten zien. Laat het niet denken aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking 't eeuwige recht van den mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren."

"'t Onschuldige volk zal lijden!"

"Des te beter. Kunt u me naar 't gebergte brengen?"

"Totdat u in veiligheid is!" antwoordde Elias.

Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd over onverschillige dingen.

"Santa Anna!" mompelde Ibarra, "u kent dat huis zeker wel?"

Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.

"Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!" zuchtte Elias. "In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in 't _colegio_ in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij als een droom."

Ze bleven zwijgen tot ze aan _Malapad nabato_ (breede rots) kwamen. Zij, die wel eens 's nachts de Pasig hebben bevaren, in een van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben, wanneer de maan van 't kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen, en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide jonge mannen overdachten.

Te _Malapad nabato_ was de _carabinero_ slaperig, en ziende dat de _bangka_ leeg was, en geen buit opleverde--hij zou die anders inhalen, naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en 't aan zijn ambt verbonden gebruik--liet hij de reizigers gemakkelijk door.

De _guardia civil_ van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet lastig gevallen.

't Begon te dagen, toen ze aan 't meer kwamen. 't Lag daar glad en rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.

"De _falua_--het politie-vaartuig--komt," fluisterde Elias. "Leg u neer, en ik zal u toedekken met die zakken."

De gedaante van 't vaartuig werd duidelijker waarneembaar.

"Ze gaan tusschen den wal en ons," merkte Elias ongerust op. En hij wijzigde langzamerhand de koers van zijn _bangka_, roeiend in de richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de _falua_ ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.

Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra zouden ze in 't bereik van de geweren der _falua_ zijn. Hij dacht erover de Pasig weer op te varen: zijn _bangka_ ging sneller dan 't andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere _bangka_ van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der _guardias civiles_ reeds zien blinken.

"We zijn in den val!" mompelde hij, verbleekend.

Hij keek naar zijn stevige armen, en 't eenig besluit nemende dat hem mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van 't eiland _Taljim_. Inmiddels kwam de zon op.

De _bangka_ gleed snel voort. Elias zag op de _falua_, die bijdraaide, eenige mannen staan, die hem wenkten.

"Kunt u een _bangka_ besturen?" vroeg hij aan Ibarra.

"Jawel; waarom?"

"Omdat we verloren zijn, als ik niet in 't water spring, en ze van 't spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt."

"Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!"

"Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten ze ons als vogeltjes neer."

Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in 't water, alsof er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.

"Ziet u wel?" zeide Elias, zijn riem in de _bangka_ leggend.

"We zien mekaar terug op kerstnacht op 't graf van uw grootvader. Red u!"

"En u?"

"God heeft me wel voor grooter gevaren behoed."

Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen, en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte hij Ibarra's hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der _bangka_ liggen. Hij zelf sprong in 't water, met zijn voet het ranke vaartuigje wegduwend.

Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk daarop verdween 't weer.

"Daar, daar is hij!" schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer floten de kogels.

De _falua_ en de _bangka_ begonnen hem beide na te zetten: een flauwe zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van Ibarra's vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op adem te komen, schoten de _guardias civiles_ en _falua_-mannen op hem.

De jacht duurde voort. De kleine _bangka_ van Ibarra was al ver weg, de zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was 't ook, want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets meer aan de oppervlakte van 't meer, dat nu rustig en verlaten was.

Een half uur later beweerde een roeier in 't water, bij den oever, sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd, met een uitdrukking op 't gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.

LX.

Padre Dámaso verklaart zich.

Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de borduurwerken van _pina_, noch de stukken zijde trokken de blikken van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra, van zijn verdrinken in 't meer.

Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden, die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso, zegt tot haar:

"Wie ben ik? wie ben ik?"

Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis aan.

"Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu, ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen."

En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig aan haar lippen.

"Wat is er, Maria?" vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach verliezend, en met zekere ongerustheid, "je handje is koud, je wordt bleek...ben je ziek, mijn kindje?"

En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek haar vragend aan.

"Heb je geen vertrouwen meer in je peet?" vroeg hij op een verwijtenden toon. "Kom, ga nu hier zitten, en vertel me 's al je narigheidjes, zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven..."

Padre Dámaso's stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien.

"Schrei je, m'n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares gehad?"

Maria hield haar ooren dicht.

"Niets over hem...nu!" riep het jongemeisje.

Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan.

"Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht je kleine grillen te bevredigen?"

Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien.

"Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!"

Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht, nauw hoorbaar:

"Houdt u nog van me?"

"Kind?"

"Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!"

En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch verborg hem het geheim harer geboorte.

Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven.

"Zoolang hij leefde," hervatte het jongemeisje, "wilde ik nog strijden, hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor mij om nog te leven en te lijden."

Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen.

"Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?..."

"Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu hij dood is...'t klooster of 't graf."

De toon waarop 't meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre Dámaso's vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende uitdrukking kreeg.

"Had je 'm zoo lief?" vroeg hij stamelend.

Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst zakken en bleef zwijgen.

"Mijn kind!" riep hij met smart bewogen stem, "vergeef me dat ik je ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst, ik wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde met iemand van 't land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen, en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was, zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun een droevige toekomst; dan werden 't vijanden van den godsdienst, en zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen, die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af 't oogenblik dat ik zag dat hij je in 't ongeluk zou storten. Want ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik droom van je. Je bent mijn eenige vreugde."

En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind.

"Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij leeft niet meer, ik wil non worden."

"Non worden, non worden!" herhaalde hij. "Jij weet niet mijn lieveling, hoe 't leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld dan in 't klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben, je zult je man liefhebben...Linares."

"Of 't klooster of...dood," herhaalde Maria Clara.

"'t Klooster, het klooster of dood!" riep Padre Dámaso uit. "Maria, ik ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie 't ook zij, alles liever dan 't klooster."

"Naar 't klooster of dood!"

"Mijn God, mijn God!" riep de priester, zich het gelaat met de handen bedekkend. "Gij straft me, 't zij zoo. Maar behoed mijn kind.."

En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij:

"Je wilt dus non worden? Goed, je zult 't zijn, ik wil je dood niet."

Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend.

"Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!" stamelde ze.

"Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref niet dat onschuldige, red mijn dochter."

LXI.

De "Heilige Nacht."

Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op het dak van _kogon_ [76] slingert en rankt, beladen met vruchten en bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.

In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken herkennen we Sisa's zoon Basilio, den broer van Crispin.

"Wanneer je been beter is", zeide het meisje tot hem, "gaan we verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn."

"Je klimt dan met ons mee op den top van den berg," voegde het knaapje erbij, "dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de andere, boven de stortbeek."

Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.

"Verkoop die bezems," zeide de grootvader tot het jonge meisje, "en koop iets voor je broertje en je zusje, want 't is vandaag feest."

"Voetzoekers, ik wil voetzoekers!" riep de jongen.

"Ik een kop voor mijn pop!" riep het meisje, haar zuster bij haar kleedje grijpend.

"En jij, wat wil jij?" vroeg de grootvader aan Basilio.

Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.

"Meneer," zeide hij tot hem, "ik ben dus nu meer dan een maand ziek geweest?"

"Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee maanden om. We dachten dat je sterven..."

"God moge 't u vergelden. Wij zijn heel arm!" antwoordde Basilio, "maar nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn."

"Maar, m'n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: je komt er niet vóór middernacht."

"Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker geschreid hebben, toen ze me zocht."

"Je komt niet levend in 't dorp, jongen! Vanavond hebben we kip en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van 't veld terugkomen..."

"U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: een zoon."

De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:

"Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar 't kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was."

"Ga je heen?" vroeg het jongetje. "Daar beneden zijn soldaten, er zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!"

"Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?" vroeg op haar beurt het meisje. "Heb je je wel 's verstopt? Niet-waar, er is niets zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!"

Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen zeide hij:

"Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en met hem spelen. Hij is even groot als jij."

"Loopt hij ook mank?" vroeg het meisje, "dan zullen we hem 'moedertje' laten wezen bij 't "_pico-pico_"-spel."

"Vergeet ons niet," zei de oude man; "neem dezen plak wildzwijnsvleesch mee, en geef dien aan je moeder."

De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek met zijn klaterenden loop.

Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht der kinderen.

Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.

De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.

't Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt op verheugenis als in andere jaren.

In de "opkamer" van _Capitán_ Basilio's huis zaten deze en Don Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een tralievenster te praten; terwijl aan 't andere Sinang, haar nichtje Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.

De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.

"Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden, in deze tijden!" zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. "Je boeken hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren."