Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 21

Chapter 213,981 wordsPublic domain

"En in de sakristie dan? Daar laten ze 'm in een hoek tusschen de spinnewebben!..."

En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van 't volk.

Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar 't was nu eenmaal de smaak van Onze Lieve Vrouw.

Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes "Derde-zusters" trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte of ziekte: een feit is 't dat ze trokken, en met allen ijver. Sint Jakob hield stil voor 't plankier, en wachtte tot men hem groette.

Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd, voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden, monniks- en nonnekappen en hoorde, bij 't eentonig neusgeluid der gebeden, als witte jasmijnen, als frissche _tjampaka's_ tusschen oude vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op 't hoofd, met krullend haar en stralenden blik. 't Leken kleine lichtgeniën in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd, en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.

Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.

De verzen die 't ventje voordroeg waren in 't Latijn, Tagaalsch en Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.

Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde zijn lijdensweg.

Toen 't beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago's huis kwam, begroette een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. 't Was een teedere melodieuze smeekende stem, die 't "Ave Maria" van Gounod uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een groet, 't was een bede en een klacht tegelijk.

Ibarra hoorde de stem aan 't venster waar hij zat, en ontzetting en weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed te vragen.

Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: "u moet aan tafel bij me zitten," zeide hij tot hem, "daar zullen we 's spreken over die kinderen, die verdwenen zijn."

"Zou ik de oorzaak wezen?" zeide de jonge man bij zich zelf en volgde met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.

XXXVII.

Doña Consolación.

Waarom zijn de vensters in 't huis van den _alférez_ gesloten? Waar waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed, en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet willen verstoren? Niet waarschijnlijk.

Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat het huis onbewoond was.

Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend, dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen, dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje, waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen; de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn, een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.

Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De _alférez_ begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan de vreemdelingen.

Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara: deze droeg immers een gewone _tapis_ (kain), zij een rok. 't Was bepaald noodig dat de _alférez_ haar zeide: "Hou nu je mond, of ik schop je naar je negerij terug!"

Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te worden, maar zon op wraak.

't Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van 't huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets weerzinwekkends wreeds.

Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.

Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende--haar man was uitgevraagd--raakte ze vol gal: 't was net of de cellen van haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles om haar boog zich, als de korenaren bij 't eerste blazen van den storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten: soldaten en bedienden kropen langs en om haar.

Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten, en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond, gaf ze bevel de lichten aan te steken.

Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt en naar de kazerne gebracht. De _alférez_ was er toen niet, en de ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de _alférez_ haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was, en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op, haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.

Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago's huis het droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe 't ook zij, Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de _koendiman_ (zangen) van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och, die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit den tijd toen ze nog onbedorven waren.

Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:

"Laat haar dadelijk hier bovenkomen." Iets als een glimlach vloog over haar dorre lippen.

Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of vrees te toonen, verscheen. 't Was of ze onze dame in 't geheel niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag wenschte in te boezemen.

De _alféreza_ kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende, zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:

"Kom, nu zingen!" Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid bezwoer haar toorn.

Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak: zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte, het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep, menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!

Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in 't Spaansch, nu, in den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze de luidruchtigste en raakste.

Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze 't Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.

"Oppasser, zeg aan deze vrouw in 't Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze verstaat me niet, ze kent geen Spaansch."

De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den nacht gezongen had.

Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte wellicht naar regen. Zij begreep het goed: "De droefheid, de koude en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel der nacht," zooals de _koendiman_ luidde, "'t scheen haar dat ze ook haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van ijdelheid, bij 't vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel, vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven, zonder den spot van 't licht dat haar zag in haar glorie, zonder de ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord, de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden..."

"Nee, niet zingen", riep de vrouw van den _alférez_, nu in uitstekend Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. "Zing niet meer! Die woorden doen me pijn!"

De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: "Wel, ze kent waarachtig Tagaalsch!" en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan te kijken.

Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens, stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in 't Spaansch:

"Dans!"

Sisa verroerde zich niet.

"Dans! Dans!" herhaalde ze op dreigenden toon.

De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.

De _alféreza_ hief Sisa's eenen arm op, daarna den andere en schudde dien heen en weer: 't gaf niets, ze begreep 't niet.

De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek: die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van die dame wel leuk.

Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep, zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den _alférez_ verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:

"Nu is 't jouw beurt om te dansen--dans!"

En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan de voeten, om deze te beschermen.

"Aha! Je begint al!" riep de ander met woeste vreugde, en van 't "lento" ging ze over in een "allegro vivace."

De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den voet op.

