Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 30
"De lui hebben haast om dood te gaan," zei de commissaris lachend, terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.
Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode, die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend, dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.
Ondertusschen bekeek een landman met een groote _salakot_ op en een groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.
Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van 't lichaam; boven de plek waar 't touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe striempjes; de schrijning van 't koord was wit en vertoonde geen bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed, merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van _amores secos_, [55] die overal, tot aan de boord van het hemd aan hem vastgekleefd zaten.
"Wat zie je aan hem?" vroeg de commissaris.
"Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer," stamelde hij, zich half 't hoofd ontblootend, dat wil zeggen de _salakot_ meer naar beneden halend.
"Heb je niet gehoord dat het een zekeren _Lucas_ is? Slaap je?"
Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit, en ging met gebogen hoofd langzaam heen.
"Hei, waar ga je naar toe?" riep de oude man hem toe. "Daar kun je er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!"
"De man slaapt nog!" zeide de commissaris spottend. "We zullen wat water over hem moeten gooien."
De omstanders lachten weer.
De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar den hoofdkoster.
"Die slaapt nog!" antwoordde men hem barsch. "Weet u niet dat ze vannacht het klooster geplunderd hebben?"
"Ik zal wachten tot hij wakker wordt."
De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn slecht behandeld te worden.
In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen stoel. Zijn bril zat hem tegen 't voorhoofd tusschen de lange haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees en daalde regelmatig.
De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken, onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook zaden van _amores secos_ aan de broek en de mouwen van 't hemd des slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde oog uit, en ontving den man met een snauw.
"Ik wou een mis bestellen, meneer!" antwoordde hij op een toon van verontschuldiging.
"Al de missen zijn al afgeloopen," zeide daarop de eenoogige zijn toon wat verzachtend. "Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de zielen in 't vagevuur?"
"Nee, meneer," antwoordde de boer en gaf hem een _peso_.
En hem scherp aankijkend in 't eene oog, liet hij volgen:
"'t Is voor iemand die spoedig zal sterven." En hij verliet de sakristie.
"Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!" zeide hij zuchtend, terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en de gestalte van Elias weer aan te nemen.
LV.
"Vae Victis!"
Eenige _guardia civiles_ wandelen met onheilspellende gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan, of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.
De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en weinig geruststellend. De _guardia civiles_ en de soldaten van de burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten bezig papieren vol te krabbelen. De _alférez_ loopt heen en weer, en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil, en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.
De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een ander bestemd.
Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.
"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de _alférez_ tot hem.
"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht, zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben erg zenuwachtig."
"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan."
"De jonge Ibarra en de _teniënte mayor_...?"
De _alférez_ wees naar de gevangenis.
"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd."
De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah" antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den koning neerzette.
"We kunnen beginnen!" zei ze.
"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de _alférez_ met een stem, die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:
"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!"
Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk, zooals men zich zeer goed kan voorstellen.
De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg, en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er luchtverversching intrad.
Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek: 't blok werd losgemaakt.
Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen, met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.
Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn, Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den _alférez_.
"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden heeft gezegd te vluchten," zeide de _alférez_ tot padre Salvi.
Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.
"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats komen!" schreeuwde hij.
"'t Is een rakker," merkte de _alférez_ op, met den pastoor sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben gekregen."
"Hoe heet je?" vroeg de _alférez_ aan Tarsilo.
"Tarsilo Alasigan."
"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne aanvielen?"
"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad."
"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?"
"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken, anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar."
De _alférez_ keek verbaasd naar den onderofficier.
"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten, daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van me te hooren krijgen."
Er was een oogenblik stilte.
"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de _alférez_, en zwaaide met een rotan.
Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.
De _alférez_ overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:
"Breng den man waar de lijken zijn!"
In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik spuwend.
"Ken je ze?" vroeg de _alférez_, terwijl hij de mat oplichtte.
Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken, en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.
"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd.
Tarsilo bleef stom.
Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.
"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de _alférez_ buiten zich zelve.
"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze je dood."
Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën knikten.
"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi.
"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden naar den ander kijkend.
De _alférez_ gaf hem een stomp en een trap.
"Maak hem aan de bank vast!"
Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij aan een houten bank vastgebonden.
De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op haar lippen beet.
"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen, dan naast haar, zooals de _alférez_."
De muze verbleekte.
"U gaat me doodranselen, meneer de _alférez_," ging hij voort, "vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen."
"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de _alférez_, bevend van woede.
't Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.
Op een teeken van den _alférez_ begon een _guardia_ gewapend met een rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.
Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster.
In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige, op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de _alférez_, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij losgemaakt moest worden.
Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't oor. Deze knikte ten teeken van instemming.
