Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 18

Chapter 184,058 wordsPublic domain

De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil gebogen, Ibarra's bewegingen angstvallig volgde.

Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en kalk werd omgeroerd, door 't zachte geruisch der gelukwenschen heen, die de beambten voor zijn rede tot den _alcalde_ richtten.

Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan 't toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als een stormram tegen 't getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.

Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan, te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil en 't steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met een ontzettenden blik naar 't lijk van een man, dat aan zijn voeten lag, half begraven onder de balken.

"Bent u niet dood?--Leeft u nog?--Om Gods wil, spreek toch!" zeiden eenige beambten vol ontzetting en deelname.

"Een wonder! Een wonder!" riepen er eenigen.

"Laten er menschen hier komen om 't lijk van den stakkerd weg te halen!" zei Ibarra als uit een droom ontwakend.

Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven, en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.

Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde, liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.

"Wie is er dood? Of leeft hij nog?" vroeg de _alférez_.

Men herkende in 't lijk den gelen man, die naast de draaispil gestaan had.

"Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van 't werk!" was 't eerste dat de _alcalde_ kon uitbrengen.

Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar 't hart klopte niet meer. De slag had hem aan 't hoofd getroffen, en 't bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende, zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.

De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen:

"God is rechtvaardig, God is goed!"

"Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar gestaan heb!" zeide een der beambten tot Ibarra, "verbeeldt u dat ik de laatste geweest was! Jezus!"

"De haren rijzen me te berge!" zeide er een, die half kaal was.

"'t Is maar goed dat _u_ zoo iets overkomen is, en niet mij", mompelde een oud kereltje, dat nog beefde.

"Don Pascual!" riepen eenige Spanjaarden.

"Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als _ik_ niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan zijn, alleen door er aan te denken."

Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria Clara's toestand.

"Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten, meneer Ibarra!" zeide de _alcalde_.

"God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch 's die steen op u gekregen had!"

"Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!" riep de notaris uit. "Ik heb 't wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar beneden. Ik heb 't wel gezien!"

"De doode is maar een inlander!"

"Laat 't feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer levend met treuren. _Capitán_, hier moeten de noodige maatregelen genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van 't werk moet in hechtenis genomen worden!"

"Ja, in 't blok!"

"In 't blok! Hei, muziek, muziek! De baas in 't blok zetten!"

"Meneer de _alcalde_," zeide Ibarra op ernstigen toon:

"Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen, van wien we in 't geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste dagen ten minste."

"Goed! Goed! Maar laat 't hem niet weer gebeuren!"

Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was, stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van zijn parochie toeschreef.

Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk, op 't oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had, en de gele man niet: 't was dus klaar als de dag.

"Zie je? Jij woû niet naar de mis," zeide een moeder tot haar zoon, "als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu ook naar 't raadhuis, in een kar, net als die daar!"

Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld, naar 't raadhuis vervoerd.

Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden.

"Een leelijk begin, hm!" zei de oude Tasio en verwijderde zich.

XXXII.

Vrije gedachten.

Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een landbouwer was die hem te spreken vroeg.

Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek en scheikundig laboratorium.

Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante van Elias voor zich staan.

"U heeft mijn leven gered", zeide deze in de landstaal, Ibarra's houding begrijpende. "Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald, en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u om een gunst te vragen..."

"Zeg op!" antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den toon van ernst van den landbouwer.

Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte:

"Wanneer 't gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen, verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u in de kerk gegeven heb."

"Maakt u niet ongerust", antwoordde de jongeman eenigszins ontstemd. "Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van aanbrengerij."

"O, 't is niet om mij, 't is niet om mij!" riep Elias ietwat levendig en fier. "'t Is om u. _Ik_ vrees niets van de menschen."

De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer--de vroegere loods--sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden.

"Wat wilt u zeggen?" vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man verwonderd aankeek.

"Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In 't belang van uw veiligheid is 't noodig dat uw vijanden gelooven, dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest."

Ibarra schrok.

"Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?"

"Die hebben we allemaal, meneer, van 't kleinste insekt tot den mensch toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de wet van 't leven!"

Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan.

