Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 29

Chapter 294,014 wordsPublic domain

"Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?" vroeg Elias wederom, lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken.

"Ja", antwoordde Ibarra afgetrokken, "we hebben den naam, omdat die wat lang was, verkort."

"Was 't een Baskiër?" hervatte Elias en trad op hem toe.

"Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?" vroeg de ander verbaasd.

Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking van zijn gelaat zag.

"Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?" vroeg Elias met opeen geklemde tanden. "Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!"

Crisóstomo keek hem verplet aan doch Elias schudde hem aan den arm, en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide:

"Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien, u leeft... u leeft!"

En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens, maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen, en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan.

"Wat ging ik daar doen?" stamelde hij. En hij vluchtte weg uit het huis.

LIII.

De slag.

Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men 't leven van borden, lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had, en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar haar geheimzinnige woorden in 't oor zegt, en Padre Salvi rusteloos op en neer wandelt van 't eene eind van 't vertrek naar 't ander.

Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; 't is omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van 't oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: 't uur van 't avondeten voor Linares.

"Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft," fluistert Sinang, en wijst naar den pastoor. "Om acht uur moet _hij_ komen. Die daar is even verliefd als Linares."

Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder 't te merken, voort met haar schrikbarend gepraat:

"O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte wenken: hij wil geen licht branden in 't klooster! Zeg, weet je dat sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken, weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch 's wat 'n oogen hij opzet, en wat 'n gezicht hij zet!"

Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor huiverde, en zette zich in een hoek.

"Hij komt al!" zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. "Hoor je 't?"

De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.

Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op 't zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil, zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo's klonken aan den kant van 't klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen: "_Toelisan, toelisan!_" Andeng volgde zwaaiend met het braadspit, en liep op haar zoogzuster toe.

Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het "kyrie eleison." Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.

De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch gesloten. Men hoorde 't geluid van fluiten, een schot van tijd tot tijd.

"Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de vensters!" kreet tante Isabel.

"Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!" antwoordde Capitán Tiago. "Ora pro nobis!"

Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem van den _alférez_, die hard loopende schreeuwde:

"Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?"

"Miserere! De _alférez_ wil bediend worden!" riep tante Isabel.

"Is de _alférez_ gewond?" vroeg eindelijk Linares.

"O!"

En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn mond was.

"Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!" bleef de _alférez_ schreeuwen.

Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn schuilhoek, en ging de trap af.

"De _toelisan's_ hebben den _alférez_ vermoord! Maria, Sinang, naar je kamer. Goed de deur versperren!"

"Kyrie eleison!"

Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel, die zeide:

"Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!"

De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.

Maar Ibarra verliet het huis: 't was hem of alles om hem heen dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden, zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en duister volgden elkaar op in zijn netvlies.

Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.

Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op 't geweer, levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.

In 't gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai's en verwenschingen. De stem van den _alférez_ overstemde alles.

"In 't blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op straat, al was 't God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!"

Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten hem in ongerustheid.

"Zadel 't beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!" zeide hij hun.

Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën, nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend te hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast, waar hij ijzeren gereedschap had.

Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.

"Wie is daar?" vroeg Ibarra op somberen toon.

"Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de deur in!" antwoordde een bevelende stem in 't Spaansch.

Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de wapens liggen, en ging zelf opendoen, op 't oogenblik dat de bedienden kwamen toeloopen.

Drie _guardia's_ grepen hem dadelijk aan.

"In naam des konings, geef u gevangen!" zeide de onderofficier.

"Waarom?"

"Dat zult u daar wel gezegd worden. 't Is ons verboden het u te zeggen."

De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed en zeide:

"Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren zal wezen."

"Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten: de _alférez_ staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt..."

Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.

Wat was er intusschen van Elias geworden?

Toen hij Crisóstomo's huis verliet, liep hij als een bezetene zonder te weten waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan 't bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp, hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande, dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de eeuwenoude stammen, dringende in 't kreupelhout, keek hij naar het dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap, vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd riepen hem na: "Lafaard, lafaard!"

Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar hij aan 't strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden in 't water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken, waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht.

Elias viel op zijn knieën op het zand.

"Jij ook!" mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.

Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij vooruit en ging in 't water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur, het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht na, bespeurde dat hij zich in 't water bevond. Het meer was kalm, en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.

Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar 't dorp: Waartoe? Hij zelf wist het niet.

Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de dieren, de honden die 's nachts plachten te blaffen, hadden zich angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en eenzaamheid van 't oord.

Vreezende de _guardia civiles_ te zullen ontmoeten, nam hij zijn weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg, en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan 't andere einde van 't dorp, waar hij zich naar Crisóstomo's huis begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig de gevangenneming van hun heer te bespreken en te bejammeren.

Eenmaal op de hoogte van 't geen er voorgevallen was, verwijderde Elias zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars nog brandde die Ibarra er gelaten had.

Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes, die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen, ze 't venster uit te werpen en te begraven.

Hij wierp een blik op den tuin, en bij 't licht der maan zag hij twee _guardia civiles_, die met een helper kwamen: de bajonetten en de helmen glinsterden in de duisternis.

Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in 't vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van Maria Clara, weifelde even...dan stak hij 't in een van de zakjes, en 't een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.

't Was hoog tijd: de _guardia civiles_ waren al bezig de deur in te slaan...

"Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je meneer!" zeide de politieman die erbij was.

"Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven," zeide een oude man.

De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar een dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.

"Brand! Brand!" riepen allen.

Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar 't vuur had het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen ontploften. De _guardias civiles_ moesten terug: de vuurgloed versperde hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen, konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang van 't oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.

LIV.

Wat men zegt en wat men gelooft.

