Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 28
"Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al 't overige is gewoon," zegt de Wisajer. "Zou je 'm nu kennen?"
"Nee, meneer!" antwoordde Lucas verbouwereerd.
"Schei dan uit, ezelskop!" En ze gaven hem een duw.
"Weet jij waarom Elias voor den _alférez_ lang en voor den pastoor kort is?" vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer.
"Nee."
"Omdat de _alférez_ in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond."
"Dat 's waar!" riep de Wisajer uit. "Je bent een slimmerd... Zeg, hoe ben jij zoo _guardia civil_ geworden?"
"Ik ben 't niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar," antwoordde de Tagaal met fierheid.
Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: _Quien vive?_ en brachten hem naar 't licht.
Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed.
"Waar ga je heen?"
"Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,.."
"O!" riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk liepen ze hard in de richting van de kerk, waar eenige minuten te voren Lucas verdwenen was.
LI.
Il buon di si conosce da mattina. [51]
Reeds vroeg verspreidde zich in 't dorp het gerucht dat er den vorigen nacht verscheidene lichtjes op 't kerkhof gezien waren.
Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er meer dan twintig had kunnen tellen.
Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap die "genade Gods" gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg ze hun namen. Om welke reden allen haar "incontinenti" heilig prezen.
Zuster Roefa had inderdaad niet zoo'n fijn gehoor, maar ze mocht niet dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen een deel van haar "aflaten", die ze keurig opgeteekend en opgespaard had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen, en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij te staan.
Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een _salakot_ op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij geweest, die konden getuigen.
"Wou jij soms meer weten dan de _celador_ van de broederschap en de zusters, vrijmetselaar, ketter?" zeiden ze tot hem en keken hem daarbij met booze oogen aan.
De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur, en de _peso's_ kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te winnen.
Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij 't bed niet verlaten, overmand door een zwakte die snel toenam.
Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de _guardia civil_ is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post blijven."
"Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt," antwoordde Don Filipo. "U weet immers dat de _gobernadorcillo_ den volgenden ochtend de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder de toestemming van mijn meerdere kan ik niets."
"U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de andere dorpen. Boven 't belachelijk gezag van zoo'n _gobernadorcillo_ staat het recht van 't volk. 't Was het begin van een goede les, en u heeft die verloren laten gaan."
"En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms dat hij gelooft in een kerkelijken ban?"
"U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien, en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben, want 't land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden."
"Gelooft u dat?" vroeg Don Filipo.
"En beseft u dat dan niet?" antwoordde de oude man, zich in bed half oprichtend. "Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft, u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd, van 't komen van nieuwe boeken en van 't naar Europa trekken van jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. 't Is waar dat de koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat, met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich oefenen in 't formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek, maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf, zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van 't 'wezen', zonder het vraagstuk opgelost te hebben van 'wezen en bestaan,' allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de jeugd! Vol geestdrift bij 't zien van ruimer horizonten, studeert ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde, talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof 't ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze voor minderwaardig tegenover de 'kategorieën' van Aristoteles en de wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van 't doordringen in 't onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van 't wetten geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij 't hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt, bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn tijd. Tevergeefs jammeren de _frailes_ van den preekstoel tegen den zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens, die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel."
De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.
"En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij verstikt worden," bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.
"De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg, den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem juist vooruit. 'En toch beweegt ze zich,' zeide Galilei, toen de Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog; 't zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten, hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters, richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw, begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben."
"Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?" vroeg Don Filipo verwonderd. "Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?"
"Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden," hervatte de filosoof, terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking herkreeg. "Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan: aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders, de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept, en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft, kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden of midden op den weg in 't donker achter te blijven. Nu goed, wij hier op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn, van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun 't opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,--de ziel van de negentiende eeuw--verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar zijn we beland?" vroeg hij van toon veranderend. "O ja, we spraken over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden, dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan 't wankelend feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en begraven worden in de bouwvallen?"
De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek, lachte hij en hervatte:
"Ik kan haast raden wat u denkt."
"Heusch?"
"U denkt dat ik me heel goed vergissen kan," zeide hij met droeven lach. "Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: _homo sum, humani nil a me alienum puto_, [52] zeide Terentius; maar als hij zich soms veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te onteeren, dan om aan 't heil van hun land te denken. Onze vrouwen vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... _Claudite jam rivos, pueri._" [53]
"Wilt u de een of andere medicijn?" vroeg Don Filipo, om een andere wending aan 't gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den zieke versomberd was.
"Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in 't duister!"
Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig en in gepeins verzonken het huis van den zieke.
LII.
Quidquid latet apparebit, Nil inultum remanebit. [54]
De klok kondigt het avondgebed aan. Bij 't hooren van 't vroom geluid staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd; de landman die van 't veld komt, houdt op met zijn zang, laat de gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt op met het aaien van zijn haan, en bidt het _angelus_, opdat het lot hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder geluid dat niet dat van 't _avemaria_ is, verdwijnt, verstomt.
Niettemin gaat de pastoor, met een hoed op, haastig de straat over, en wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij gaat naar 't huis van den _alférez_. De vrome vrouwen achten 't oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om 's pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag heeft hij geen plezier in 't leggen van zijn beenige hand op den christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden (zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen belangen en die der kerk te doen vergeten!
Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur van den _alférez_, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn wederhelft, die zuurzoet glimlacht.
