Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 25
"Ik wil wedden bij 't volgende gevecht. Wat kan 't me schelen? Zoo wreken we onzen vader."
"Wacht!" zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren bleek. "Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader wreken."
Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer 't zweet van 't voorhoofd.
"Waarom blijf je staan?" vroeg Bruno ongeduldig.
"Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?..."
"Dat 's ook wat moois! Heb je 't niet gehoord? De _boelik_ van Capitán Basilio tegen de _lasak_ van Capitán Tiago. Volgens de regels van 't spel moet de _lasak_ het winnen."
"O de _lasak_! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons eerst verzekeren."
Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog, deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig, en keek hem vertoornd aan.
"Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor, heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen 's, spreid die vleugels 's uit! En deze gespleten schub boven deze breede, en deze dubbele?"
Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door.
"Laten we nu naar den _boelik_ gaan kijken," zeide hij met gesmoorde stem.
Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder.
Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te wapenen, men zocht _navaja's_ uit, de _atador_ of mesjes-vastmaker maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem verscheidene malen.
Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: 't was alsof hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek met de hand over 't voorhoofd.
"Ben je genegen?" vroeg hij zijn broeder met doffe stem.
"Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!"
"'t Is dat...onze arme zuster..."
"Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan 't hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat voor gevaar loopen we dan?"
"En als we dood gaan?"
"Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld."
"Je hebt gelijk!"
Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen.
Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil.
"Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!" riep hij.
"Ga jij weg, als je wil, ik neem 't aan!"
"Bruno!"
Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen:
"Wed u mee? Ik ben voor de _boelik_." De twee broeders antwoordden niet.
"Ik heb gewonnen!"
"Hoeveel?" vroeg Bruno.
De man begon zijn muntstukken van vier _peso's_ te tellen. Bruno keek hem ademloos aan.
"Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!"
"Nee!" zeide Bruno beslist. "Zet..."
"Goed: vijftig tegen dertig!"
"Verdubbel als u wilt!"
"Goed! De _boelik_ is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd tegen zestig."
"Top! Wacht, ik zal even geld halen."
"Maar ik zal 't geld in bewaring nemen," zeide de ander, die niet veel vertrouwen had in Bruno's uiterlijk.
"'t Is me om 't even!" antwoordde deze, die wel vertrouwen had in zijn eigen knuisten.
En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem:
"Als jij blijft, ik ga heen."
Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van 't spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: "Goed, 't zij zoo!"
Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte.
"Oom!" zei Tarsilo.
"Wat is er?"
"Hoeveel geeft u?" vroegen ze allebei.
"Ik heb 't al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken voor 't overvallen van de kazerne, geef ik je dertig _peso's_, aan elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt, krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk 't dubbele: Don Crisóstomo is rijk."
"Aangenomen!" riep Bruno. "Geef op 't geld!"
"Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!" zeide Lucas, en wees naar de _guardias civiles_.
En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld uittelde:
"Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn laatste beschikkingen zeggen.
"Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken."
Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust.
XLV.
De twee dames.
Terwijl Capitán Tiago zijn _lasak_ liet vechten, maakte Doña Victorina een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot, liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de stomme verbazing der bewoners.
Neef Linares was thuis gebleven.
"Wat hebben die inlanders leelijke huizen!" begon Doña Victorina, terwijl ze een vies gezicht zette, "ik begrijp niet hoe ze erin leven kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants van de _guardia civil_ doen, leer hun manieren."
"En als ze mij terugslaan?" vroeg dokter Espadaña.
"Daar ben je een man voor!"
"Maar...maar ik ben mank!"
Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder 't voorbijgaan de oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed bewonderden. Sinang's koetsier, die haar en haar nichtje in een smaakvolle "tres-por-ciento" [45] rondreed, had de onhebbelijkheid, hun "_tabik_" toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem, dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. "Hoor toch 's dien lomperd van een koetsier! Ik zal z'n baas 's zeggen, dat hij zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.
"Laten we naar huis gaan!" beval ze aan haar man. Deze, die voor een onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.
Ze kwamen den _alférez_ tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde nog Doña Victorina's ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.
"Jij moest zoo'n gewonen _alférez_ geen hand geven," zeide ze tot haar echtgenoot, toen de ander weg was. "Hij kwam nauwelijks even aan zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je afstand niet te bewaren!"
"Hij is hier de ...baas!"
"En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?"
"Je hebt gelijk!" antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.
Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat aan 't raam, als naar gewoonte, gekleed in 't flanel en haar stinkstok rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der _guardia civil_ nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip naar voren brengend spoog ze, en keerde 't hoofd naar den anderen kant. Dit was te veel voor Doña Victorina's geduld, en, haar man zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de _alféreza_, bevend en sprakeloos.
Doña Consolación wendde langzaam 't hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.
"Wat scheelt u, dame?" vroeg ze.
"Kunt u me ook zeggen, _mevrouw_, waarom u me zoo aankijkt? Bent u jaloersch?" brengt Doña Victorina er eindelijk uit.
"Ik jaloersch, ik? En op u?" zei de Medusa met een hoonlach. "Ja, ik ben jaloersch op de krullen!"
"Kom hier, vrouw!" zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!"
"Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!" antwoordde de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:
"Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen _alféreces_, die wachten daar aan de deur."
"Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De _alféreces_ zullen er niet binnenkomen, maar wel de _invaliden_, zooals die daar. Ha, ha, ha!"
Als het blanketsel 't niet belet had, dan had men Doña Victorina kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.
"Zeg 's, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?"
"Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u meebrengt? Och kom! M'n man heeft 't me al gezegd! Mevrouw, ik heb ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met het uitschot, de afval van de heele wereld!"
Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:
"Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!"
De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.
Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden handgemeen geworden zijn, als de _alférez_ niet gekomen was.
"Dames!... Don Tiburcio!" riep deze.
"U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als u geen geld heeft, moet u de lui van 't dorp maar berooven: daarvoor heeft u soldaten!" schreeuwde Doña Victorina.
"Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!"
"Meneer de _alférez_!" stamelde de echtgenoot.
"Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!"
Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging en scheldwoorden. Al 't vuil dat ze in hun mars droegen werd voor den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk, en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.
"Heeren, dames! Wat 'n schandaal! Meneer de _alférez_!"
"Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!"
"Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als 't u belieft!"
"Zegt u dat aan die bloedzuigers!"
Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...
"Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den gouverneur!" zeide Doña Victorina woedend tot haar man. "Jij bent geen man: 't is jammer voor de broek die je draagt!"
"Ma ... maar, vrouw, en de _guardias_ dan? Ik ben immers mank!"
"Je moet hem op 't pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of anders..."
En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.
"M'n lieve mensch, ik heb nooit een pistool..."
Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij, half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.
Linares was op dat oogenblik aan 't praten met Maria Clara, Sinang en Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.
"Neef," zeide Doña Victorina, "jij moet nu dadelijk den _alférez_ gaan uitdagen, of anders..."
"En waarom?" vroeg Linares verbaasd.
"Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen wie je bent."
"Maar Doña Victorina!"
De drie vriendinnen keken elkaar aan.
"Zoo, denk je dat? De _alférez_ heeft ons beleedigd, en heeft er van alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft zich laten uitschelden... een man!"
"Och!" zei Sinang, "ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet gezien!"
"De _alférez_ heeft de dokter z'n tanden uitgeslagen!" voegde Victorina erbij.
"Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je hem verteld hebt, dan zeg ik hem..."
"Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!" viel Linares haar bleek in de rede, terwijl hij op haar toetrad, "bedaart u toch. Doet u me niet herinneren, dat..." en hij zeide er zachtjes bij: "niet onvoorzichtig zijn, vooral nu niet."
Toen dit juist plaats had, kwam _Capitán_ Tiago van de hanegevechten thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn _lasak_ verloren, zijn wit-en-roode haan.
Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.
In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.
"Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet."
"Dus je trouwt met dien meneer?" vroeg Sinang, wier vroolijke oogen zich met tranen vulden. "Ik wist dat je verstandig was, maar niet veranderlijk."
Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg een kleur, _Capitán_ Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:
"Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen."
Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen:
"Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen."
Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.
Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen, boden _Capitán_ Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan, en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in 't rijtuig van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven: die rol was hem althans toebedeeld.
XLVI.
Het Raadsel.
De donkere zwaluwen zullen wederkeeren.....
