Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 27

Chapter 274,138 wordsPublic domain

"De jonge man vluchtte als een gevloekte," ging Elias voort. "Hij vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van 't dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer, en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren voor den dag, en alles komt uit. De vader van 't meisje was rijk, en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een _presidio_ of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en een meisje ter wereld, die in 't geheim werden gezoogd. Men liet ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze grootvader rijk was, hadden we 't als kinderen zeer goed. Mijn zuster en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel jong was, ging ik op 't Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging, om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was--want we wilden niets anders zijn dan landbouwers--gingen we naar 't dorp terug, om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op 't punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad, en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter, dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante, en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn eerloozen afkomst in 't gezicht.

"Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te schreien en te kermen onder 't gelach en den spot van de andere bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit is 't dat hij dien ouden knecht voor 't gerecht liet dagen en hem de waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin, mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden man. Van zijn lippen vernam ik 't heele droeve verleden.

"Mijn zuster en ik bleven alleen.

"Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen, zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien tijd, na een aanwas van 't meer, op 't strand van Kalamba tusschen het riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide, een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou hebben; soms is 't laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen, en ga mijn gang.

"Daar heeft u in 't kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van een geval van menschenrecht."

Elias zweeg, en ging voort met roeien.

"Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft," zei Crisóstomo zacht, "wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen maar... 't is onmogelijk, 't is een utopie; want waar moet al het geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?"

"En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en menschenliefde verkondigen? Zou 't verdienstelijker wezen het hoofd van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven, dan in 't verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te blazen die God ieder mensch heeft gegeven om 't goede te zoeken? Zou 't menschelijker wezen, een veroordeelde naar 't schavot te geleiden dan hem te leiden langs 't moeilijke pad dat van de ondeugd naar de deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en _guardias civiles_ betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien."

"Vriend, noch u noch ik zullen 't gedaan krijgen, al willen we 't ook."

"Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van 't volk op, vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een vaderland is!"

"Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten."

"Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!"

"Als ik 't vroeg, zouden ze me uitlachen."

"En als 't volk u steunt?"

"Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van 't bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek 't te bereiken door 't onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder licht is er geen weg te vinden."

"Zonder strijd is er ook geen vrijheid!" antwoordde Elias.

"Maar zoo'n vrijheid wil ik niet!"

"Maar zonder vrijheid is er geen licht," hervatte de loods levendig.

"U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof 't. U ziet de worsteling niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem: wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis niet geschreven!"

Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:

"Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd, maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt, hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak."

Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de _bangka_, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias was de eerste die de stilte verbrak.

"Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?" vroeg hij, van toon veranderend.

"Ik heb 't u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur, maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen mee schuld."

Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra, zeggende:

"Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook mag aantreffen."

En dit gezegd hebbende, bracht hij de _bangka_ weer van den oever, roeiend naar een boschje aan 't strand. Gedurende de lange overtocht bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de donker-blauwe golven.

Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het boschje en trad op hem toe.

"Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?" vroeg hij.

"Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal nakomen," antwoordde hij droevig.

"Wanneer zal je je dan bij ons voegen?"

"Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is."

"Dat 's goed, vaarwel!"

"Als ik niet voor dien tijd dood ben," mompelde Elias.

XLIX.

Veranderingen.

De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke taal overgebracht, zoo luidde:

"Geachte Neef,

Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de _alférez_ u reeds gedood heeft of gij hem.

Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten,

Uw hartelijk liefhebbende nicht:

Victorina de los Reyes de Espadaña.

Sampalok, Maandag 7 uur 's avonds."

Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña Victorina, en wist waartoe ze in staat was.

Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en fatsoen te spreken tot een _carabinero_ van de belasting, wanneer die 't in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders op dan de uitdaging te doen.

Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal naar de maan laat loopen? Als ik 's zijn vrouw tegenkom? Wie zal getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!

In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans, en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.

"Zoo, meneer Linares, zoo alleen?" groette hij en richtte zich naar de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano naar buiten kwamen.

Linares wilde glimlachen.

"En Don Santiago?" liet de pastoor volgen.

Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.

"Wel, wel!" zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door Linares en Capitán Tiago. "Ik heb goed nieuws aan u allen te vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago, 't beletsel is vervallen."

Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat, richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de oogen neer.

"Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek," ging de pastoor voort, "eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen, dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet..."

De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde, maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.

"Padre Dámaso?" vroeg Linares.

"Ja, padre Dámaso heeft gezegd," hervatte de pastoor zonder zijn blik van Maria Clara af te wenden, "dat hij als Maria's peetvader niet kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt."

Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van Victoria, het vertrek uit.

"En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?" vroeg Capitán Tiago zacht.

"Dan...moet Maria Clara 't zelf weten ...Padre Dámaso is haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze 't bij zullen leggen."

Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk--deze wist niet of hij lachen of schreien moest--en Linares met een diepe buiging met het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand, dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.

"Verwonder u niet," zeide Fray Salvi, "ik was net bezig u te prijzen."

Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.

"Waar ben je den heelen dag geweest?" vroeg deze met haar jongmeisjes praatlust. "We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets."

"En mag ik weten wat dat was?"

"Nee, dat 's een geheim, maar ik zal 't wel onder vier oogen zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om 't te zien, wie er goed heeft kunnen raden."

"Nee, dat 's ook een geheim, maar ik zal 't je wel onder vier oogen zeggen, als de heeren me veroorloven."

"Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!" zei padre Salvi.

Sinang nam Crisóstomo mee naar 't eene uiteinde van de zaal: zij was in de wolken dat ze een geheim zou hooren.

"Zeg me nu 's, vriendinnetje," vroeg Ibarra, "is Maria boos op me?"

"Ik weet 't niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet, en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms 't hof zijn gaan maken aan 't een of ander meisje?, antwoordde zij me: 'God gave 't!' en barstte in schreien uit."

Ibarra keek ernstig.

"Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken."

"Alleen?" vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.

"Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen."

"Dat 's lastig. Maar wees maar gerust: ik zal 't haar zeggen."

"En wanneer zal ik 't antwoord weten?"

"Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is 't mijn beurt. Maar hoe is 't nu met het geheim? Ga je heen zonder me 't voornaamste gezegd te hebben?"

"Dat 's waar ook! Ik ben in 't dorp _de los baños_ [48] geweest. Ik ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op te richten met je vader als deelgenoot."

"Niets anders dan dat? Nu, dat's ook een geheim!" riep Sinang luid, op den toon van een opgelichte woekeraar. "Ik dacht..."

"Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je 't vertelt!"

"Alsof ik daar lust in had!" antwoordde Sinang, en trok haar neusje op. "Als 't nog 's wat belangrijkers was, zou ik 't aan mijn vriendinnen zeggen. Maar 't koopen van klappers! Wie stelt nu belang in klappers?"

En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.

Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt onverschillig waren.

L.

De kaart der dooden en de schimmen.

De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op het smalle pad dat naar 't kerkhof voert.

Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort.

"Heb je Elias gesproken?" vroeg een stem.

"Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem 't leven gered."

"Daarom ook heb ik 't aangenomen," zeide de eerste stem. "Don Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in huis in Manila. Ik heb me belast met het 'klooster,' om mijn rekening met den pastoor te vereffenen."

"En wij met de kazerne, om aan de _civiles_ te zeggen dat onze vader zoons had."

"Met hoevelen zullen jullie zijn?"

"Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo zegt dat we met ons twintigen zullen wezen."

"En als 't jullie tegenloopt?"

"St!" zei er een, en allen zwegen.

Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen, die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil alsof hij 't hoofd achterwaarts keerde.

En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de aarde hem verzwolg.

"Ik wordt achtervolgd!" mompelde de ander, "zou 't de _guardia civil_ wezen? Zou de hoofdkoster liegen?"

"Ze zeggen dat de samenkomst hier is," zeide de tweede schim zacht. "'t Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me verborgen houden."

De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie eersten traden vooruit.

"Zijn jullie 't?"

"Ben jij 't?"

"We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd!

"Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal 't wezen. De kreet is 'Leve Don Crisóstomo!' Ga nu heen!"

De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte.

"Laten we 's zien wie me daar volgde!" mompelde hij.

De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als om rond te kijken.

"Ik ben te laat gekomen!" zeide hij halfluid, "maar misschien komen ze terug."

En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de gedachte onder de poort te gaan schuilen.

Natuurlijk ontmoette hij den ander.

"O! Wie bent u?" vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem.

"En wie bent u?" antwoordde de ander bedaard.

Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank der stem en elkaars trekken te onderscheiden.

"Wat wacht u hier?" vroeg de mannelijke stem.

"Op 't slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil van avond een som winnen," antwoordde de ander op heel natuurlijken toon. "En u, waarvoor komt u?"

"Voor... 't zelfde."

"_Awá!_ [49] dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten bij me. Bij de eerste klokslag zet ik _albur_, bij de tweede _gallo_; die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?"

"Nee!"

"Wat dan?"

"Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun 'de bank' houdt, hoop ik dat zij die voor mij zullen houden."

"En als de dooden geen bank willen houden?"

"Wat is eraan te doen? 't Spelen is nog niet verplicht gesteld onder de dooden..."

Er was een oogenblik stilte.

"Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?"

"Met mijn vuisten," antwoordde de grootste van de twee.

"Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten, als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden..."

"Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan."

"Ik ook niet, ik heb geld noodig," antwoordde de kleinste.

"Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest moet heengaan."

"Goed..." antwoordde de ander met eenigen tegenzin.

"Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?" Ze traden binnen, en zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn _salakot_ een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan.

Bij 't licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op zijn wang.

"Coupeeren!" zeide deze, hem steeds gadeslaande.

Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een nieuwe lucifer aan.

"Op de vrouw!" zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er een wervelbeen op.

"Goed!" zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit.

"U heeft 't verloren," voegde hij erbij. "Laat me nu alleen, om mijn kansje te wagen."

Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis.

Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op, zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd, en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben.

De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen aangestoken, om te laten zien dat het donker was.

Twee _guardias civiles_ stapten in de straat op en neer, dicht bij de kerk.

"'t Is koud!" zei de een in 't Tagaalsch, met een Wisajasche tongval. [50] "We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het kippenhok van den _alférez_ te repareeren... Met den dood van dien eene hebben ze een lesje gekregen: dat 's vervelend."

"Dat vind ik ook," antwoordde de ander. "Niemand steelt of maakt straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in 't dorp is. De _alférez_ zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen ransel krijgt."

"Zoo? Ken je z'n signalement uit je hoofd?" vroeg de Wisajer.

"Of ik! Lange gestalte volgens den _alférez_, middelmatig volgens Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, baard geen, haar zwart..."

"Zoo! En bijzondere kenteekenen?"

"Zwart hemd, zwarte broek, houthakker..."

"O, die zal niet ontsnappen: 't is net of ik hem zie."

"Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op."

De twee soldaten zetten hun ronde voort.

Bij 't licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig de een achter den ander gaan. Een krachtig "_Quien vive?_" (Wie daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem: "_España_!"

De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te herkennen. 't Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar aan, als om elkaar te raadplegen.

"De _alférez_ heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!" zegt de Wisajer zacht. "Waar ga je heen?"

"Om een mis voor morgen te bestellen."

"Heb je Elias niet gezien?"

"Ik ken hem niet, meneer!" antwoordt Lucas.

"Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen 'm ook niet. Ik vraag je of 'm gezien hebt."

"Nee, meneer."