Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 3

Chapter 33,786 wordsPublic domain

"'t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de jongens na te loopen, die onder 't wegloopen hem toeriepen, 'ba, be, bi, bo, bu.' Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op 't hoofd, zoodat hij neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen verhieven zich al zijn verborgen vijanden. 't Regende van lasterlijke aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een 'alcalde', die zich op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd was op de _Correo de Ultrámar_ en op de kranten van Madrid, dat hij u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het feit dat hij een inlandsche 'Camisa' [soort lange kabaai [5]] droeg, terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als 't een ander man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in 't gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche bloed bruist, onmogelijk een 'filibustero' kon wezen. Tevergeefs stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van 'Chiflado' (niet recht wijs)."

De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:

"Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar deze weigerde zich met de zaak in te laten. 'Ik zou ze verliezen', zei hij mij. 'Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.

"'Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar, iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel wat kan uitwerken.' Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.

"Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en onbekend. 't Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes, die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.

"Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere, die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem, dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt; ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij betrekkingen onderhield met de struikroovers (_toelisan's_), om te maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte raakte de kwestie zoo in de war, dat na een jaar niemand er meer iets van begreep. De 'alcalde' moest er zijn baantje bij laten. Er kwam een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede trekpaarden.

"Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van 't gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien, pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg, waaraan alleen 't graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen, toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds genoeg om hem te zien sterven."

De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en hem de hand toestekende, zeide hij:

"M'n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is."

Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.

Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf een teeken aan den koetsier.

"Hôtel de Lala!" zeide hij nauw hoorbaar.

"Die komt zeker uit het cachot," dacht de koetsier, terwijl hij een zweepslag aan de paarden gaf.

V.

Een ster in den duisteren nacht.

Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in een leuningstoel neervallen, om door 't open raam te turen naar de wijde ruimte daar voor hem.

In 't huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen; als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden van 't levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.

Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal, een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!

De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure.

De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds, wellicht vermoeid van de reis.

Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil naar de liefelijke verschijning had gekeken--het jonge meisje, dat het middelpunt had uitgemaakt van 't feest aan den overkant--zonder aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan, naar de zee die nog lag te slapen.

VI.

Capitán Tiago.

Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte, licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars, van 't bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond, klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn bolte. Zijn kleine oogen--die echter niet schuin stonden--veranderden nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en "boejo" (sirih)--waarvan de "sepah", samengedrukt binnenin zijn wang, de regelmaat van zijn trekken verstoorde--dan zouden we zeggen, dat hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd had tegen twee "duro's" 't stuk.

Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van _Binondo_, en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in _Pampanga_ en in de _Laguna de Bay_ bezat, vooral in 't dorp _San Diego_ waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. _San Diego_ was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde "Gallera"--strijdperk voor hanen--en de herinneringen die hij ervan bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.

Capitán Tiago had veel eigen huizen in _Santo Cristo_, in de _Anloague_- en in de _Rosario_-straat. De opiumpacht was in zijn handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat ze er samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten der gevangenen van _Bilibid_, en voor "zacate"--een paardenvoeder uit verschillende grassoorten bestaande--aan veel voorname huizen van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar 't gold te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen en 't publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.

Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden God te zijn, als men 't goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood: hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken, arme luitjes die voor éen "peso" bereid zijn, om zestien "mysteriën" af te bidden en al de heilige boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in 't Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij 't meeste beloofde en tegenover wie hij 't meest zijn beloften nakwam, was de Heilige Maagd van _Antipolo_, onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen--'t is waar, dat hij ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve Vrouw van _Antipolo_ grooter macht en baat toe dan aan al de andere Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden gordijn, leidt naar een kapelletje of "oratorio", dat in geen enkel Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar, puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en Hermita stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt te treffen--zoo zou men zeggen--veeleer dan de gestaarte en gehoornde duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet te dicht bij die kris van den heilige Michaël.

Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest deelnam aan de bedevaart naar _Antipolo_: dan bekostigde hij twee dankmissen van de vele, die de "novenario's" vormden en de andere dagen vulden, waarop er geen novenario's waren. Daarna nam hij een bad in de beroemde _batis_ of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten, _sinigang_ van _dalag_ met bladeren van _alibambang_ [6] en andere min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets meer dan vierhonderd peso's, maar dat was nog goedkoop als men naging, hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in den verderen loop van 't jaar, dank zij die missen, zou maken.

Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in 't dorp San Diego zond hij aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg, maakte hij zijn winkansen op. 't Is algemeen bekend dat Capitán maar zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten, of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of 't kwam omdat er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten, of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam, enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om hem vaster in 't geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote vroomheid schreven hem ook grooten invloed toe aan 't hemelsche Hof.

Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn "modus vivendi", was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan 't alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van 't jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij, die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen- of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in 't kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.

Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien "rokken", evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de hoed in den gemeenteraad, in _Malakanjang_ en in de kazerne; de hooge hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies, in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok zweette Capitán Tiago door 't gezwaai met zijn stok met het kwastje, beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam, onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen, scheefgetrokken door zijn manier van loopen.--Op hem waren de beide zaligsprekingen--christelijk en profaan--van toepassing: "zalig zijn de armen van geest" en "zalig zijn de bezitters." De onvromen hielden hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende, en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och, de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige _nipah_-huisjes en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden, vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen: ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust: 't was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors meer geestdriftige loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen had kunnen verwerven.

Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte, evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten goede kwam aan het publiek.

Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan 't bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels, glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was, was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van 't vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den grond van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of, nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze ooit heilig verklaard werd--wat haar vereerders vast geloofden--dan was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden, mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.

Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld, maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van "de logica" zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz, dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker, koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van 't dorp.