Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 17
De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden _guardia civil_, _toelisan_ (roover), _San Diego_ en _San Francisco,_ merkten op wat een leelijk gezicht de _alférez_ getrokken had en het krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de _toelisan's_ niet achtervolgde. San Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee belasten; en deden 't heel goed ook, zooals men dat zien kon op een schilderij, dat zich in 't klooster te Manila bevond, en waar de Heilige Franciskus alleen maar met 't koord van zijn kleed den inval der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp en twijfelden niet, of, als eenmaal de _toelisans_ verdwenen waren, de heilige ook de _Guardia Civil_ zou verdelgen. Ze volgden dus Padre Dámaso verder met verdubbelde aandacht.
De pater wond zich meer en meer op.
Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had.
Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen:
"Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in den tuin des Heeren!...
"Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af, werpt het in 't vuur...!"
Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en welsprekendheid vergeten.
Ibarra werd onrustig: hij keek om zich heen naar een leeg hoekje, doch de heele kerk was vol.
Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij van de gezegende zielen in 't vagevuur: zielen in de gedaante van spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die in 't vuur aan 't braden waren en zich vastklampten aan het koord van den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak.
De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den preek en sprong bij vergissing drie lange alinea's over. Padre Dámaso, die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna dus blindelings:
"Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige als Diego de Alcalá kan zoo iets doen.
"Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder: 'Zoo geneest men dezen kranke!'
"O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O, deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte talisman!"...
En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij wilde opvliegen of de vogels verschrikken.
"Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult, ook al leert ge 't en ranselt men er u voor, geen latijn spreken: Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken is een genade Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn!
"Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit zijn tijd."
En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had!
"Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt 't toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig, met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud des harten, kuisch met liefde..."
En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten heilige. Dan:
"God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door 't avemaria te bidden."
Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend groote horzels. De _alcalde_ boog met veel moeite een knie, en schudde ontstemd het hoofd. De _alférez_ zag bleek en scheen zeer onder den indruk.
Onderwijl was Padre Dámaso, insteê van 't avemaria te bidden, bezig zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van zijn beste alinea's overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee "spritsen" en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, 't zij van hout in den vorm van een duif, 't zij van vleesch in de gedaante van een afgetrokken monnik.
De preek in de landstaal zou beginnen.
Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze ontwaakte en vroeg gemelijk:
"Is 't al tijd om te huilen?"
"Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!"
Van het tweede deel der preek--in 't Tagaalsch--bezitten we geen enkele aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar dagen van te voren hield hij repetitie.
Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek begreep: de menschen waren zoo kort van bevatting en de prediker was "zoo diep", zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien, en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer in slaap.
Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het eerste, ten minste op sommige toehoorders.
Hij begon met een _Mana kapatir kon kristiano_ (Mijn broeders in Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de _mahal na santo pintakasi_ (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche zondaren en de deugdzame Franciskaner paters.
"Bliksem!" zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn kameraad: "Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!"
En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met zijn preek.
Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de heilige sakramenten, van gevloekte families, van trotsche opgeblazen halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes, studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen, zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens niets beters weten aan de hand te doen.
Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden, maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de _alcalde_ dommelde.
Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie nederknielde en hem de hand kuste. "Maar tegenwoordig," voegde hij eraan toe, "tegenwoordig neemt ge alleen de _salakot_ af--die ge schuin op het hoofd zet, om 't gekamde haar niet in de war te maken! Gij vergenoegt er u mee 'goeden dag, _among_!' [36] te zeggen en er zijn zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die, omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde: veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden."
En hij vermaande het volk, deze "wilden" toch vooral niet na te volgen, maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, omdat ze in de ban waren.
"Hoort wat de heilige conciliën zeggen!" bulderde hij. "Wanneer een inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij 't hoofd buigen en zijn hals aan den 'among' bieden om er op te steunen. Als de pastoor en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden, zijn _salakot_ of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen en niet weer opstijgen, voordat de pastoor _soeloeng!_ (ga heen!) tot hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën, en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden."
"En als iemand 's op een karbouw zit?" vroeg een angstvallige landbouwer aan zijn buurman.
"Dan...moet hij verder gaan!" antwoordde de laatste, die een casuïst was.
Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want 't ging met deze preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster _Poetê_ dacht aan heel wat anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl riep ze hem toe:
"Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!"
