Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 2

Chapter 23,830 wordsPublic domain

't Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens aller aandacht bij 't binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla; 't was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten, die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso als versteend deden staan: 't waren eenvoudig het origineel van het portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch, dat streng in de rouw gekleed was.

"Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!" was het eerste wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij de geestelijken de hand kuste, waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem.

"Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van mijn overleden vriend!" ging Capitán Tiago voort. "Deze heer is pas uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen."

Bij 't klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman toe en nam hem van 't hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte, zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een verblijf in de koude landen.

"Wel!" riep hij met blijde verrassing uit, "de pastoor van mijn dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!"

Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde zich niet.

"Neem me niet kwalijk, ik heb me zeker vergist!" hervatte Ibarra eenigszins verlegen.

"Je hebt je niet vergist!" kon ten slotte de ander met veranderde stem antwoorden. "Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest."

Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had, keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem gade te slaan.

"Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?"

De jongeman boog.

Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht in de oogen.

"Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!" riep de krijgsman met beverige stem uit.

"Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de Filippijnen was."

"Mijnheer!" antwoordde Ibarra ontroerd, "de lof die u over mijn vader uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon, nog niet ken."

De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich half om en verwijderde zich snel.

De jongeman zag zich alleen in 't midden van de zaal; de heer des huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en natuurlijke gratie tot het groepje:

"Mag ik zoo vrij zijn", zei hij, "maar over de voorschriften van een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten, 'zijn vrouwen.'"

Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die, toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden.

"Heeren!" zeide hij, "ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan Crisóstomo Ibarra y Magsalin!"

Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was: _hij_ zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep.

Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten knoopen aan zijn hemd.

"Meneer Ibarra, ik wou 's graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in in mijn huis is: ik hoop, dat u me de eer 's zal aandoen. Kom morgen bij ons eten."

Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán Tinong glimlachte en wreef zich in de handen.

Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San Diego....

Een knecht van 't café "la Campana" kwam zeggen dat het eten klaar was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden.

III.

Het feestmaal.

Fray Sibyla scheen zeer voldaan; hij schreed rustig voort en op zijn samengedrukte en fijne lippen was geen minachting meer te lezen; zelfs verwaardigde hij zich met de manke doctor De Espadaña te praten, die met monosyllaben antwoordde, want hij stotterde een beetje. De Franciskaan was in een vreeselijk humeur: hij schopte tegen de stoelen die hem hinderden op zijn weg, en zelfs gaf hij een stoot met zijn elleboog tegen een "kadet." De luitenant was hoog-ernstig. De anderen praatten druk en prezen de prachtige tafel. Doña Victorina trok echter verachtelijk haar neus op, doch onmiddellijk daarop keerde ze zich woest om, als een slang waarop getrapt wordt: inderdaad had de luitenant op den sleep van haar japon zijn voet gezet.

"Maar heeft u dan geen oogen?" zeide ze.

"Jawel, mevrouw, en een paar betere dan de uwe; maar ik keek even naar uw lokken," antwoordde de weinig galante krijgsman en verwijderde zich.

Als bij instinkt richtten zich de twee monniken naar het hoofd-eind van de tafel, wellicht uit gewoonte en zooals te verwachten was gebeurde er wat placht te geschieden bij mededingers naar een professoraat: ze hemelen de verdiensten en de meerderwaardigheid van den tegenstander op, maar geven dadelijk daarop juist het tegenovergestelde te kennen en mopperen om 't hardst als ze niet benoemd worden.

"Ga vóór, Fray Dámaso!"

"Aan u, Fray Sibyla!"

"U bent een oude vriend van den huize... biechtvader van wijlen mevrouw... leeftijd, waardigheid en zieleherderschap..."

"Niet zoo heel oud, hoor! En dan... u bent de pastoor van de wijk hier!" antwoordde Fray Dámaso half vriendelijk en zonder den stoel los te laten.

"Nu, als u 't beveelt, gehoorzaam ik!" besloot pater Sibyla, en maakte zich gereed om neer te zitten.

"Ik beveel niets!" protesteerde de Franciskaan, "ik niet, hoor!"

Fray Sibyla ging al zitten zonder acht te slaan op het protest, toen zijn blikken die van den luitenant ontmoetten. De hoogste officier is volgens de opvatting der geestelijken op de Filippijnen veel lager dan de leekebroeder-kok. Doch Fray Sibyla was een zeer beleefd man en antwoordde:

"Mijnheer de luitenant, hier zijn we in de wereld, niet in de kerk: deze plaats komt u toe."

Maar, te oordeelen naar den toon waarop hij sprak, kwam de plaats hem ook in de wereld toe. De luitenant, hetzij om zich geen moeite te geven of om niet tusschen twee "frailes" te zitten, weigerde vrij droogjes.

Niemand van de kandidaten had aan den huisheer gedacht. Ibarra zag hem met voldoening en een glimlach op de lippen naar het tooneeltje kijken.

"Hoe zoo, don Santiago, gaat u niet tusschen ons in zitten?" Maar al de plaatsen waren reeds bezet: Lucullus at niet bij Lucullus aan huis.

"Hou u bedaard, niet opstaan!" zeide Capitán Tiago en legde zijn hand op den schouder van het jongemensch. "Dit feest geef ik juist om onze Lieve Vrouw te danken voor uw behouden aankomst. Hé, laten ze de 'tinola' brengen. Ik heb 'tinola' laten maken; die zult u wel in lang niet gegeten hebben?"

Men bracht een grooten dampenden schotel. De dominikaan prevelde het "benedicite", waarop bijna niemand kon antwoorden en begon den inhoud te verdeelen. Doch door onoplettendheid of iets anders trof Padre Dámaso den schotel, toen er alleen nog maar tusschen veel "laboe" en bouillon een kaal kippenhalsje en een vleugelstukje in dreven; anderen aten pootjes en borst, vooral Ibarra had de lekkere beetjes. De Franciskaan zag alles, kauwde wat op de "laboe", nam een beetje bouillon, liet toen met gedruisch zijn lepel vallen en schoof daarna woest zijn bord van zich af. De dominikaan was geheel verdiept in een gesprek met den blonden jongeman.

"Hoe lang bent u van 't land weg geweest?" vroeg Laruja aan Ibarra.

"Bijna zeven jaar."

"Wel, wel, dan zult u alles vergeten zijn!"

"Integendeel. En al scheen mijn land mij vergeten te hebben, _ik_ heb er altijd aan gedacht."

"Wat wilt u daarmee zeggen?"

"Ik woû zeggen dat ik een jaar lang geen tijding van huis gehad heb. En zoo ben ik hier als een vreemdeling, die niet eens weet wanneer of hoe zijn vader gestorven is."

"Och!" riep de luitenant uit.

"En waar was u dan, dat u geen telegram gezonden heeft?" vroeg Doña Victorina. "Toen wij trouwden hebben we een telegram naar Spanje gezonden."

"Mevrouw, de laatste twee jaren ben ik in Noord-Europa geweest: in Duitschland en in Russisch-Polen."

Doctor De Espadaña, die tot nog toe niets had durven zeggen, achtte het gepast iets in 't midden te brengen:

"Ik heb ... heb in Sp.... Spanje een Pool gekend, van War .... war ... Warschau. Hij heette Stad ... Stadnitzki, als ik me wel herinner. Heeft u hem misschien ge... ge... gezien?" vroeg hij schuchter en bijna blozend.

"'t Is best mogelijk", antwoordde Ibarra vriendelijk, "maar op 't oogenblik herinner ik 't me niet."

"Nu, u kó ... kon hem niet met een ander verwa-wa-warren," hervatte de dokter met meer zelfvertrouwen, "hij was goudblond en spr.... sprak hee.... hee-heel slecht Spaansch."

"Dat zijn wel duidelijke kenteekenen, maar ongelukkigerwijze heb ik daar geen woord Spaansch gesproken, behalve aan een paar konsulaten."

"En hoe heeft u dat geleverd?" vroeg Doña Victorina verbaasd.

"Ik sprak de taal van 't land, mevrouw."

"Spreekt u ook Engelsch?" vroeg de dominikaan, die in Hongkong geweest was en het "Pidgin English" goed sprak, die verbastering van Shakespeare's taal door de zonen van 't Hemelsche Rijk.

"Ik ben een jaar in Engeland geweest onder menschen die enkel Engelsch spraken".

"En welk land bevalt u in Europa het best?" vroeg hem het blonde jongmensch.

"Na Spanje, mijn vaderland, ieder vrij land van Europa".

"En zeg me nu 's, u die zooveel gereisd heeft: wat lijkt u wel 't merkwaardigste dat u gezien heeft?" vroeg Laruja.

Ibarra scheen even te denken.

"Merkwaardig in welk opzicht?"

"Bijvoorbeeld ... ten opzichte van 't leven van de volken, hun maatschappelijk, staatkundig, godsdienstig leven, in 't algemeen, hoofdzakelijk alles bijeengenomen..."

Ibarra dacht een heele poos na.

"Ronduit gezegd, bevalt me alles in die landen, afgezien van de nationale trots van elk... Voordat ik een land bezocht, trachtte ik de geschiedenis ervan te bestudeeren, zijn Exodus om zoo te zeggen, en dan vond ik daarna alles natuurlijk. Ik heb altijd gezien dat de welvaart of de ellende van de volken in rechte rede staan tot hun vrijheden of vooroordeelen, en bijgevolg tot de opofferingen of de zelfzucht van de voorouders".

"En heeft u dat alleen maar gezien?" vroeg de Franciskaan met een spotlach. Van 't begin van den maaltijd af had hij geen enkel woord gesproken, wellicht in beslag genomen door het eten. "Om zoo iets onbeteekenends te weten te komen hoefde u uw geld niet te vermorsen; dat weet hier iedere schooljongen."