"U bent geen loods en geen landbouwer!..." mompelde hij.

"U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen", ging Elias voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. "U beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in 't leven zijn 't niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken, maar mannen van eer."

"Kent u mijn vijanden?"

Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na.

"Een heb ik er gekend, die doodgegaan is," antwoordde hij.

"Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in 't schild voerde tegen u, doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde, die in de menigte verdween. 'Die zal niet door de visschen opgegeten worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen 's zien', zei hij. Die woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden aangeboden bij den baas van 't werk, met het uitdrukkelijke verlangen om de werkzaamheden te leiden bij 't neerlaten van den steen. Hij vroeg daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik, om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard, dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond."

Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken.

"'t Spijt me dat die man dood is gegaan!" hervatte hij eindelijk. "We hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!"

"Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist, God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!"

Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan, en zijn gespierde armen ziende, die vol striemen en groote blauwe vlekken waren, zeide hij lachend:

"Gelooft u ook aan 't wonder? Daar heb je nu 't wonder waarvan 't volk spreekt!"

"Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven; dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis had geschapen," antwoordde hij hoog ernstig; "maar ik geloof in Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik, ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij werd getroffen, en ik kwam vrij."

"U? Dus u?"...

"Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn, die recht heeft over het leven. Laat 'n mensch er nooit aan denken hem te vervangen!"

"En toch heeft u dezen keer..."

"Nee!" viel Elias in, de tegenwerping gissende.

"Dat 's niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan 't zelfde gevaar blootstelde dat hij voor anderen beoogd had, dezelfde kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem laten dooden."

"Gelooft u niet aan toeval?"

"Aan 't toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen: beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is 'n wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in 't verstand, dat de wereldmachine bestuurt."

"Wie bent u?" vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. "Heeft u gestudeerd?"

"Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de menschen verloren heb," antwoordde de ander, de vraag ontwijkend.

Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen.

Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht en de meerderheid van sommige standen boven de andere.

"Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk recht aannemen, al is 't gebrekkig", gaf Ibarra terug. "Hoeveel dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken, die onze hartstochten opwekken. 't Is noodig, 't is noodzakelijk, 't is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!"

"Jawel, om 't goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren, niet om te vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht heeft. Maar," liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde, "deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op: u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb: u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor 't welzijn van uw land."

En hij nam afscheid.

"Wanneer zie ik u terug?" vroeg Ibarra.

"Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!"

XXXIII.

De maaltijd.

Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie aan den maaltijd.

De _alcalde_ zat aan 't eene uiteinde der tafel, Ibarra aan 't andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de _alférez_, de burgemeester, de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren, zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing.

Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen 't in vollen gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen, en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen.

Onze waardige _Capitán_ fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij ze op. Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd:

"Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn huis met een bezoek vereeren!"

En meteen zet hij 't op een loopen, telegram en servet in de hand, maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen.

De tijding dat de _toelisan's_ of roovers gekomen waren, zou stellig niet meer opschudding verwekt hebben.

"Hoort u 's even!" "Wanneer komt hij?" "Vertelt u ons toch 's! Z'n Excellentie!"

Capitán Tiago was al weg.

"Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!" riepen er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn aanstaande schoonzoon mee aanzaten.

"Hij kon geen betere keus doen!" antwoordde deze laatste.

De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen:

"De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt ons." Doch ze zwegen allen.

"Ik heb er gisteren al van gehoord", zeide de _alcalde_, "maar toen was Zijne Excellentie nog niet vast besloten."

"Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier denkt te blijven?" vroeg de _alférez_ ongerust.

"Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen."

"Daar komen nog meer telegrammen!"

Deze waren voor den _alcalde_, den _alférez_ en den burgemeester en bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten goed op, dat geen enkel telegram aan den pastoor gericht was.

"Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen, heeren en dames!" zei de _alcalde_ plechtig.

"We kunnen rustig ons maal beëindigen!"

Het gesprek hervatte zijn gewonen loop.

"Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!" zeide schuchter een van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan had, voor 't oogenblik dat het eten begon, en die nu voor 't eerst op dien dag sprak.

Allen die de geschiedenis van Crisóstomo's vader kenden, maakten een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: "Och loop, 't eerste wat je zegt is een onhandigheid!"

Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks:

"Hij moet wel een beetje moe zijn..."

"Wat, een beetje?" riep de _alférez_, "bekaf moet hij wezen, afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!"

"Een pracht, een reuzen-preek!" zei de notaris.

"Heerlijk, diepzinnig!" voegde de correspondent eraan toe.

"Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij", merkte Padre Manuel Martin op.

De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen.

"En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken," liet Padre Salvi volgen.

"Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele provincie heeft?" zeide de _alcalde_ om 't gesprek een andere wending te geven.

"Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets," gaf een der beambten ten antwoord.

Maria Clara kleurde.

"Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar niet letten," stamelde zij verlegen, "maar..."

"Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan," kwam de hoffelijke _alcalde_ haar te hulp.

"Meneer de pastoor," vervolgde hij luider, "ik merk op dat uw hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is..."

"Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!" riep Padre Sibyla op bijzonderen toon.

"Dat ben ik zoo gewoon," stamelde de Franciskaan, "ik hou meer van luisteren dan van spreken."

"Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te verliezen!" zei de _alférez_ schertsend.

Padre Salvi nam 't echter niet als scherts op; zijn blik schitterde even toen hij teruggaf:

"Meneer de _alférez_ zal wel weten dat ik 't niet ben die dezer dagen wint of verliest!"

De _alférez_ lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet gevoeld had.

In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch, want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste met het gebruik van 't eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing van zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing.

De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren.

"Stellig," zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn sirihpruimpje klaar te maken, "al is 't ook dat mijn man 't niet hebben wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen wel werken, en, als 't noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet--en die liegt niet--dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou, kijk maar 's naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al 't gezicht van den heiligen Vincent heeft!"

En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn vork met beide handen vasthield.

"God geve 't!" antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. "Als Andoy nog 's paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!"

"Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal 't niet vergeten, dat u hem rotan-manden en _dikin_-mandjes heeft leeren vlechten."

"Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog 's iets groots wordt, op z'n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die zoo gauw 't handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!"

En ons oudje vulde zijn _kalikoet_ of sirihzakje tot den rand.

"Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik Andoy zeggen: 'Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is, die mag vrij zondigen!'"

"Zend hem morgen naar mijn huis, Petra," zeide de oude man vol geestdrift, "ik zal hem leeren _nitô_-vlechtwerk te maken."

"Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed, met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?"

"'t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met _nitô_ werkt. Dan kan hij _salákot's_ (hoeden) en sigarenkokers verkoopen, hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo'n armen heilige, en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb."

"Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn zoon moet dokter worden. Niks beter dan dokter!"

"Dokter! Zwijg toch, buurman," antwoordde Petra.

"Er gaat niks boven pastoor!"

"Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken vereeren hem, buurvrouw!"

"Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier keer om, zegt: 'déminos pabiskoem,' eet onze Lieve Heer en krijgt geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!"

"En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de jonge meisjes...

"Ik wou dat ik maar 's een enkel weekje dokter was."

"En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo'n dokter ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: 'vette kip en rond been voor den pastoor.'"

"Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch?

"Die hebben zeker te klagen?"

"Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals zoo'n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt, dan doet hij 't met muziek en de kosters helpen hem erbij."

"En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?"

"Nou, dat 's ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat alleen maar zitten en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik wou dat ik 's pastoor was op een middag in den vasten tijd!"

"En 't... 't preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u maar 's opgelet hebben, hoe de 'groote pastoor' van ochtend zweette," bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor.

"Preeken? Preeken een werk? Hoe komt 't bij u op? Ik woû dat ik maar 's een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen, zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik 's pastoor mocht wezen, een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis bijwonen! Let maar 's op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al zijn standjes geven en ranselen!"

Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak kwijt raakte.

De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken.

Padre Dámaso's glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van den _alcalde_, vroeg hij te midden van een beteekenisvolle stilte:

"Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort."

"We waren aan de toasten," antwoordde de _alcalde_. "Meneer Ibarra was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester, toen uwe hoogeerwaarde..."