Zooals te begrijpen was ontstond er een tumult. De prediker zweeg stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande, ging ze vroom op haar knieën liggen.
"O zoo! O zoo!" kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen, kruiste de armen en schudde het hoofd.
"Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken, wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb 't wel gezegd, ha!"
En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De _alcalde_ snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud: hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara in een tuin. Dat beneden in 't dal de menschen met elkaar harrewarden, wat kon 't hem schelen!
Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was olie op 't vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog langer. Fray Sibyla beet zich op de lippen en verschikte herhaalde malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte.
Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd vermoeid en ging den preekstoel af.
Allen knielden, om God te danken. De _alcalde_ streek zich de oogen uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig _ah_! uit, en geeuwde.
De mis werd voortgezet.
Toen Balbino en Chananay het "Incarnatus est" zongen en iedereen nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra's oor: "Bij de zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid."
Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in de menigte verdween.
XXXI.
't Hijsch-toestel.
Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht, om 't ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; 't was niet de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol aan op te hangen. 't Was iets meer, 't was behalve een massief, ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.
Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van 't getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels, aan alle kanten neerhangend, gaven aan 't geheel een aanzien van stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige afmetingen vormden de bekroning.
Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in 't midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de geschiedenis van de stichting voor 't nageslacht moesten bewaren. De drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde deze draaispil de kracht van een man.
"Kijk", zeide 't gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien, "kijk, _Ñor Juan_, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op- en neerhaal... 't Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur, duim voor duim, 't op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen, terwijl ik hier boven sta te draaien."
_Ñor Juan_ kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo'n bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en aanmerkingen, en prezen den gelen man.
"Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?" vroeg Ñor Juan hem.
"Van mijn vader, mijn overleden vader!" antwoordde hij met zijn eigenaardig lachje.
"En uw vader?..."
"Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo."
"Ik wist niet dat Don Saturnino..."
"O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel 's zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult 't wel 's zien!"
En 't gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.
Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.
In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en overvloedige feestmaal aangericht.
Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In 't priëel stonden de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed, konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor 't dorstige publiek.
De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht, en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.
Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de _alcalde_. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben, en zoo'n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering gehouden worden.
Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. 't Was Elias die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn _salakot_ en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich 't beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil, aan de rand van de uitgraving.
Tegelijk met de muziek kwamen de _alcalde_, de leden van 't gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal 't zwakke punt bij Zijne Exellentie.
Capitán Tiago, de _alférez_ en nog eenige andere notabelen liepen omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.
"U kan altijd op mij staat maken wanneer 't een goed werk betreft," zei de _alcalde_ tot Ibarra. "U heeft mijn steun, en ik zal u alles verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat anderen het u verschaffen."
Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar 't vreemdsoortig getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.
De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap de kwast en 't wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van Padre Salvi beefde.
Onderwijl had men in 't kristallen kistje alles neergelegd wat erin moest--handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.--en 't geheel binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd toegesoldeerd.
"Meneer Ibarra, wilt u 't kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor wacht op u!" zeide de _alcalde_ 't jongemensch zacht in 't oor.
"Ik zou 't gaarne doen", gaf hij even zacht terug, "maar ik vrees dat ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden: meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!"
De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.
't Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld op zou komen te liggen.
Ibarra bood den _alcalde_ een troffel aan, op welk breed zilveren blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield nog eerst een toespraak in 't Spaansch.
"Burgers van San Diego!" zeide hij op deftigen toon, "wij hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij 't u zeggen. Er wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is."
En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning en 't doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.
Met een "leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en leve de katholieke godsdienst!" werd de toespraak besloten.
"Leve! Leve!" antwoordden veel stemmen. "Leve onze _Alcalde_!"
Daarna daalde deze statig in den kuil, bij 't inzetten der muziek. Hij legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde statigheid naar den beganen grond.
De beambten klapten in de handen.
Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken, die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde, onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de _alcalde_, doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.
't Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend, bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en de _alférez_ gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago werd niet vergeten.
Bleef nog Ibarra, en reeds zou 't bevel aan den gelen man gegeven worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid, zeide:
"Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?"
"Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook eten?" antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.
"Kom, kom!" zei de _alcalde_ en gaf hem een zacht duwtje. "Als u 't niet doet, geef ik order dat de steen in 't geheel niet neergelaten wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!"
Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende opening aan zijn voeten.
Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem tot Ñor Juan:
"Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!"