Ibarra wist niet wat hij zeggen zou; de overigen keken elkaar verbaasd aan en vreesden een uitbarsting. "Het maal loopt op zijn eind en zijn eerwaarde is al verzadigd," wilde het jongmensch opmerken, maar hij hield zich in en zeide slechts:

"Heeren, u moet zich niet verwonderen over de familiariteit waarmee onze vroegere pastoor mij behandelt. Zoo ging hij met me om toen ik nog een kind was, want voor zijn weleerwaarde gaan de jaren tevergeefs voorbij. Maar ik ben er hem erkentelijk voor, omdat hij me die dagen van weleer zoo levendig vóór den geest brengt: toen kwam de weleerwaarde dikwijls bij ons thuis, en at ook aan mijns vaders tafel."

De dominikaan keek steelsgewijze naar den Franciskaan; deze zat te beven. Ibarra stond op en vervolgde:

"U zult me veroorloven dat ik heenga, want omdat ik pas aangekomen ben en morgen weer op reis moet, heb ik nog een boel zaken af te doen."

Een glas wijn opnemende, riep hij: "Nu, mijnheeren, op Spanje en de Filippijnen." En hij dronk het glas leeg, dat hij te voren niet aangeraakt had. De oude luitenant volgde hem na, zonder een woord.

Capitán Tiago wilde Ibarra niet laten gaan: Maria Clara zou komen, Isabel was haar gaan halen en de nieuwe pastoor van zijn dorp zou komen, o, een heilig man.

Ibarra beloofde den volgenden morgen, even vóór zijn vertrek, aan te zullen komen. Hij moest vandaag een heel dringend bezoek brengen.

Toen hij weg was luchtte de Franciskaan zijn ergernis:

"Heeft u 't gezien?" zei hij tot het blonde jongmensch en schermde daarbij met zijn dessert-mesje: "Da's nu alleen trots! Ze kunnen niet velen dat de pastoor ze terecht wijst! Ze denken dat ze al heel wat zijn! Dat komt er nou van als de jongelui naar Europa gezonden worden: het gouvernement moest het verbieden."

"En de luitenant," zei Doña Victorina, den Franciskaan bijvallende, "die heeft den heelen avond een boos gezicht gezet. 't Is maar goed dat hij weg is. Zoo oud en dan nog luitenant!"

De dame kon de toespeling op haar krullen en de vertrapte strook van haar onderrok niet vergeten.

IV.

Ketter en opstandeling.

Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en ademde op.

Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-"kalessen" kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het _Binondo_-plein--Binondo is een voorstad--en keek overal om zich heen, alsof hij iets herkennen wilde.

Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd, met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat; 't waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had, net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.

Niemand had het ding weer recht gebogen!

"'t Gaat langzaam hier!" mompelde hij, en volgde de Calle de la Sacristia. [4]

De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: "_Sórbetee_"; de "huepes" of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.

"'t Is wonderlijk!" riep hij uit, "dat is dezelfde Chinees van zeven jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!

"Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!"

Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la Sacristia nog los.

Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, die hem bijna lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.

"Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!" zeide hij.

"Neem me niet kwalijk, maar 't komt me voor dat u veel van mijn vader gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe 't toch met hem gegaan is?" vroeg Ibarra hem aanziende.

"Hoe zoo, weet u dat dan niet?" vroeg de ander.

"Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû 't me eerst morgen zeggen. Weet u 't misschien?"

"Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven."

De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.

"In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?" vroeg hij.

"Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!" ging de krijgsman eenigszins verwonderd voort.

"Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet u wie mijn vader was? Bent u wel...?" vroeg de jonge man, den officier bij den arm vattend.

"Ik geloof, dat ik me niet vergis: 't was don Rafael Ibarra."

"Jawel, don Rafael Ibarra!" riep de jongeman zwakjes.

"Och, ik dacht dat u 't wist!" mompelde de militair op medelijdenden toon, toen hij zag wat er in Ibarra's ziel omging. "Ik veronderstelde, dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk man zijn zonder 's in de gevangenis gezeten te hebben!"

"Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt", hervatte Ibarra met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. "Kan u me ook zeggen waarom hij in de gevangenis was?"

De oude man scheen zich te bedenken.

"'t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw familie-aangelegenheden gesteld hebben."

"In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou 't erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij zond me zijn zegen!"

"Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven: 't zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben."

"Om welke reden was mijn vader gevangen?"

"Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar de kazerne; ik zal 't u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm."

Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij daarvan inspiratie.

"Zooals u zeer goed weet", begon hij, "was uw vader de rijkste man in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was, waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden, die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen, het zedelijk verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens, het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier komt het uitvaagsel van 't moederland en als er nog 's een goede komt, dan bederft hij gauw hier in 't land. Nu dan, uw vader had onder de pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden."

Hier zweeg hij even.

"Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.

"Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd: 'Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van God,' zeide hij; 'voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin als om aalmoezen aan de kerk.' En hij gaf me dit voorbeeld: 'Als ik een huisvader heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog 't minst noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten snotteren? En 't leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen, dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van 't gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog: Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?'

"Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte toespelingen op hem van den kansel en 't was wel een wonder dat hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen."

De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.

"Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid mocht wijden van wege ons 'prestige' als blanken, kreeg hij van ik weet niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden: hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter, dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels, die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had hij zelfs hoogloopende standjes gehad.