Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 32

Chapter 323,939 wordsPublic domain

"_Crede prime_," [73] zeide hij tot hem "doordat ik niet tijdig alle papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd gekrenkt. Doch _quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non in Marians Insulis es, camotes seminando._" [74] Geschiedenissen gelijkende op die van _Capitán_ Tinong waren Capitán Tiago niet onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo, aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de _Virgen del Carmen_, en op zijn allerminst, 't minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen zijn. _Capitán_ Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij:

"Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben, mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien."

En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat de beschuldiging bevestigde; de deskundigen zouden verklaard hebben dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig, zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen.

Op dergelijke wijze als _Capitán_ Tiago en zijn nicht van meening verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo, de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche kerkkaarsen-leverancier--die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo gaat--zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog, in zijn verhaspeld Spaansch:

"Wees niet dwaas: 't is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!"

_Capitán_ Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap, had hij voorspeld:

"Als 't geen jongen is en niet dood gaat, dan zal 't een heel goede vrouw worden!"

En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te vervullen.

_Capitán_ Tiago echter was een voorzichtig en angstvallig man, en kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen zou kunnen na zich slepen. "Voorzichtig!" zei hij bij zichzelf, "laten we nu niet de boel bederven!"

In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam: Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares.

Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde de bezoeken van Linares aan den _capitan general_, en gaf herhaalde malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid te kennen.

Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen.

"Ja!" zeide ze van Ibarra sprekend, "die had het wel verdiend. Ik heb 't dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een _filibustero_. Wat heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd, wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?"

En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot _Capitán_ Tiago wendend, voort:

"Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen is, dan zal 't aan mijn neef te danken zijn."

"Nicht! nicht!" protesteerde Linares.

Doch ze liet hem geen tijd:

"Och wat 'n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita, wat 'n genoegen je te zien!"

Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, ofschoon reeds vrijwel hersteld van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus.

Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort:

"We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw relaties!" En ze keek veelbeteekenend naar Linares.

"God heeft mijn vader behoed!" antwoordde het jongemeisje zacht.

"Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen." [75]

"Juist om...om...omgekeerd!" zei haar echtvriend.

_Capitán_ Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op 't antwoord:

"Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?..."

"Wij komen juist met u over de 'maagd' spreken," antwoordde ze geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. "We moeten over zaken spreken."

Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen.

Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen in zijn schik.

Daarna zeide _Capitán_ Tiago tot tante Isabel:

"Laat aan 't logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen."

Tante Isabel keek hem ontsteld aan.

"Je zult 's zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen, ze zullen 't allemaal besterven van nijd!"

En zoo kwam het dat den volgenden dag 's avonds om acht uur Capitán Tiago's huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als uit de Filippijnen.

Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude luitenant van de _guardia civil_, de heer Guevara, somberder dan ooit; de _alférez_, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde, onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van "Comandante"; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die "'t land" had. Linares was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven.

In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes.

"Phu!" zei een jongmeisje, "aardig trotsch..."

"Ziet er wel lief uit," antwoordde een ander, "maar hij kon er wel een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek."

"Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich."

Ergens anders zeide men:

"Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op 't punt staat om opgehangen te worden!"

"Dat is nog 's overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben."

"Als ze nu weduwe wordt..."

Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen in orde te maken--want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde malen op de lippen bijten.

In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan 't woord, zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend zwijgen bewaarde.

"Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat verlaten, Padre Sibyla," vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn nieuwe sterretje beminnelijker geworden was.

"Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?"

"Ik ga ook heen," antwoordde hij zich langer makende, "het gouvernement heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis te zuiveren."

Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem verder geheel den rug toe.

"Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den aanvoerder, 'ons oproermakertje?'" vroeg een beambte.

"Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?" vroeg een ander. "'t Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt, evenals die lui van '72."

"Hij wordt verbannen!" zei de oude luitenant droogjes.

"Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een levenslange wezen!" riepen er verscheidenen tegelijk.

"Als dat jongemensch," hervatte luitenant Guevara op luiden en strengen toon, "meer op zijn hoede was geweest; als hij minder vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als onze ambtenaren van 't openbaar ministerie niet al te spitsvondig het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig vrijgesproken zijn."

Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem brachten een groote verrassing te weeg in 't gehoor dat hij had; men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond, scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen.

"Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?"

"Ik spreek van 't geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels, die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben, was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen."

"En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?"

"De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad, maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem, zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt, misschien wel uit berouw. 't Is bewezen dat de papieren op het lijk gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en bevestigde alles wat hij daarin geschreven had."

"U zeide", vroeg een Franciskaan, "dat de brief aan een vrouw gericht was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?"

De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt van zijn grijzen baard, terwijl de anderen commentaren maakten.

"Dat is de vinger Gods!" zei er een, "zelfs de vrouwen haten hem."

"Hij heeft zijn huis in brand gestoken in 't idee dat hij daardoor zich redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten zijn liefje, zijn _babai_," voegde een ander er lachend bij. "Zoo wordt het vaderland gered!"

Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen, en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren naar 't gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen.

"U bent een heel verstandige jonge dame," zeide de oude luitenant zacht tot haar, "u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!"

Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij het kleed te grijpen.

"Tante!" stamelde ze.

"Wat is er, kind?" vroeg deze ontsteld, toen ze 't gelaat van 't jongemeisje zag.

"Breng me in mijn kamer!" smeekte ze, zich vastklampend aan den arm der oude vrouw, om op te staan.

"Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?"

"Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen."

"Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?"

Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van een heiligen-beeld.

"Moeder, o moeder, moeder!" snikte ze.

Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het licht der maan.

De muziek ging voort met haar vroolijke walsen.

Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst.

Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de stralen der maan, liggend aan de voeten van 't beeld van Jezus' Moeder.

Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante Isabel klopte nog eens aan.

"Nou, ze is in slaap gevallen!" zeide ze luid. "Och, ze is jong, en heeft in 't geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!"

Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding, waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid.

"Een rustige toekomst! Slapen als een rots!" mompelde ze, en richtte zich naar het plat.

De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan weerspiegelden.

Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers, haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte dak. Toen keek ze naar de rivier.

Een _bangka_, geladen met _zacate_-gras, legde aan onder aan den steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over, en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de _azotea_, 't platte dak, opgaan.

Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch 't was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij, en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug.

"Crisóstomo!" stamelde ze vol ontzetting.

"Jawel, Crisóstomo!" antwoordde de jonge man op ernstigen toon, "een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden."

Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen.

Ibarra ging voort:

"Bij 't lijk van mijn moeder zwoer ik dat ik je gelukkig zou maken, hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je moeder niet--maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed gestand te doen. En 't toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken, Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!"

Ibarra wilde heengaan, doch 't jongemeisje hield hem tegen.

"Crisóstomo!" zeide ze, "God heeft je gezonden, om me van wanhoop te redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!..."

Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken.

"Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik ben gekomen om je rust te geven."

"Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter stemmen tot mijn dood toe!"

Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar wat ze dan verlangde.

"Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!"

Crisóstomo lachte bitter.

"O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden heeft!" riep het jongemeisje met smart. "Ik begrijp je! Wanneer je mijn geschiedenis kent, de droeve geschiedenis die me tijdens mijn ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal je niet meer zoo'n lachje voor mijn smart overhebben.

"Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!"

Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan:

"Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn moeder 't me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader, en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat dien je hem aangedaan hadt!"

Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt aan.

"Ja," ging ze voort, "de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een groot schandaal, want mij vader is..."

En ze fluisterde den jongeman een naam in 't oor, zoodat hij alleen die hooren kon.

"Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder, de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren, opofferen aan mijn liefde?"

"Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!" riep Crisóstomo ten hoogste ontroerd.

Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem.

"Twee brieven van mijn moeder, twee brieven geschreven te midden van haar berouw, toen ze mij onder 't hart droeg! Daar, lees ze, en je zult zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood, die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader.

"Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief zouden maken!?" Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort:

"Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was, aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?"

"Maria, jij bent een heilige!"

"Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft..."

"En toch..." hervatte de jonge man van toon veranderend, "ik heb hooren vertellen dat je gaat trouwen..."

"Ja, dat is zoo!" snikte ze, "mijn vader eischt dat offer van me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en 't was zijn plicht niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren."

"Maar..."

"Maar?"

"Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten."

"Wat ben je van plan te doen?" vroeg Ibarra trachtende in haar oogen te lezen.

"De toekomst is duister, en 't lot ligt verborgen!

"Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij, wat zal er van jou worden?"

"Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn ontsnapping ontdekken, Maria."

Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen, kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem bruusk van zich verwijderend, zeide ze:

"Vlucht, vlucht! _Adios!_"

Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van 't jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend...

Weer sprong hij over den muur en stapte in de _bangka_. Maria Clara, leunend op de borstwering, keek hem na.

Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging.

LIX.

De jacht op 't meer.

"Luister 's meneer, wat voor plan of ik overdacht heb," zeide Elias peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. "Ik zal u nu bij een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de _baliti_-boom, in 't geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land..."

"Om naar 't buitenland te gaan?" viel Ibarra in.

"Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter vaderland dan 't eigene."

Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.

Ze kwamen op dat oogenblik aan de _Pasig_, en de _bangka_ begon den stroom op te varen. Op de _España_brug reed haastig een ruiter, en men hoorde een gerekt, schel gefluit.

"Elias," hervatte Ibarra, "u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U heeft me tweemaal 't leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in 't buitenland te gaan leven.

"Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.

"Hier bent u toch ook ongelukkig."

Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:

"Onmogelijk! 't Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben, niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt, aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden, laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en eenzelfde leed onze harten doen krimpen."

"Waarom raadt u me dan om heen te gaan?"

"Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland verafschuwen is het grootste ongeluk."

"U bent onbillijk voor me!" riep Ibarra met bitter verwijt. "U vergeet dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met 't goede voor mijn land te beoogen.."