Becquer. [46]
Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn eerste bezoek gold de familie van _Capitán_ Tiago, met het doel om Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat "Su Ilustrisima" de aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over: zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen van Linares met haar nichtje aan. _Capitán_ Tiago was niet thuis.
"Kom binnen," zeide de tante in haar krom Spaansch.
"Maria, Don Crisóstomo is weer in Gods genade: de aartsbisschop heeft hem 'geëxcomulgeerd.'"
Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij 't balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en _tjampaka's_ verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel, bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier, net zoo wit als haar fijne spitse vingers.
Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden Maria Clara's wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar waaier vallen.
Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij:
"Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht."
Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord uit, en bleef de oogen neergeslagen houden.
Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen jongemensch met trots doorstond.
"Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd," hervatte hij langzaam. "Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn gedrag...we zien elkaar nog... stellig."
Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan.
"Kan ik morgen komen?"
"Je weet dat je mij altijd welkom bent," antwoordde ze nauw hoorbaar.
Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn hoofd en koude in 't hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was onbegrijpelijk; wat was 't: twijfel, verkoeling, verraad?
"O, een vrouw per slot van rekening!"
Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd werd. Het werk was ver gevorderd.
Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet.
"Don Crisóstomo," zeide hij, "bent u dan toch eindelijk gekomen. We wachtten u allen. Kijkt u 's, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?"
De werklieden groetten eerbiedig.
"Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te maken", zeide Ñor Juan. "Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats voor den tuin. Dat stond niet in 't plan. Staat het u niet aan?"
"Juist 't tegendeel, ik keur 't goed en wensch u geluk met uw denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?"
"Bij mezelf, meneer," antwoordde de oude man bescheiden.
"O, voordat ik 't vergeet: laten den angstvalligen weten--voor 't geval dat er 's een niet met me zou durven praten--dat ik niet meer in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd."
"Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans!
"We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is 't, en toch blijft hij even dik."
"Hoe zoo?"
"Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den 'coadjutor' een pak ransel gegeven, en de 'coadjutor' is net zoo goed priester als hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?"
Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets te zeggen had.
"Ñor Juan," zeide Ibarra, "wilt u me 's de lijst van de werklui brengen?"
Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje een grooten steen optilde en op een kar laadde.
"Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn _bangka_, want ik heb u over gewichtige zaken te spreken", zeide Elias zich verwijderend, nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had.
Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias' naam kwam er niet op voor.
XLVII.
De stem der vervolgden.
Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias' _bangka_, aan den oever van 't meer. De jongeman scheen ontstemd.
"Vergeeft u me, meneer," zeide Elias met zekere droefheid, toen hij hem gewaar werd. "Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we geen getuigen hebben.
"Binnen een uur kunnen we terug zijn."
"U vergist u, vriend Elias," antwoordde Ibarra en trachtte te glimlachen. "U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe."
"Het noodlot?"
"Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den _alférez_ ontmoette, die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen, want de man wil me morgen middag daar komen halen."
"Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig moeten uitnoodigen, om mee te gaan," antwoordde Elias heel gewoontjes.
"Hoe zoo! En u dan?"
"Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast te stellen."
"Ik ben er ellendig aan toe!" zuchtte Ibarra, aan Maria Clara denkend. "En wat had u me te zeggen?"
Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is, begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn in volle pracht schitteren.
"Meneer," hervatte Elias op diep-ernstigen toon, "ik ben de drager van de wenschen van veel ongelukkigen."
"Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?"
Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met het opperhoofd der _toelisan's_, doch sloeg daarbij diens weifelingen en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen, dat Ibarra het eerst verbrak:
"Dus wenschen ze.....?"
"Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid, in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik van de zijde van 't bestuur."
"Hervormingen in welke beteekenis?"
"Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk misbruik van maakt."
"Elias," antwoordde de jongeman, "ik weet niet wie u bent, maar ik raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten spreken, 'door ze te betalen,' ik zou met den _capitan general_ kunnen spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de _capitan general_ heeft niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat, al is 't waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig noodig zijn: ze zijn wat men noemt een 'noodzakelijk kwaad.'"
Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.
"Gelooft u ook al in 't noodzakelijk kwaad, meneer?" vroeg hij met eenigszins bevende stem. "Gelooft u dat men, om goed te doen, 't kwade _moet_ doen?"
"Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, 't land is een organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn."