Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 19
"Och, ik heb geen verstand van bouwkunde," viel de pater in de rede, "maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik 't plan voor geteekend, en die is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd, toen hij 's op een dag in 't 'klooster' bij me logeerde. Om zoo'n plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!"
"Maar," hervatte de _alcalde_, die zag dat Ibarra zweeg, "u zult toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo'n school, wel een deskundige noodig is!"
"Och wat, larie!" riep Padre Dámaso spottend, "wie een _des_kundige voor zoo iets noodig heeft, is een _snert_kundige!
"Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders--die bouwen hun eigen huizen--om niet vier van die muren te kunnen opzetten en daar een deksel op te maken; want wat is zoo'n school anders?"
Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te praten, ofschoon hij bleek werd.
"Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ..."
Doch de Franciskaner liet den alcalde niet aan 't woord. "U weet toch zeker wel," ging hij voort, "dat een leekebroeder van ons, de domste dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij liet flink werken en betaalde niet meer dan acht 'cuarto's' per dag, zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er mee omgaan, die deed niet als sommige 'halve garen' en sinjo's, die het werkvolk bederven door hun drie of vier 'real' loon te geven". [37]
"Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto's betaalde? Onmogelijk!" zeide de _alcalde_, om het gesprek een andere wending te geven.
"Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard uitgeeft. Och, 't is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is, is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!"
"Maar Padre Dámaso!"
"U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig naar Europa gaan..."
"Maar luister nu toch 's even, weleerwaarde!" viel de _alcalde_ in, die ongerust begon te worden over 't aanvallend karakter dier woorden.
"Ze eindigen allemaal zooals ze 't verdienen", ging de monnik voort: "de hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om 't niet te zien. De ouders van zulk 'vee' krijgen in dit leven de kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als..."
Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra--die lijkbleek was geworden--had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op 't hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel.
Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen.
"Laat me begaan!" riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn verbijstering hersteld. "Die niet dood wil, moet me laten begaan!"
Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën.
"Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!" stamelden enkelen.
Maar niemand, zelfs niet de _alférez_, waagde het om naderbij te komen. Men zag 't mes flikkeren en dacht aan de kracht en den gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd.
"Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik 't op me. Ik heb gedaan wat ik kon om 't te vermijden. God heeft 't zoo gewild, laat God beslissen!"
De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen.
"Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling..."
En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: "Eerst dit: Is er onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg, priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht, is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld."
De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen in beroering.
"Laat me begaan," schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende stem. "Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn vader was een man van eer. Vraagt 't gerust aan 't volk hier: dat houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij heeft zich voor mij en 't welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende bij hem om hulp kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd 't goede gedaan, en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad, hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan 't dweepzieke volk als 't ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters, heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen, zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig, terwijl u verweg in 't buitenland waart?... Hebt u later zijn naam hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!"
Hij hief het mes op, maar een jong meisje liep ijlings op hem toe en hield met haar teedere handen zijn arm tegen. 't Was Maria Clara.
Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij 't lichaam van den monnik los. 't Mes ontgleed hem. En 't gelaat met beide handen bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg.
Spoedig was het gebeurde in 't dorp bekend. In den beginne wilde niemand 't gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest, uitte een ieder luide zijn verbazing.
Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk peil.
"Padre Dámaso is dood!" zeiden er sommigen. "Toen ze hem van den grond opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer."
"Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende loon!" riep een jongmensch uit. "Als je 's wist wat hij van morgen in 't klooster gedaan heeft... 't Is niet om te zeggen."
"Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel gegeven?"
"Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel 't ons."
"Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de sakristie de kerk uit zien gaan?"
"Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg naar."
"Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem gevraagd waarom hij heen was gegaan. 'Ik versta geen Tagaalsch, pater' zei hij. 'En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch was?' Dat schreeuwde hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd 't een formeele vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden."
"Dat moest mij 's overkomen"... mompelde een student binnensmonds.
"Ik keur 't optreden van den Franciskaan af," antwoordde een ander, "want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen."
"Dan is 't maar goed ook dat hij 'op zijn ziel' gehad heeft!"
"En toch moeten we tegen 't gebeurde opkomen," riep een andere student uit. "Als we ons stilhielden, zou 't net zijn alsof we 't goed vonden, en dan kon 't zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer naar de tijden van Nero terug!"
"Je vergist je!" gaf een ander te kennen, "Nero was een groot kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!"
De commentaren der oudere menschen waren anders.
Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den gouverneur--Capitán Generaal--wachtte, zeide de burgemeester:
"'t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de voorzichtigheid had betracht..."
"Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra's voorzichtigheid had gehad, wilt u misschien zeggen?" viel Don Filipo in. "'t Kwaje is, dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch."
"En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?" vroeg Capitán Martin.
"Geen enkele van de _frailes_, en de _alcalde_ ook niet? Hm! Erger kon 't al niet! Ik zou niet graag in 't vel van dat jongemensch steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest is. Erger kon 't al niet, hm!"
"Gelooft u dat heusch?" vroeg Capitán Basilio vol belangstelling.
"Ik verwacht", zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik verwisselde, "dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu voor ons doet. En als misschien de menschen in 't dorp uit vrees hun mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden..."
"Maar, heeren," vroeg de burgemeester, "wat kunnen wij nu doen? Wat kan 't volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen altijd gelijk."
"Ze krijgen 'altijd' gelijk, omdat wij hun dat 'altijd' geven," gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat "altijd" drukte. "Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we 's verder kunnen praten!"
De "gobernadorcillo" krabde zich achter zijn oor, keek naar de zoldering, en antwoordde scherp:
"Och, wat 'n warmbloedigheid! 't Lijkt wel alsof u nog niet weet, in welk land we zijn en onze landlui niet kent. De _frailes_ zijn rijk en steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar 's hem te verdedigen, en u zult 's zien hoe ze u alleen laten zitten!"
"Jawel!" riep Don Filipo vol bitterheid uit, "dat zal gebeuren zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op 't goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak."
"Nu goed, u moet maar 's eerst aan een ander denken en dan aan uzelf, en u zult 's zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u 't Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint met zichzelf?"
"Waarom zegt u niet liever," antwoordde de teniënte mayor buiten zichzelve van ergernis: "dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den _alcalde_: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot nut te wezen... _Adios_!"
De vrouwen waren van een ander gevoelen.
"Och, och!" zuchtte er een, die er goedig uitzag, "die jonge menschen toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och God! Als ik toch 's bedenk, dat mijn zoon ook zoo iets kan overkomen, want dat 's ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet."
"Nu, ik niet," antwoordde een andere vrouw, "ik zou er geen verdriet van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam."
"Wat zegt u, _Capitana_ Maria?" riep de eerste uit, en sloeg de handen in elkaar.
"Ik mag 't zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn ouders. _Capitana_ Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe, kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog en geen woord er tegenin zei?"
"Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!" riep een derde uit. 't Was zuster Roefa. "Maar..."
"Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!" viel de goedige _Capitana_ Finay in, "een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet, wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik 't besterven zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen zien...maar wat komt 't er toch bij u op aan, _Capitana_ Maria?"
"In allen gevalle," voegde zuster Roefa erbij, "moet men nooit vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen een gewijd persoon, een heilig man."
"De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger," hervatte _Capitana_ Maria. "Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre Dámaso, mag zoo'n heilige nagedachtenis ontwijden!"
"Dat is waar!" mompelde _Capitana_ Finay vol bewondering voor de wijsheid der beide anderen, "waar haalt u toch zulke mooie redeneringen vandaan?"
"Ja, maar hoe is 't dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?" vond la Roefa nog in te brengen. "Wat beteekenen eer en goede naam in dit leven, als we onze verdoemenis in 't leven hiernamaals bewerken? Alles is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!"
"God zal 't wel vergeven, want 't is zijn gebod vader en moeder te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd: iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!"
"Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles zorg ik voor 't heil van mijn ziel. Wat zegt u, _Capitana_ Finay?"
"Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet 't niet, ik ben maar 'n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog wel naar Europa!"
"Wat denkt u dan te doen?"
"Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft 't of ie wat meer weet? Morgen of overmorgen gaan we toch dood, de geleerde menschen evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven."
En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel.
"Nu", zei _Capitana_ Maria ernstig, "als ik rijk was zooals u, dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: 't zijn jongelieden, en 't zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te leven...we zouden elkaar in 't andere leven terugzien. Zoons moeten er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?."
"Och, wat 'n vreemde ideën heeft u!" riep Capitana Finay ontsteld uit, en sloeg weer de handen in elkaar. "'t Is net of u geen pijn geleden heeft, toen u uw tweelingen kreeg!"
"Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden..."
"Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het voorschrijft!" zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon.
"Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man 't me geleerd."
"Al uw ideën, Capitana Maria," zeide la Roefa op een preektoon, "zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar 's zuster van den Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of van Sinte Clara!"
"Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel, zal ik zien zuster van de heiligen te worden," antwoordde de ander lachend.
Op 't marktplein zitten eenige landlieden te praten onder 't daar opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep zit erbij.
"Wat me 't meeste spijt," zei deze, "is dat de school nu niet afkomt."
"Hoe zoo, hoe nu?" vroegen de omstanders vol belangstelling.
"Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt niets van! Er komt geen school meer!"
"Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?" vroeg een ruwe, stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd.
"Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een _pilibistiro_ is. Er komt geen school!"
Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen.
"En is dat iets leelijks, die naam?" waagde ten slotte de stoere landbouwer te vragen.
"'t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!"
"Erger dan _tarantado_ en _saragaté_?" [38]
"Was 't dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden, en dat heeft me koud gelaten."
"Och kom, 't zal toch niet erger zijn dan 'indio', zooals de _alférez_ ons noemt." [39]
De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de ander krabt zich achter zijn oor en denkt na.
"Dan is 't zeker net zooals _bitlopora_, (_vete á la porra_, loop naar de weerga!), wat de 'ouwe' van den _alférez_ altijd zegt! Nog erger dan dat is spugen op de hostie."
"Nu dan, 't is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag," antwoordde hij ernstig. "U zult zich wel herinneren, dat het woord _ispitjoso_ [40], als het op iemand toegepast werd, voldoende was om te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord of naar de gevangenis bracht. Nu, _pilibistiro_ is veel erger: als ze je eenmaal _pilibistiro_ noemen, ga dan maar dadelijk biechten en betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je laat ophangen. Dat zeggen de lui die 't weten kunnen."
Allen waren onder den indruk.
"Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als ik me ooit _pilibistiro_ laat noemen!" zwoer onze boer terwijl hij zijn vuisten balde. "Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was, en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!"
"De eerste de beste 'guardia civil' die ik kippen zie stelen, noem ik _pilibistiro_...en dan ga ik dadelijk biechten", mompelde heel zachtjes een der landlieden, terwijl hij zich van 't gezelschap verwijderde.
XXXIV.
't Eerste wolkje.
Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng, haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken, zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban hadden gegeven.
Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn huis voor de waardige "ontvangst" van den gouverneur, was naar het "klooster" opgeroepen.
"Schrei maar niet, kindje," zeide tante Isabel onder 't zemen der glimmende spiegelvlakken, "ze zullen den ban wel opgeheven krijgen, ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een flauwte gehad...hij is niet dood!"
"Schrei niet," zei Andéng zacht tot haar, "ik zal wel zorgen, dat je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je 't maar aan den pastoor zegt."
Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het antwoord op veel vragen; doch 't gelaat van Capitán Tiago verkondigde ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen.
"Wat is er, Santiago?" vroeg tante Isabel vol bezorgdheid.
Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg.
"Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?"
"Wat ik wel gevreesd had!" barstte hij eindelijk half schreiend los. "Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af te breken; als ik 't niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier namaals! Ze zeggen allemaal 't zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig duizend _peso's_ schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend peso's of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik 't geweten had, als ik 't geweten had, als ik 't geweten had!"
Maria Clara snikte.
"Schrei niet, mijn kindje," hervatte hij, zich tot haar wendend. "Jij bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je tot aanstaande..."
Maria Clara hield de ooren dicht.
"Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?" riep tante Isabel. "Haar nu met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?"
"Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is rijk...Spanjaarden trouwen alleen om 't geld...maar wat wil je dat ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar loopt, maar ook mijn lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!"
"Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?"
"De aartsbisschop is ook _fraile_, en de aartsbisschop doet niet anders dan wat de _frailes_ hem zeggen. Maar Maria, je moet niet schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend _peso's_! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als 't me vanavond ten minste maar wat meeliep!"
't Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel, muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg, en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden!