Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 23
Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er een hart aanwezig was.
Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij, om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop van Maria Clara's balkon.
"Wat houdt hij veel van zijn petekind!" dachten allen. Fray Salvi sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn lippen beet.
Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam.
De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan, dien de ander hem reikte, en las dien naar 't scheen zonder hem te begrijpen, want hij vroeg:
"En wie bent u?"
"Alfonso Linares, het petekind van uw zwager..." stamelde het jongemensch.
Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde, stond hij op.
"Dus jij bent het petekind van Carlicos!" riep hij uit, en omhelsde hem. "Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens, je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!"
En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat hij er rood van zag--van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn.
Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg Padre Dámaso:
"En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?"
"Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..," stamelde Linares wederom.
"In den brief? Zoo? wel, dat 's waar! En hij wil dat ik een baantje en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat 's makkelijk. Kun je lezen en schrijven?"
"Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid."
"_Caramba_! Dus je bent een rechtsverdraaier?
"Nou, daar heb je geen snuit voor... je lijkt eer een jongejuffrouw, maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een vrouw..."
"Och, pater, dat heeft niets geen haast," zeide Linares bedremmeld.
Doch de pater stapte van 't eene eind van de voorgalerij naar 't andere, en mompelde:
"Een vrouw, een vrouw!"
Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het den grootsten ernst uit, en 't scheen dat hij diep nadacht. Padre Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje.
"Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen", mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. "Maar van twee kwaden dan maar 't minste."
En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide:
"Kom hier, m'n jongen, laten we 's met Santiago gaan praten."
Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten verzonken voortliep, meetrekken.
Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen en weer te gaan wandelen.
Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem nederig groette.
"Wat wil je?" vroegen 's pastoors oogen.
"Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van 't feest gestorven is!" antwoordde Lucas op klagenden toon.
Padre Salvi trad een schrede terug.
"En wat zou dat?" mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af.
"Pater," zeide hij snotterend, "ik ben bij Don Crisóstomo aan huis geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes vijfhonderd _peso's_ voor me achtergelaten, met de boodschap dat ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd _peso's_ voor mijn armen broer, vijfhonderd _peso's!_ Och pater!..."
De pastoor hoorde hem in 't begin met verbazing en aandacht aan, en allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn.
"En wat wil jij nu van mij?" vroeg hij hem, terwijl hij hem den rug toekeerde.
"Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft altijd goeden raad gegeven."
"Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier..."
"Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde."
Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas:
"Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo dankbaar dat hij je niet in de gevangenis heeft laten zetten!"
"Scheer je weg."
Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde:
"Wel, ik dacht..."
"Pak je weg," schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig.
"Ik zou Padre Dámaso wel 's willen spreken.."
"Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg," gelastte de pastoor nogmaals op strengen toon.
Lucas ging mopperend de trappen af.
"Nou, dat 's er ook een...als hij 's niet goed betaalt..."
"Die 't beste betaalt..."
Op 't schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares.
"Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet werken wil," zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok greep, om naar het klooster te gaan.
XLII.
Gewetensonderzoek.
Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze "bediend" was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een gouden stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts allengs, maar geregeld af te nemen.
Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste--hem zijn tanden af te nemen--maar zich vergenoegde met hem te zeggen:
"Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen."
En zij droeg er geen!
Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten, waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten.
"Nu, 't spijt me wel", zeide de dokter, "'t zal Padre Dámaso ook erg spijten."
"En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?" vroeg Linares aan den pastoor.
"Naar de provincie Tabayas," antwoordde deze achteloos.
"Wie 't ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze 't hoort", zeide Capitán Tiago. "ze houdt van hem, alsof 't haar vader was."
Fray Salvi keek hem schuin aan.
"Ik geloof, pater", ging Capitán Tiago voort, "dat deze heele ziekte komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft."
"Ik ben van 't zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan, meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, 't Zou haar verergerd hebben."
"En als wij er niet geweest waren", viel Doña Victorina in, "zou Clarita al in den hemel aan 't lofzingen wezen."
"Amen Jezus!" meende Capitán Tiago te moeten zeggen.
"Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn 't allemaal domkoppen. Mijn man..."
"Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb," viel de pastoor op zijn beurt in, "de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten is meer waard dan veel medicijnen, en, 't zij verre van me dat ik de macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar een rein geweten... u moet maar 's de vrome boeken lezen, en u zult zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!"
"Neem me niet kwalijk," bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in, "die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den _alférez_ maar eens met een biecht!"
"Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen invloed kan hebben!" antwoordde Padre Salvi streng. "En toch zou een goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen als die van vanmorgen."
"Ze verdient het!" ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi niet gehoord had. "Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, 't is ook maar iemand van niets. Zondag wou ik haar vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had; och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden zijn stand?"
Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade gehoord had:
"Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is 't noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het _viaticum_ brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar, als ze van avond wil..."
"Ik weet niet," voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik makende van een oogenblik stilte, "ik begrijp niet, dat er mannen in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. 't Is haar aan te zien dat ze vergaat van jaloezie. 't Is te begrijpen! Wat verdient zoo'n _alférez_?"
"Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar absolutie te geven voor haar zondetjes..."
En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in 't Tagaalsch:
"Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar morgen het _viaticum_ brengen, daar zal ze spoediger door herstellen."
"Maar, pater," waagde Linares schuchter tegen te werpen, "u moet nu niet gelooven dat ze in doodsgevaar is."
"Maakt u maar niets ongerust!" antwoordde hij, zonder hem aan te kijken, "ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken geweest. Bovendien moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt."
Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe.
Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen.
Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar beide vriendinnen.
"Neem nog een korreltje," zeide Sinang zacht, en bood haar een wit pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, "hij zegt dat je met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt."
"Heeft hij je niet nog eens geschreven?" vroeg de zieke zacht.
"Nee. Hij moet het zeer druk hebben!"
"Heeft hij niets aan me laten zeggen?"
"Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan..."
Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante.
"De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje," zeide zij. "Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek doen."
"Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!" protesteerde Sinang. "Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!"
"Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het _Anker_, de _Ruiker_ of de _Rechte weg ten Hemel_ brengen?"
Maria Clara antwoordde niet.
"Nou, je moet je maar niet vermoeien," voegde de goede tante eraan toe. "Ik zelf zal je 't gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij maar alleen aan je zonden zien te denken."
"Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!" fluisterde Maria Clara Sinang in 't oor, toen ze afscheid van haar nam.
"Hoe zoo?"
Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had.
De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze:
"Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan hebt, moet je 't me zeggen, dan zal ik 't overdoen. Je weet wel dat ik, waar 't je welzijn geldt, nooit moe word."
Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren en er berouw over te hebben.
Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod, "God lief te hebben boven alle dingen," gelezen was, sloeg Tante Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange pauze, aan 't tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen de beschouwingen gelezen waren keek ze weer eens naar haar nichtje, dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde.
"Och!" zeide tante Isabel bij zichzelve, "dat van 't ijdel gebruiken van zijn heiligen naam, daar heeft 't arme schaap zich nooit aan schuldig gemaakt. Laten we 't derde nemen."
En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich weer naar 't bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven, en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek naar 't gezicht bracht als om tranen af te drogen.
"Hm!" zei ze, "hm! hm! 't Arme kind is zeker in slaap gevallen gedurende de preek."
En haar bril weer op 't puntje van haar neus zettend, zeide ze bij zichzelf:
"Laten we 's zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft."
En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten, zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen.
Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder.
"Wat 'n goede ziel!" dacht het oudje; "zij die zoo gehoorzaam en zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan, en ik heb nooit echt kunnen schreien."
En ze begon aan 't vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo mogelijk nog erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze 't gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben gelezen, bemerkte zij 't gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven 't verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien, zeide ze, terwijl ze dichter bij 't bed kwam:
"Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar niet hard, want je bent nog ziek."
Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen, of haar tante te antwoorden.
Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd.
"Als ik 't niet zag, zou ik 't niet gelooven!" dacht de goede oude vrouw daarna. "Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in de wereld tegenwoordig!"
En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo, en nog twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets: 't was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van een wonder van haar gehoord.
We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond: wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante, die uit de verte haar nichtje in 't oog hield, kon opmerken dat de pastoor, in plaats van 't oor gekeerd te hebben naar den mond der zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht, of er naar te gissen.
Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie had kunnen krijgen.
"Jezus, Maria en Jozef!" zeide onze tante, en sloeg een kruis, om een slechte gedachte van zich te verjagen.
"Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!"
XLIII.
De vervolgden.
Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg in de richting van 't verwijderd geluid.
Ten slotte, na 't doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een maagdelijk woud 's nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden 't midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.
Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte, plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots, trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij op bevelenden toon in 't Tagaalsch terwijl hij de haan van 't wapen overhaalde:
"Wie ben je?"
"Is de oude Pablo bij jullie?" vroeg de eerste bedaard en onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.
"Spreek je van den _Capitán_? ja die is er."
"Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt," zeide de man die niemand anders was dan onze geheimzinnige "loods".
"Bent u 't, Elias?" vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. "In dat geval gaat u maar mee."
Elias volgde hem.
Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen, zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund, die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet wetende dat die spelonk de verblijfplaats van _toelisan's_ of roovers was, zou men de wanhoop lezend op 't gelaat des ouden mans, zeggen dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino zijn kinderen zou verslinden. [43]
Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op te nemen.
De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol droefheid en belangstelling.
"Ben jij het?" vroeg de oude, wiens gelaat, bij 't herkennen van den jongen man, eenigszins opklaarde.
"In wat 'n toestand vind ik u!" mompelde Elias bij zichzelf, terwijl hij 't hoofd schudde.
De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken, waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.
"Ja!" zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: "zes maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik 't die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij 't die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me 's, hoe je hier gekomen bent."
"Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken," antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht keek; "ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht."
"om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben."
Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:
"Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon te verlaten, om naar 't noorden te verhuizen, onder de ongeloovige onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt, en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben."