Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 22

Chapter 223,941 wordsPublic domain

De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de _frailes_ te vergezellen. "God moge ze ook in 't andere leven beloonen," zeide de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde.

De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen oogen en ooren voor 't tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf, dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan, diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking; in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks genietingen zijn moeder hem geschilderd had!

Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor.

Maar de jongeman scheen 't niet te merken, want hij groette ongedwongen Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De eenige die sprak was Sinang.

"Ben je naar de 'vulkaan' gaan kijken?" vroeg ze.

"Nee, meiske, ik heb de _Capitán general_ vergezeld."

"Wel, da's jammer! De pastoor is met ons meegegaan, en vertelde ons geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken, en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?"

De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden, Don Filipo bedaard en op gedempten toon.

"'t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn," zeide hij, "meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor 't feest, en hij heeft 't recht om hier te zijn, zoolang hij de orde niet verstoort."

"Maar is 't dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen schandalizeert? 't Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de autoriteiten!"

"Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn eigen wil voortkomen, eerwaarde vader," antwoordde Don Filipo, even buigend, "maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand."

"Maar 't is gelegenheid geven tot gevaar, en die 't gevaar liefheeft, komt er in om."

"Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de _alcalde_ en de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem gepraat, en ik hoef hun geen les te geven."

"Als je hem er niet uitgooit, gaan wij heen."

"Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien."

De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten, niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen.

Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden:

"Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten."

"Wie zijn die lui?" vroeg hij verwonderd.

"De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!"

"Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is."

Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg.

"Maar is 't mogelijk?" riep hij eindelijk uit. "Zijn we nog heelemaal in de middeleeuwen? Zoodat dus..."

En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij:

"Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik voeg me straks weer bij jullie."

"Blijf, zeg!" zeide Sinang. "Jejeng gaat straks dansen en die danst hemels."

"Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug."

Het gepraat verdubbelde.

Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den _guardia civil_ op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling zou ophouden.

"En waarom?" vroeg deze verbaasd.

"Omdat de _alférez_ en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet kunnen slapen."

"Zeg aan den _alférez_ dat we vergunning hebben. Niemand in 't dorp is hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn _eenige meerdere_ is."

"Nu maar de voorstelling moet ophouden!" herhaalden de soldaten.

Don Filipo keerde hun den rug toe. De _guardia's_ gingen heen.

Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van 't gebeurde.

Na 't stukje _Zarzuela_, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een tumult. De muzikanten van 't orkest hielden plotseling op, sprongen op 't tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo, die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren, wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren, die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag, vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht in geslingerd en meer zoo. _Toelisan_! _toelisan_! (roovers) riepen sommigen. "Brand! Dieven!" anderen, vrouwen en kinderen schreiden, banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de algemeene verwarring en 't lawaai.

Wat was er voorgevallen?

Twee _guardia civiles_ waren met een stok in de hand de muzikanten te lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De _teniente mayor_ met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan te houden, in weerwil van hun tegenstand.

"Brengt ze naar 't stadhuis!" riep Don Filipo.

"Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!"

Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast.

Tante Isabel bad de litanieën in 't latijn.

Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze zich rekenschap hadden gegeven van 't geen er gebeurd was, barstte de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee _guardia's_, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación samen met den _alférez_ levend te braden.

"Daar dienen ze voor!" riep een vrouw, de mouwen opstroopend en de armen uitstrekkend, "om 't volk in beroering te brengen. Ze hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de _toelisan's_, de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!"

Een betastte zich de armen en vroeg om "bediend" te worden. Klagende kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: 't was een arme muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk, die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen toesprekend.

Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden.

"U moet de orde niet verstoren!" riep hij, "morgen zullen we voldoening vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in, dat men ons recht zal doen!"

"Nee!" antwoordden er enkelen, "'t was net zoo in Calamba. [41] Men beloofde toen hetzelfde, maar de _alcalde_ deed niets. We willen ons zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!"

Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en zag Ibarra.

"Meneer Ibarra, als 't u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik _cuadrillero's_ ga halen!"

"Wat kan ik nu doen?" vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de _teniente mayor_ was al weg.

Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in 't Spaansch:

"Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!"

De "loods" had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep.

Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen; daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een minder vijandelijke houding aan.

't Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met de bajonet op.

Wat deed intusschen de pastoor?

Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door.

Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen, wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van hetgeen er plaats had.

Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en de zwakheid der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid, niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren niet naar de stem der kuischheid, en in 't holle van den nacht..., en wanneer ze zich wapenen! 't Was of hij Crisóstomo daar zag, de bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis te verdwijnen.

Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek holde hij het plein op.

Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen gezeten hadden: ze waren ledig.

"Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!" riepen hem de Spanjaarden toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van Capitán Tiago's huis. Daar herademde hij; hij zag in 't openstaande transparant van 't venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van haar tante, die kopjes en glazen droeg.

"Komaan!" mompelde hij, "'t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden is!" Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet verdween.

De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden van Rafaël, de kleine mond glimlachte; 't geheele gelaat ademde maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje tusschen wolken.

De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft al wat een vurig brein zich kan verbeelden?

Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van 't feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde:

"Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend, onder 't verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed, zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt, om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle eeuwigheid dankbaar weten te zijn."

XXXIX.

Twee bezoeken.

In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden en de droevige gedachten, die 's nachts nog pijnlijker werden van zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan 't werk zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en gelakte flakons wegborg.

Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer.

"Laat hem binnenkomen!" zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren.

De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan.

"O, bent u 't?" riep Ibarra in 't Tagaalsch uit, toen hij hem herkende.

"Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen..."

"Ik wilt u niet storen!" antwoordde de jonge "loods."

"Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen.

"En ten tweede om u een slechte tijding te brengen..."

Ibarra keek den "loods" vragend aan.

"De dochter van Capitán Tiago is ziek," hervatte Elias kalm, "maar niet ernstig."

"Ik had het wel gevreesd!" riep Ibarra met zwakke stem uit. "Weet u wat haar scheelt?"

"O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft..."

"Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof me eerst een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord dan maar niet."

Elias boog.

"Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?" vroeg Ibarra, hem strak aanziende.

"O heel eenvoudig!" antwoordde Elias met de grootste natuurlijkheid. "De leiders van de beweging waren twee broers, wier vader doodgeslagen is door de _guardia civil_. Eens op een dag had ik het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun plan af te brengen."

"En die twee broers wier vader doodgeslagen is?..."

"Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader," antwoordde Elias zacht; "wanneer 't ongeluk 't eenmaal op een familie heeft gemunt, moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft, maakt hij hem heelemaal tot asch."

En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor, toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid van den "loods" had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op zijn gelaat.

"Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!" mompelde hij.

Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af.

Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan.

"Wat wilt u?" vroeg Ibarra hem.

"Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren gestorven is."

"Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?"

"Meneer, ik wou 's weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van mijn broer."

"Betalen?" herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen bedwingen. "Daar zullen we wel 's over praten. Komt u vanavond maar terug; want ik heb nu geen tijd."

"Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!" hield Lucas aan.

"Ik heb u gezegd dat we daarover wel 's een anderen keer spreken zullen, ik heb nu haast!" zeide Ibarra ongeduldig.

"Heeft u nu geen tijd, meneer?" vroeg Lucas met bitterheid, en ging vlak voor hem staan. "Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig te houden?"

"Kom vanavond, m'n goeie man!" herhaalde Ibarra, zich bedwingende; "ik moet nu een zieke gaan opzoeken."

"Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat we arm zijn...?"

Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af.

"Stel mijn geduld niet op den proef!" zeide hij, en ging zijns weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat.

"'t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!" mompelde hij binnensmonds. "Je hebt hetzelfde bloed!"

En, van toon veranderend, liet hij volgen:

"Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!"

XL.

Dokter De Espadaña en zijn vrouw.

Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt, gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: 't komende jaar zal men 't zelfde doen, 't zelfde in de volgende eeuw, want 't is tot-nu-toe zoo de gewoonte geweest.

Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van 't huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat, zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon.

"Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van Toenasan of aan dat van Matahong?" vroeg de veelbeproefde vader zacht. "Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?"

Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde:

"Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten allemaal, maar groeien doen we niet allemaal."

"Dat 's waar, ja, Isabel, maar bedenk wel dat zweten, dat het zweten van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder is...Och 't beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken."

Spoedig daarna reed er een rijtuig voor.

Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña, zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen.

Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm.

"Ik heb 't genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de Espadaña!" zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. "Meneer is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris van alle ministers..."

De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand.

De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en Capitán Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers.

Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi, en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde.

Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen, hun _nipah_-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui.

"U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina," antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, "dan zou u den _capitán general_ ontmoet hebben: die heeft daar gezeten."

"Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!"

"Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder gekomen was..."

"Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!" riep zij met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen:

"Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat hij dineerde bij den graaf del Campanario."

"Van den hertog de la Torre, Victorina," verbeterde haar man. [42]

"Dat 's net hetzelfde, wat woû je nou?"

"Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?" viel Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. "Men heeft me gezegd dat het hier dicht-bij was."

"Hij is juist hier, en zal heel gauw komen," antwoordde de pastoor.

"Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem," riep de jongeman uit, "en als 't niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt, zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken."

Het "gelukkige toeval" was intusschen wakker geworden.

"De Espadaña," zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, "zullen we 's naar Clarita gaan kijken?" En tot Capitán Tiago:

"Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien."

Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier niemand. Zij evenmin.

Ze gingen naar de ziekekamer.

Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die stonden te branden voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo.

Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin, die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in haar ledikant van _kamagon_-hout, achter gordijnen van _jusi_ en _pina_. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen en Andeng met een ruiker leliën.

De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog:

"Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!"

Doña Victorina keek de omstanders fier aan.

"'s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van 'hondetong'," schreef de Espadaña voor.

"Schep maar moed, Clarita," zei Doña Victorina, naderbij komend, "we zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen."

Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet dat Doña Victorina hem riep.

"Meneer Linares", zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn geestvervoering, "daar komt Padre Dámaso."

Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen hij het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. 't Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam; thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort.

XLI.

Plannen.

Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden:

"Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor."

Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan.