Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 12
Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu's smakelijke beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men hem zou brengen naar 't bosch met den geheimzinnigen boom, in welks nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd.
Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen het bosch in.
Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen, als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, dragend robijnen en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt, het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre takken, die onder 't vallen overal blijven haken, waren de eenige geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis.
Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten, zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij.
"Ik wil 's zien of ik een nest kan vinden", zeide een mooie, lieve stem die den pastoor welbekend was.
"Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal willen volgen."
Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon te luisteren.
"Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet: die beloert je immers overal?" antwoordde een vroolijke stem. "Pas maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!"
"Nee, nee, 't is geen jaloezie, 't is louter nieuwsgierigheid!" gaf het zilver-stemmetje terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde: "ja zeker, jaloezie, jaloezie!" en daarna weer schaterlachte.
"Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen maken, zoodat niemand hem zien kon".
"Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat 's goed. Het beste is dat--als we 't nest vinden--we 't aan den pastoor cadeau geven: dan zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou je dat niet lijken?"
"Ik geloof niets van de reiger-nesten", hervatte de ander. "Maar, als ik 's op 'n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!"
"Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?" [20]
Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd.
"Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!"
Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de oppervlakte van het water, om naar 't geheimzinnig reiger-nest te zoeken. Ze liepen tot de knieën in 't water. De ruime plooien van hun badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder 't zoeken naar 't fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen en moeskruiden aan den oever.
De Akteon-geestelijke [21] sloeg bleek en roerloos de kuische Diana's daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen, werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen.
Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest van het gezelschap op te zoeken.
Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren, bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen zien baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in 't bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden zich de _alférez_, de _coadjutor_, de burgemeester, zijn _teniënte mayor_ of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen _capitan's_, _teniëntes_ of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio, de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: "we zijn 't oneens over een rechtskwestie, en 't oneens zijn wil nog niet zeggen vijanden zijn." En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan.
De pastoor werd door allen, zelfs door den _alférez_ met eerbied en onderscheiding ontvangen.
"Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?" vroeg de laatstgenoemde, toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. "Bent u gevallen?"
"Nee, ik ben verdwaald!" antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken.
Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge "klappers" opengeslagen, opdat zij die uit het bad kwamen het frissche water en het malsche vruchtvleesch--nog blanker dan melk--zouden kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans van tjempaka (of _sampaga_, zooals men daar zegt), waartusschen rozen en _ilang-ilang_ gevlochten waren, die het loshangende haar parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten, die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes.
Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de geheimzinnige en vermaarde "loods" nergens te zien: hij was reeds verdwenen vòor de _alférez_ aangekomen was.
Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold Crisóstomo, en 't eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze bespeurde het en zuchtte diep.
't Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de _alférez_, de burgemeester en nog eenige _capitan's_ met de vice-burgemeester of _teniënte mayor_ gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man aan de tafel der jonge meisjes aanzat.
"Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals in de bootjes, hoor," zeide Leon tot den oud-seminarist.
"Wat? Wat is dat?" vroegen de oudere vrouwen.
"De _bangka's,_ dames, waren net zoo gaaf als dit bord," verklaarde Leon en wees op zijn bord.
"Mijnheer de _alférez_, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso heeft mishandeld?" vroeg Padre Salvi.
"Van welken kerel, mijnheer de pastoor?" riep de _alférez_ uit, terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken, den geestelijke aankeek.
"Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre Dámaso onderweg heeft afgeranseld!"
"Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!" vroegen er verscheidenen.
De coadjutor scheen in zijn schik.
"Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed!
"Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft gesmeten, mijnheer de _alférez_."
De _alférez_ kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn.
"Och, ik dacht zoo," hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig, "dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van de _guardia civil_..."
De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte verontschuldiging uit.
Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo geruischloos dat men haar 's nachts voor een schim zou gehouden hebben.
"Geef wat te eten aan die arme vrouw!" zeiden de oudjes. "Hei, kom 's hier!"
Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en 't mes waarmee hij at, viel hem uit de hand.
"Geef die vrouw wat te eten!" beval Ibarra.
"De nacht is donker en de kinderen verdwijnen," mompelde de bedelares.
Maar bij 't zien van den _alférez_ die haar toesprak, ontstelde de vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen 't geboomte verdwenen.
"Wie is dat?" vroeg hij.
"Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de schrikken die ze doorstaan heeft," antwoordde don Filipo. "Ze is al vier dagen zoo."
"Is 't misschien een zekere Sisa?" vroeg Ibarra belangstellend.
"Ze is door uw soldaten opgepakt", ging de _teniënte mayor_ met zekere bitterheid voort, steeds tot den _alférez_ sprekende, "ze zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is."
"Hoe nu?" vroeg de _alférez_ zich tot den pastoor wendend, "is 't misschien de moeder van uw twee kostertjes?"
De pastoor knikte.
"Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten kunnen komen!" voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de oogen neer.
"Ga die vrouw zoeken!" gelastte Crisóstomo aan de bedienden. "Ik heb beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven zijn..."
"Wat is er verdwenen, zegt u?" vroeg de _alférez_.
"Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?"
De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte.
"Caramba, mijnheer de pastoor!" riep onze krijgsman spottend, en vol pret dat hij zich 's wreken kon, "er verdwijnen een paar zilverstukken van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en 'uwe weleerwaardigheid' zegt niets... En u, mijnheer de _Capitán_... 't Is ook waar dat u..."
En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl hij zijn lepel diep in 't roode vruchtvleesch van een wilde _papaja_ stak.
"De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor 't geld..."
"Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!" viel de _alférez_ met vollen mond in. "Een pracht van een antwoord, heilige man!"
Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar zelfbedwang en een verknepen lachje terug:
"En weet u, mijnheer de _alférez_, wat er verteld wordt van 't verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag 't dan maar 's aan uw soldaten!"
"Hoe dat zoo?" vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend.
"Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten gehoord zijn!"
"Verscheidene schoten?" herhaalde de _alférez_ en keek de omstanders verbaasd aan.
Men knikte bevestigend.
Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon:
"Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het spreekwoord van de beste stuurlui?"...
"Heeren!" viel Crisóstomo in, ziende dat de _alférez_ bleek werd, "naar aanleiding hiervan zou ik 's willen weten, wat de heeren denken over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp en raad naar haar kinderen te zoeken."
De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging.
Toen 't eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd, verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen doen aan het "Rad van Fortuin."
"Kom, mijnheer Ibarra!" riep Capitán Basilio, die wat heel vroolijk begon te worden, "we zijn nu al vijftien jaar aan 't procedeeren, en er is geen rechter van de _audiencia_ die de zaak uitmaakt: laten we 's zien, of we 't schaakbord kunnen laten beslissen."
"Onmiddellijk en met heel veel genoegen!" antwoordde de jongeman. "Een oogenblik, want de _alférez_ wil afscheid nemen."
Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen, behalve naar zijn toespreeksters.
Het spel begon met grooten ernst.
"Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor," zeide Ibarra.
Midden onder 't spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen met de toekomst te ondervragen.
"Schaak aan den koning!" zeide de jonge man.
Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin te verbergen.
"Schaak aan de koningin!" zeide de ander weder en dreigde haar met zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd.
Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán Basilio bedenktijd.
"O gaarne!" antwoordde Ibarra. "Ik had net wat te vragen aan enkelen uit dat groepje daar."
Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd.
Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek.
"Dat 's gelogen! Dat is niet waar! Dat is 'n puur verzinsel!" riep Sinang op huilerigen toon.
"Wat overkomt je?" vroeg Maria Clara.
"Stel je voor; ik vraag: 'Wanneer zal ik verstandig worden?' Ik gooi de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in 't boek: 'Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!' Hoe vind je dat?"
En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze bleef lachen.
"Wie zegt je ook om zoo'n vraag te doen?" zeide haar nichtje Victoria. "Je verdient dat je zoo'n antwoord krijgt!"
