Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 16

Chapter 163,847 wordsPublic domain

De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met het '_liam po_'. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over pijn in 't hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het draaibord van de 'liam po' langzamerhand stilstaat, dan buigt hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet, want ik ken meer zulke gevalletjes.

't Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn vrouw is vroolijk en amuseert zich best.

je vriend Martin Aristorenas."

Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria Clara's zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den eersten feestdag. 't Luidde aldus:

"Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt, dat je niet ernstig ziek bent.

Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als Padre Dámaso er niet geweest was--die heeft getracht mij af te leiden door me allerlei dingen te vertellen--had ik me in mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken, voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten; zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.

Maria Clara."

"P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de eerste-steen-legging. 't Ga je goed."

XXVIII.

De Morgen.

De muziek blies de reveille bij 't eerste morgenkrieken, en deed door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het gepaf en geknal begon.

Het was de laatste dag van 't feest, de eigenlijke groote feestdag. Men vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren talrijker dan die van de _Allerheiligste Rozenkrans_ en de leden dezer broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.

Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:

"Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen ze wel bekeeren."

De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker gestreept hemd van _sinamai_ [34], tot aan den hals toegeknoopt, gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.

"U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!" zeide de _teniënte mayor_ tot hem. "Vindt u 't niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier hebben? Er is immers zooveel om over te schreien."

"Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!" antwoordde de oude man. "'t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en nood om ons heen is! Och, ik begrijp 't wel: 't is een zwelg- en bras-partij, om 't zwijgen op te leggen aan al 't geklaag!"

"U weet wel dat ik 't met u eens ben," hervatte Don Filipo, half ernstig, half lachend. "Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?"

"Je ontslag nemen!" antwoordde de filosoof en verwijderde zich.

"Mijn ontslag nemen," mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk opwandelde. "Mijn ontslag nemen!

"Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning, ja dan nam ik mijn ontslag!"

De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. 't Rook er naar buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten, vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen, en maakten de jongens aan 't lachen. Een muziek-korps speelde voor het klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden, of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer van 't feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend schouwspel aan.

De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee, gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging het karakter van een ruzietje aan.

Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de "dalmatiek"--'t witte priesterkleed--, een als die van den vorigen dag, waarover de waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn, behoorde de _alcalde_ der provincie en tal van andere Spanjaarden en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken, want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de _alférez_, hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke, om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging, dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.

Toch scheelde 't weinig, of onze correspondent had al wat hij geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan; nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die zich van 't leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de hoogte gesteld had--behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis lezen--vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso's orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle _pidjet_-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn gebraden kip en zijn half "Laguna"-kaasje, die hij anders alle morgens verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.

"Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!" zeiden de zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.

"De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen," mompelden de zusters van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden, dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.

Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van 't zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon er iets nieuws bij was: de broederschap der _Hermanos Ferceros_. Oude mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen, van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van 't "klooster" te Manila, vanwaar 't volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet verlaagd worden. In 't zelfde klooster en in 't gesticht van tante Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden, veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder, versletener en onbruikbaarder geworden zijn.

De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil van 't weelderig kringetje _negrito_-achtig kroeshaar om de kruinschering. [35] Zijn kleed was van goud-omboord satijn.

Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen, dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste al een statig uiterlijk miste, 't zalvende had hij in hooge mate; hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren dezelfde _baranggay_-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu, behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid, dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der medemenschen.

De "coadjutor" met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan 't reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog ernstiger en deftiger gezicht zette.

Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door 't geluid van "bommen", geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen, die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer, en baden ze vurig "credo's" en "groetenissen."

Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago, Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de "pluviale", die hij over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier kwam te vallen.

Op straat, onder 't venster, was een jonge vrouw met innemende gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de armen. 't Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.

Toen ze den pastoor zag, strekte 't wichtje de handjes naar hem uit, lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik dat het stil was, stamelend: "Pa... pa!" "Papa!"

De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van 't kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.

Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden die getuige waren geweest van 't tooneeltje glimlachten. De gewone bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.

En met dat al hadden de menschen 't mis: de pastoor kende die vrouw zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.

XXIX.

In de kerk.

Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al 't bestaande als woning aangewezen hadden was propvol.

Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk "ai" opklonk. In de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te bevochtigen, maar dan kwam op 't laatste oogenblik de menschengolving en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw, die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in 't wijwater te verfrisschen--een vocht dat al een modderkleurtje had, waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen hadden--streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin, voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De jonge menschen--'t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel--maakten ternauwernood het uiterste puntje van een vinger nat--dan konden de vromen ten minste geen aanmerking maken--en deden alsof ze hun voorhoofd even aanraakten. Allicht dacht 't een of andere jongmeisje: "'t Mag gewijd wezen en al wat je wil, maar 't heeft een kleurtje!..."

Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid waard. Zijn preek kostte aan 't dorp twee-honderd-vijftig _peso's_. De oude Tasio had gezegd:

"Twee-honderd-vijftig _peso's_ voor een preek! Een man en een heer! 't Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!"

"Wat heeft dat nu met de komedie te maken?" antwoordde gemelijk de zenuwachtige meester der Derdebroeders. "Met zoo'n komedie ga je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend gevraagd had, zouden we 't hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar voor wezen..."

"Alles wel beschouwd, heb je gelijk!" hervatte onze wijsgeer. "Ik ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie."

"Nou _pleizier_ heb ik van de komedie ook niet!" riep de ander woedend.

"Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van 't een als van 't ander."

En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem aangaande zijn hiernamaals uitsprak.

Wachtende op de komst van den _alcalde_ stonden de menschen te transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten Rozenkrans.

"Laat de kinderkens tot mij komen," zeide onze Heer Jezus Christus, dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die niet schreien.

Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê, zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar neergeknield lag:

"Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als op Goeien Vrijdag!"

En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en fronste de wenkbrauwen.

Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was, om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon zij hem na te doen.

Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken, die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem voor een tweeden burgemeester, en waagden 't niet hem te naderen.

Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die op een tapijt stonden. De _alcalde_ was in groot costuum, met de sjerp van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst.

Het volk herkende hem niet.

"Wel kijk!" riep een landbouwer, "een burger als komediant gekleed!"

"Onnoozele hals!" antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, "'t is Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!"

De _alcalde_ rees in de achting van 't volk, want zoo was hij in hun oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen.

De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door het luiden van 't belletje en de welluidende stem der zangers. Padre Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken optraden.

Ieder zong goed, toen 't zijn beurt was; al was 't meer of minder een neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf: zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch, tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het "Dominus Vobiscum" met zalving uit, terwijl hij 't hoofd eenigszins op zij hield, en naar de zoldering opkeek. Bij 't opsnuiven van den wierook hief hij zich op, wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar 't midden van 't altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen--die voor Keizer gespeeld had.

"Daar gaat toch niets af," dacht hij, "een enkele pastoor van ons is statiger dan alle keizers bij elkaar."

Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent 't zou uitdrukken. De _alcalde_ en overige waardigheidbekleeders volgden. De muziek zweeg.

Deze overgang van 't gedruisch tot de stilte deed de oude zuster Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan 't snurken gegaan. 't Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. 't Kind gilde, maar werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen.

Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat op den grond op hun eigen beenen.

Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij verdween bij 't opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven, dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik van minachting naar Padre Manuel Martin, den prediker van den vorigen dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen: "opgepast, broeder!" Het schrijfboek werd opengelegd.

Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen.

XXX.

De Preek.

Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij:

_Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti._

(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw _manna_ hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst.)

Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20.

Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan 't zijne...

't Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen op de leuning van 't gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw opgeschilderd, netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes.

"Hoogedelgestrenge Heer (tot den _alcalde_), eerwaardste priesters, christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus."

Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf.

Het eerste gedeelte van de preek zou in 't Spaansch wezen, en het andere in 't Tagaalsch: "_loquebantur omnes linguas_ (Ze spraken alle talen)"

Na de toespraken en 't zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak op den _alcalde_ gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij 't bovenlijf achterover en wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De _alférez_ maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap getoond met haar middeltjes.

"Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk, de lucht is het voertuig van 't heilig goddelijk woord, dat van mijn lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de vogelen der Hel ze opeten, maar opdat gij groeit en gedijt gelijk een heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel, die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon, den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de hemelsche _Guardia Civil_, dapperder dan al de guardias Civiles bij elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De _alférez_ fronste de wenkbrauwen) Ja, meneer de _alférez_, dapperder en machtiger, die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige _toelisan_ der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer, en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk fenomeen is de zalige Diego Alcala, die...."

En zoo ging 't door.