God liet het eindelijk morgen worden voor 't zwaarbezochte dorp.

De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje, dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen uitkijkt. "Klets!" klinkt het en de frissche menschelijke huid komt in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van 't kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.

Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord, want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos: 't is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte terwijl padre Dámaso aan 't preeken was. Kinderen en oude vrouwen zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde: de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te herinneren.

Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.

"Heerejee! 't Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk vuurwerk!" zegt zuster Roefa.

"Sinds de plundering van 't dorp door Balat heb ik nooit zoo'n nacht gezien!" antwoordt zuster Poetê.

"Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden Pablo is."

"_Toelisan's_? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is tegen de _civiles_. Daarom is Don Filipo gevangen genomen."

"_Sanctus Deus_! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen zijn."

Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden zich, wisselden groeten en maakten commentaren op 't gebeurde.

Bij 't licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige schimmen.

"Daar gaat weer een doode!" zeide een aan een venster.

"Een? Ik zie er twee."

"En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?" vroeg een man met een snaaksch gezicht.

"Zeker wel! De burgerwacht."

"Nee, meneer: een oproer in de kazerne!"

"Wat oproer? De pastoor tegen den _alférez_?"

"Niets daarvan, hoor," zei degeen die de vraag gedaan had. "De Chineezen zijn opgestaan."

En hij sloot zijn venster weer.

"De Chineezen!" herhaalden allen met de grootste verbazing.

"Daarom zie je er geen een!"

"Ze zullen allen dood zijn."

"Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in 't schild voerden. Gisteren..."

"Ik heb 't wel gezien. Gisterenavond..."

"Jammer!" zei zuster Roefa, "zoo allemaal dood te gaan voor Paschen, wanneer ze met hun geschenken komen."

"Hadden ze nog maar 't nieuwe jaar afgewacht..."

De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen, de varkens en de duiven die 't verkeer beproefden. Op deze dieren volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt, met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor 't huis, waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden, terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor het gemeentehuis.

Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had haar verdedigd, geholpen door de _guardia civil_.

Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.

De komst van twee _cuadrillero's_ of burgerwachten, die een menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een _guardia civil_, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat ze van 't "klooster" kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen, ried een vrouw wie 't wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij 't was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde 't mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds acht en dertig.

Om half acht, toen er nog meer _guardia civiles_ aankwamen, afkomstig uit de naburige dorpen, was de lezing van 't gebeurde reeds duidelijk en in bizonderheden uitgewerkt.

"Ik kom daar net van 't gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don Crisóstomo gevangen heb gezien," zeide een man tot zuster Poetê. "Ik heb met een van de _cuadrillero's_ gesproken, die daar de wacht hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en 't klooster aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht zijn. De _guardias civiles_ hebben Don Crisóstomo's huis in brand gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen, zouden ze hem mee verbrand hebben."

"Hebben ze zijn huis in brand gestoken?"

"Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk 's hoe je van hier de rook nog kunt zien!" zeide de verteller, op een venster toetredend. "De lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen."

Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of min beschuldigende commentaren.

"Arme jongen!" riep een oude man, Poetê's echtgenoot.

"Jawel!" antwoordde zij, "maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal 't zeker meer noodig hebben dan anderen."

"Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?..."

"Medelijden met iemand die in den ban is? 't Is een zonde medelijden te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog wel? Op 't kerkhof liep hij als in een veekraal!"

"Maar 't kerkhof lijkt immers op een veekraal," antwoordde de oude man, "alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan..."

"Komaan!" riep zuster Poetê hem toe, "nu ga je ook nog een verdedigen die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen nemen. Steun jij maar iets dat aan 't vallen is!"

De echtgenoot zweeg op dit argument.

"Best te begrijpen!" hervatte het oudje, "nadat hij Padre Dámaso afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden."

"Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was, toen hij klein was."

"Jawel, 't was een goeie jongen," gaf het besje terug, "maar hij is naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter terug, hebben de pastoors gezegd."

"Och och!" riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om haar schaakmat te zetten. "En de pastoor dan, en al de pastoors, en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet van Spanje? _Awa!_ Zouden dat soms ook ketters zijn? _Awa!_"

Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje, dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.

"Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!" zei ze hijgend.

"Hangt er iemand?" riepen ze allen vol ontzetting.

De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats verroeren.

"Ja, meneer..." ging de dienstmaagd bevend voort. "Ik ging juist erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij 't niet is, maar een ander... een doode; ik loop, ik loop en..."

"Laten we 's naar hem gaan kijken," zeide de oude man, en stond op. "Breng jij ons."

"Ga niet!" schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. "Je zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger voor hem!"

"Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar 't raadhuis, Juan, om kennis te geven. Misschien is hij nog niet dood."

En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.

"Daar is hij, meneer," zei 't dienstmeisje en stond stil, terwijl ze met den vinger naar iets wees.

De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man alleen verder gaan.

Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom, slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren bevlekt, het hoofd gebogen.

"We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is," zeide hij luide. "Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood."

De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.

"'t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken geleden gekomen is. Kijk maar 's naar dat litteeken op zijn gezicht."

"Ave Maria!" riepen eenige vrouwen.

"Zullen we voor zijn ziel bidden?" vroeg een jongmeisje, zoodra ze 't lijk voldoende had bekeken en opgenomen.

"Dwaas kind, kettersche meid!" berispte haar zuster Poetê. "Weet je niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? 't Is God verzoeken voor een verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven."

En ze voegde eraan toe:

"Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen: ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde."

"Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken," merkte een jongmeisje op.

"Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis te bestellen!"

De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een politie-agent, de commissaris en twee _cuadrillero's_. Dezen maakten het los en legden het op een draagbaar.