"Doe eens een vraag!" zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf voor. "We hebben afgesproken dat wie 't beste antwoord kreeg, een geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een vraag gedaan."
"En wie heeft het beste antwoord gekregen?"
"_Maria Clara, Maria Clara_!" riep Sinang. "We hebben haar of ze woû of niet, laten vragen: 'Is zijn liefde trouw en standvastig?' en 't boek heeft geantwoord..."
Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den mond en belette haar zoo verder te spreken.
"Nu, geef me dan maar 't rad!" zeide Crisóstomo lachend.
"Ik vraag: 'Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?'"
"He, wat 'n leelijke vraag!" riep Sinang uit.
Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen, werd bladzijde en regel opgezocht.
"Droomen zijn droomen," las Albino op.
Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend:
"Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!" riep hij vol vreugde uit... "Lees maar!"
"Plan school goedgekeurd; uitspraak over 't andere gunstig."
"Wat beteekent dat?" vroeg men om hem heen.
"Was er niet zooeven gezegd dat degeen die 't beste antwoord ontving een cadeau zou krijgen?" vroeg hij met een van aandoening bevende stem, terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde.
"Ja, ja!"
"Nu goed, dit is mijn geschenk," zeide Ibarra, terwijl hij de eene helft aan Maria Clara overreikte. "Ik wil in het dorp een school voor jongens en meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen.
"En wat wil dat andere stuk zeggen?"
"Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft."
"Dan krijg ik 't! Dan is 't voor mij?" riep Sinang.
Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel.
"En wat wil 't nu zeggen?"
Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij hervatten.
Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van vreugde weg.
Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen, maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen.
"Wat is dit?" kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek opnam en er in bladerde.
"Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje," antwoordde León.
"Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te gelooven?" zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen.
Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen.
"'t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom, zonder de toestemming van den eigenaar!" gaf Albino terug, terwijl hij opstond.
"Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen verboden."
Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar het overschot van 't boek dat kort te voren haar zooveel vreugde verschaft had.
Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino's woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren, die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in 't bosch, andere raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan, om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen, die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen.
"'t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!" mompelde Sinang. "Hij heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: 'Lach maar niet, ik ken je zonden.'"
Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken of acht te slaan op de zetten die hij deed.
Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging.
"'t Proces wordt opgeschort!" zei Capitán Basilio vroolijk.
"Stellig, we schorten 't op!" herhaalde Ibarra, "wat ook de beslissing van de rechters mag zijn."
Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze.
Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling de komst van vier _guardia civiles_ en een sergeant, allen gewapend en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder de vrouwen.
"Stil iedereen!" riep de sergeant. "Die zich verroert wordt neergeschoten!"
In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad op den man toe.
"Wat wenscht u?" vroeg hij.
"De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias, die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft," was het dreigende antwoord.
"Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!" hervatte Ibarra.
"Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een geestelijke vergrepen heeft..."
"O, is dat de loods?"
"Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten naam op uw feesten toe, meneer Ibarra."
Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine minachting:
"Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats aan onze tafel gekregen hebben.
"Evenals uw _alférez_: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap."
En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe.
De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen:
"Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!"
Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was.
De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en allerlei kommentaren werden er gemaakt.
"Dus dat is diezelfde Elias, die den _alférez_ in de modder heeft gesmeten," zeide Leon in gedachten.
"En hoe was dat? Hoe ging dat?" vroegen eenige nieuwsgierigen.
"Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg regenachtig was, de _alférez_ iemand tegenkwam met een vracht hout op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat de _alférez_, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de _alférez_, die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout en gaf daarmee het paard zoo'n slag op den kop dat het neerviel en zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die de _alférez_ hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was gewoon blind van woede en van de modder. Toch wist hij niet wie hem de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen, zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden bekend gemaakt bij de _guardias civiles_ van enkele dorpen."
"Is het dan een _toelisan_ (roover)?" vroeg Victoria vol angst.
"Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen _toelisan's_ gevochten heeft, die een huis wilden plunderen."
"Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!" voegde Sinang eraan toe.
"Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen," antwoordde Maria Clara peinzend.
Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar 't dorp.