"Naar de put met hem!" zeide hij.
De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze 't met _timbaïn_, van 't werkwoord _timba_, water putten. We weten niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor vrij oud.
In 't midden van 't _patio_--de binnenplaats--van 't gemeentehuis verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut te trekken, maar om de moeilijkheden.
Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek, en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.
Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een zucht ontweek aan zijn borst.
"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben."
"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een _cuadrillero_.
Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet, alleen dat ze den man er langer in laten.
De _alférez_ verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten af te tellen.
Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij hield de oogen half dicht.
"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval als ik!"
De _alférez_ kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het toezicht op de nederlating.
"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige met den blik volgend. "Voorzichtig!"
De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield de zwengel op te zakken. De _alférez_ telde de sekonden.
"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.
Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch neer.
Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.
"Wil je nu spreken?" vroeg men hem.
"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar een _cuadrillero_.
De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De _alférez_ telde een minuut.
Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met bloed beloopen oogen open.
"Zul je nu spreken?" vroeg de _alférez_ op ontmoedigden toon.
Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water, en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld aan zijn oogen onttrok.
Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen.
"Hij heeft dorst!" zei ze lachend.
En 't werd weer rustig.
Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de _alférez_ zijn teeken gaf.
Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde niet meer.
Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De _alférez_ gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet en de sigaret ging uit.
"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een _cuadrillero_. "Kijk 's hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken."
De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij keek als een gek naar alle kanten.
De _alférez_ zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.
"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!"
"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?"
"Andong, [56] meneer!"
"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?"
"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals.
"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de _alférez_.
"Familie-naam?"
De man keek hem ontzet aan.
"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?"
"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!"
De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de _alférez_ stond stil op zijn wandeling.
"Beroep?"
"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder."
"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?"
"Niemand, meneer!"
"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie heeft je gelast? Zeg de waarheid!"
"De waarheid, meneer!"
"Wie?"
"Wie, meneer?"
"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?"
"Welk oproer, meneer?"
"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne was."
"O meneer!" riep Andong blozend.
"Nu, wie heeft daar de schuld van?"
"Mijn schoonmoeder, meneer!"
Een luid gelach begroette deze woorden.
De _alférez_ stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden, en ging aangemoedigd voort:
"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was, en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist bezig mijn broek op te halen..."
Een rotan slag sneed hem het woord af.
"Naar de gevangenis!" beval de _alférez_. "Vanmiddag naar de hoofdplaats!"
LVI.
De gevloekte.
Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord, daarna kwamen het geschrei en het gejammer.
De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis, en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De _alférez_ had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende vrouwen met de kolf van 't geweer. De _gobernadorcillo_, 't onnutte wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van 't eene uiteinde naar 't andere de vrouwen die nog krachten hadden; de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner dierbaren uitspraken.
De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.
"Ga maar heen," zeiden ze haar, "uw kind zal koorts oploopen."
"Waartoe zou 't leven als 't geen vader heeft om 't op te voeden?" antwoordde de diepbedroefde vrouw.
"Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!"
"Jawel, wanneer wij al dood zijn!"
_Capitana_ Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere _Capitana_ Maria keek naar 't kleine traliewerk, waar achter haar beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.
Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet: ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen, en sprak het publiek toe:
"Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem schieten, hem in 't blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen, alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om wraak! De _guardias civiles_ maken misbruik van hun gezag! Ik zweer dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij ik erin, of anders mogen ze 't mij doen!"
Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.
"Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld," zuchtte een vrouw.
De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. "Ñor" Juan wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en zijn meter niet bij zich: de man was in 't zwart want hij had de kwade tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.
Om twee uur 's middags hield een kar, door twee ossen getrokken, stil voor het gemeentehuis.
De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en vernielen.
"Dat moet je niet doen," zei Capitana Maria, "wou je dat ze te voet gingen?"
Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten, en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.
De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee _guardias_ moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio, de zoon van _Capitán_ Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag, hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van _Capitana_ Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee _guardias civiles_ in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.
"Die is de schuld van alles!" riepen er verscheidene stemmen. "Die is 't meest schuldig, en die loopt ongebonden!"
"Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!"
Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:
"Bind me, maar doe 't goed: elleboog tegen elleboog!" zeide hij.
"We hebben er geen order toe!"
"Bind me!"
De soldaten gehoorzaamden.
De _alférez_ vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog tien of vijftien soldaten volgden hem.
Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten, van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra had er niemand; zelfs "Ñor" Juan en de schoolmeester waren verdwenen.
"Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?" zei Doray tot hem. "Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!"
"Je bent een lafaard!" schreeuwde Andong's schoonmoeder hem toe. "Terwijl de anderen voor je aan 't vechten waren, hield jij je verscholen, lafaard!"