"O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok..."
"Ik heb iets van hoog belang..."
"Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet erop, als hij terugkomt!"
"Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!" zeide de pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend.
"Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem naar de andere wereld!"
Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar den voet van den _alférez_.
"Van wien spreekt u?" vroeg hij bevend.
"Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt voor een duel op de revolver op honderd pas?"
"O!" riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe: "Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken."
"Valt u me toch niet lastig met zaken, 't zal wel weer net zoo wezen als met die jongens!"
Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig geweest was, zou de _alférez_ kunnen zien, hoe bleek de pastoor eruit zag.
"'t Geldt vandaag in allen ernst 't leven van ons allemaal!" hervatte deze halfluid.
"In allen ernst!" herhaalde de _alférez_ verbleekend. "Schiet dat jongemensch goed?..."
"Ik spreek niet over hem."
"Wat dan?"
De _fraile_ wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met een trap sloot. De _alférez_ vond de handen overbodig, en zou er niets bij verloren hebben, als hij niet meer tot de "tweehandigen" behoord had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten.
"Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!" kreet zijn eega.
"Draai nu maar af!" zeide hij bedaard tot den pastoor.
Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige neusgeluid van den prediker:
"Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?"
"Ja, ik mag verrekken, als ik niet dacht dat u diarree had!"
"Nu goed", zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid van den _alférez_, "wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om ernstige redenen."
"En wat verder?" vroeg de ander, en stampte op den grond.
"Bedaar!"
"Nu dan, waartoe dan al die haast?"
De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig:
"Weet u niets nieuws?"
De _alférez_ trok de schouders op.
"U bekent dat u volstrekt niets weet."
"Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster verborgen is?" vroeg hij.
"Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes," antwoordde de pastoor uit zijn humeur. "Ik spreek over een groot gevaar."
"Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!"
"Nou!" zeide de _fraile_ langzaam en met zekere minachting, "u zult weer 's een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor..."
En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen:
"Ik heb een groote samenzwering ontdekt!"
De _alférez_ sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor.
"Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die vanavond moet uitbarsten."
"Vanavond!" riep de _alférez_ en vloog op den pastoor af.
En naar zijn revolver en zijn sabel die aan de wand hingen, toeloopend, riep hij:
"Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?"
"Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot acht uur!"
"Ik fusilleer ze allemaal!"
"Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag ('t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne, dan gaan ze 't klooster plunderen, nemen het politievaartuig en vermoorden al de Spanjaarden."
De _alférez_ stond verbouwereerd.
"De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd," zeide de pastoor.
"Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!"
"Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God van barmhartigheid."
"God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!"
"U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden: wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij vier _guardia's_ voor 't 'klooster,' en waarschuw de menschen van de politieprauw."
"Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!"
"Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op touw gezet hebben. 't Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik als priester mag me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden: hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag ik dat u laat uitkomen, dat _ik_ u gewaarschuwd heb."
"Dat doe ik vast, _padre_, en misschien wordt u bisschop!" antwoordde de _alférez_ met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen van zijn uniformjas keek.
"Dus u stuurt me vier verkleede _guardia's,_ nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het luitenantssterretjes en ridderorden!"
Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over die naar Crisóstomo's huis voerde, en besteeg haastig de trap.
"Is meneer thuis?" vroeg de stem van Elias aan den huisknecht.
"Meneer is aan 't werk in zijn studeerkamer."
Om zijn ongeduld af te leiden bij 't wachten op 't oogenblik dat hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn laboratorium aan 't werk gegaan.
"Wel, bent u dat, Elias?" riep hij uit. "Ik dacht net aan u. Gisteren had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens huis uw grootvader woonde."
"'t Is nu niet over mij, meneer, dat..."
"Kijk 's," ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren, terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: "Ik heb een groote ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar."
"'t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel, dat u binnen een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht."
Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond.
"Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een uur op een veiliger plaats is."
"En waarom?" vroeg hij ten slotte.
"Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid..."
"En waarom?"
"Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat: 't onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden..."
"Maar waarom dan toch?"
"Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan men u de schuld wil geven, om u in 't ongeluk te storten."
"Een samenzwering?... En wie zet die op touw?"
"'t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen."
"En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?"
"Jawel, en hij eischte van me dat ik 't geheim zou bewaren, hij zei me dat u het was."
"Groote God!" riep Ibarra verplet.
"Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen, want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!"
Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en de handen aan 't hoofd scheen hem niet te hooren.
"De slag is niet meer af te wenden," ging Elias voort. "Ik ben te laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u zelf voor uw land!"
"Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!" riep Ibarra aan Maria Clara denkend.
"Naar 't een of ander dorp, naar Manila, naar 't huis van de een of andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen dat u de beweging geleid heeft!"
"En als ik zelf eens de samenzwering aan 't licht bracht?"
"U zelf!" riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. "U zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk te schijnen, men zou zeggen..."
"Maar wat dan te doen?"
"Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen afwachten."
"En Maria Clara?" riep de jongeman. "Nee, liever sterven!"
Elias wrong zich de handen en zeide:
"Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat men u aanklaagt!"
Ibarra keek verbijsterd om zich heen.
"Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien compromitteeren. Lees de onderteekeningen."
En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes, haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem:
"Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?"
"Wel, dat geloof ik!" antwoordde Ibarra een lade opentrekkende, en er een pak papieren uitnemende. "'t Was mijn overgrootvader!"