Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 26
"'t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang is die aan te grijpen. De _guardia civil_heeft alleen maar dit eene doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel, dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen, die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is--want volk en bestuur vormen geen eenheid--moet het bestuur toegevend zijn, niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het lid van die maatschappij dat door 't bestuur verwaarloosd en in den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in 't gezonde gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken, en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?"
"De _guardia civil_ verzwakken zou 't zelfde wezen als de veiligheid in de dorpen in gevaar te brengen."
"De veiligheid in de dorpen!" riep Elias op bitteren toon. "'t Zal gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun _guardia civil_ hebben. En zie nu 's: we hebben nòg _toelisan's_, nòg hooren we van plunderingen van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort, en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt u maar 's aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling voor iets goeds houdt, een bescherming van 't bestuur, en niet voor een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van 't wettig gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot, ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd."
"Wat werkt die instelling uit in 't leven op onze dorpen? Ze verlamt het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op 't wezen van de zaken zelf, 't eerste kenteeken van onmacht. Omdat iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld worden. 't Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man is. De chefs houden 't voor hun eerste plicht zich te laten groeten, goedschiks of kwaadschiks, zelfs in 't duister van den nacht, waarin ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De onschendbaarheid van 't eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet: wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien hoe 't volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och, meneer, als u dat de orde handhaven noemt!..."
"Ik erken dat er misbruiken zijn," hervatte Ibarra, "maar laten we die aanvaarden voor al 't goede dat er ook is. Deze instelling mag gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze inboezemt het toenemen van misdadigers."
"Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers vermeerdert," verbeterde Elias. "Voor de instelling van dat lichaam waren bijna alle misdadigers--met zeer weinig uitzonderingen--boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden--de _cuadrillero's_--met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen die over 't land geschreven hebben, de stumpers, die als recht hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning uitgelachen te worden. Nu zijn er _toelisan's_, en die blijven 't hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te sterven. Het schrikbewind van de _guardia civil_ sluit hun de deur voor berouw. En aangezien een _toelisan_ in de bergen beter vecht en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat 't wijs beleid van gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf, die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten op vergiffenis. Zoo'n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is, wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo'n wanhopige, die vecht voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?"
"U brengt me aan 't wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let op een feit--u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op 't punt staan om 't te worden!"
"Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze 't? Omdat men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer, als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar 's naar de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen die de _guardia civil_ herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn, dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten, dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?"
"Er is hier een misvatting, die me op 't oogenblik ontgaat, de een of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan wordt, want in Spanje, in 't vaderland, bewijst dat korps goede diensten--heeft dat vroeger ook gedaan."
"Ik twijfel er niet aan: misschien is 't daar beter ingericht, het personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft, de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden geheel uit 't oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En zegt u me 's, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op moesten lijken dan de Filippijnen? Zou 't daarom wezen dat ze minder diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?"
Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en antwoordde:
"Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om den noodigen indruk te maken."
"Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met het land. Maar, ten bestwil van 't bestuur, moeten we 't volk niet doen gelooven dat het weerstand biedt aan 't gezag. En al was 't zoo, als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien, aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding, zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan, moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven."
Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden, en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige stilte: de _bangka_, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op 't water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever.
"En wat vragen ze meer?" vroeg Ibarra.
"Hervorming van 't priesterschap," antwoordde Elias op ontmoedigden, droeven toon. "De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen..."
"Tegen de geestelijke orden?"
"Tegen hun onderdrukkers, meneer."
"Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun 't geloof te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis van zijn land niet kent!"
Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.
"Meneer," hervatte hij op ernstigen toon, "u beschuldigde het volk van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten, ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we hadden. Ik geloof het en ben 't eens, maar hij is te duur gekocht, want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen voor 't aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen de _encomendero's_, [47] zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen juist onder de macht van die _encomendero's_ zijn gevallen. Maar nee, ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde, zoowel in 't godsdienstige als in 't politieke, in 't burgerlijke en in 't militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land vraagt geen afschaffing, 't vraagt alleen hervormingen die de nieuwe omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen."
"Ik heb mijn vaderland lief, zooals u 't ook lief kan hebben, Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie ik de noodzakelijkheid van hervormingen in."
"Is 't mogelijk, meneer?" vroeg Elias, de handen ontmoedigd uitstrekkend. "Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in, u wiens familie-rampen?..."
"O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het de veiligheid in de Filippijnen, waar 't de belangen van Spanje geldt!" viel Ibarra levendig in.
"Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de _frailes_ voortgaan zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor ons land."
Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond droef, zijn oogen hadden hun glans verloren.
"De zendelingen hebben 't land veroverd, dat is waar," hervatte hij. "Gelooft u dat de Filippijnen door de _frailes_ behouden zullen worden?"
"Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen geschreven heeft."
"O!" riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de _bangka_ neersmeet. "Ik dacht niet dat u zoo'n min idee had van 't bestuur en van 't land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt, omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt, als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?"
"Nee," hervatte Ibarra, "we zijn aan 't redetwisten, we moeten weten wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid."
"Verschoon me, meneer," antwoordde Elias 't hoofd schuddend, "ik ben niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig, en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die 't tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig--al zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden--geven hun toon, hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u, die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven, u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer _u_ nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen, en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u brengen moet."
"Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van 't volk opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa, ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de menschen aan 't licht hebben kunnen brengen: wat in 't duister blijft, wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet alleen omdat mijn vader 't me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik heb 't bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!"
"En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!" mompelde Elias.
"Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden..."
"Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik 't u doen, want, daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel bij vrij veel menschen bekend."
"Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op theorieën afga."
Elias zweeg eenige oogenblikken.
"In dat geval, meneer," hervatte hij, "zal ik u in 't kort mijn geschiedenis vertellen."
XLVIII.
De familie van Elias.
"'t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan 't heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld om in 't openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid te worden.
"Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. 't Volk noemde ze 'paard en koe,' en ze was duizendmaal erger dan de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat, ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige--al voor altijd onteerd--had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van 't paard afhalen, want hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur, om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de prostitutie overgeven!"
Ibarra stond op van zijn bank.
"O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar, evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam, gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle hulp en zorg te zien. Het lijk verging in 't gezicht van den zoon, die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het gerecht erachter komen.
"Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen kennis had gegeven van 't overlijden. Men legde haar den dood van haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden: leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.
"Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze--ook al een ongeluk--een flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend, werd _toelisan_, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. 't Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van _Balat_ verbreidde zich van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste, die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde, ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen: 'veroordeelde, hoer, gegeeselde.' Hij was alleen bekend als de zoon van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de beruchte _Balat_ op 'n dag in handen van 't gerecht, dat hem streng rekenschap vroeg van zijn misdaden--het had niets gedaan om hem 't goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht, die naar 't bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken te zien waren. De jonge man kwam op 't idee zijn oogen op te slaan, en den blik van 't lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een man hangen, en aan dien man 't bloedige hoofd van zijn broer!"
"Groote God!" riep Ibarra.
"Dat kon mijn vader roepen!" ging Elias koeltjes voort. "De menschen hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige _lomboy_-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan, maar 't hoofd als 't beste van 't individu, als wat men het makkelijkst herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!"
Ibarra boog het hoofd.