"Zul je dansen ... zwarte h...?" zeide onze dame, en de zweep zwierde en zwiepte door de lucht.

Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde zweepslagen op den rug deden haar opstaan: 't was geen kreet meer, 't was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde, de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed.

Het gezicht van 't bloed deed Doña Consolación's opwinding nog toenemen.

"Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld bracht mag verdoemd zijn!" riep ze. "Dans of ik ransel je dood!"

En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met de andere, begon te springen en te dansen.

De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting, spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.

En, verdiept in 't genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.

De _alférez_ stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.

De _alférez_ legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.

De stilte hield aan. De _alférez_ ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard en langzaam:

"Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!"

De _alférez_ antwoordde niet, maar riep den oppasser.

"Neem deze vrouw mee," zeide hij, "laat Marta haar een ander hemd geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar 't huis van meneer Ibarra gebracht worden."

Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor, en trad op zijn vrouw toe.

"Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!" zeide hij tot haar met gebalde vuisten.

"Wat scheelt je?" vroeg zij, opstaande en terugtredende.

"Wat me scheelt?" riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: "Heb jij dezen brief niet aan den _alcalde_ geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen, om 't dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om je te vermorzelen!"

"Komaan, waag dat 's!" zeide zij spotachtig lachend. "Die mij vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!"

Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord, dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. 't Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.

"Lafaard!" riep zij. "Je durft niet naderbij komen!"

En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en zette het daarna op een loopen.

Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de _alférez_ haar, en kwam niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.

"Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens in!" brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.

Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde oprichten. Het huis daverde van 't getrap en 't gevloek van den echtgenoot.

"Kom niet binnen, kom niet binnen!" zeide de krijschende stem der vrouw. "Als je hier komt, schiet ik op je!"

Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van 't eene eind van 't vertrek naar 't andere te loopen, als een wild beest in zijn kooi.

"Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!" ging de vrouw voort met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen voltooid te hebben.

"Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet helpen kan, vuil kr...!"

"Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!" zeide ze met een sarkasme, waarvan zij alleen 't geheim bezat.

De _alférez_ greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde hij terug zonder 't minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.

De _alférez_ ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur, en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.

"Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?" vroeg de stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.

Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde het gedruisch en lachte.

"Oppasser! Is meneer weggegaan?" schreeuwde Doña Consolación.

Op een teeken van den _alférez_, antwoordde de oppasser:

"Ja, mevrouw, hij is weggegaan."

Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.

De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet, de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen, heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis der slaapkamer?

De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken aan den kok.

"En jij krijgt het op je kop!" zei deze.

"Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet, of hij teruggekomen was."

XXXVIII.

Recht en Macht.

't Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren, eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een lange bamboe, met een lap aan 't uiteinde en voorzien van een emmer water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht der lucht, en 't leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren, om de vreugden der menschen bij te wonen.

Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van vuurwerk afgestoken en ook een groote "vulkaan," die in fraaiheid en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego ooit te voren hadden gezien.

Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in 't gras mislukte "bommen" en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten, doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide.

Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten omringden de stutten, hingen van het dak, en bezaaiden den grond in dichte groepen.

Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad, om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde, "'t Is al goed, 't is al goed!"

Voor 't eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement, vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op, alsof er niets gebeurd was.

Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: 't was Andèng, die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette haar aanstaande, die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde.

De onderburgemeester, de _teniënte mayor_ Filipo, zat voor bij de tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber van kaarten, van 't stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio:

"Wat moet ik doen?" zeide hij, "de _alcalde_ heeft mijn ontslag aanvrage niet willen aannemen. 'Voelt u zich niet krachtig genoeg, om uw plichten te doen?' vroeg hij me."

"En wat heeft u hem geantwoord?"

"Meneer de _Alcalde_, heb ik hem geantwoord, de kracht van een _teniënte mayor_, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning ontvangt ze van 't volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis, meneer de _Alcalde_. Maar de _alcalde_ wilde niet naar me luisteren, en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden."

"Moge God u dan helpen!" zeide de oude man en trachtte heen te gaan.

"Wilt u de voorstelling niet zien?"

"Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf genoeg," antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. "Maar ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht getrokken? 't Is vreedzaam en 't houdt van krijgshaftige tooneelen, van bloedigen strijd; 't is democratisch, en 't aanbidt keizers, koningen en prinsen; 't is ongodsdienstig, en 't maakt zich arm aan allerlei praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard, en zijn er dol op dat een prinses een lans drilt... Weet u waaraan dit te wijten is? wel..."