Noli me tangere: Filippijnsche roman
Chapter 11
Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was.
"Je zult de menschen wakker maken!" berispte Tante Isabel, "toen wij jong waren maakten we zoo'n lawaai niet."
"U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!" antwoordde de kleine Sinang.
Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen.
"Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!" zeide Sinang tot Maria Clara. "Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke gewoonten aannemen."
"Wees toch niet zoo veel-eischend," zei Idai.
"Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij alles waar hij zin in heeft!" zoo raadde de kleine Sinang.
"Wat weet jij daar nou van, kind?" zei haar nichtje Victoria heel wijs.
"St, stil! Daar komen ze aan!"
Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder 't tokkelen van een gitaar.
"'t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!" zei Sinang lachend.
Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze 't lachen nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten, groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half antwoord te krijgen.
"Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?" vroegen de moeders.
"Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen," antwoordde een lang en tenger gebouwd jongmensch.
"We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!" zuchtte tante Isabel, de handen ineenslaande.
"'t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op 't seminarie geweest, die kan straks in de 'bangka' wel een mis lezen," antwoordde een ander en wees daarbij op den lange en magere.
Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi trachtte na te apen.
Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de vroolijkheid zijner makkers.
Toen ze aan 't strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten van verrassing en vreugde. Ze zagen daar twee groote _bangka's_ aan elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe's enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste _bangka_ waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In de andere brandde vuur in de _kalan's_ van aardewerk; daar werden thee, koffie en _salabat_ [18] (sorbet) voor 't ontbijt bereid.
"Hier de vrouwen, daar de mannen!" zeiden de moeders, toen men instapte: "Bedaard, jullie meisjes.
"Niet zoo'n beweging maken, anders vergaan we, hoor."
"Eerst 't teeken des kruises!" zei tante Isabel en sloeg een kruis.
"En blijven we hier zoo afgescheiden?" vroeg Sinang en trok een lip. "Wij alleen maar?... och jee!"
Dit "och jee!" bezorgde haar een kneep, die haar moeder op 't geschikte oogenblik wist toe te dienen.
De _bangka's_ verwijderden zich allang van den oever, terwijl het licht der lantaarntjes vroolijk blikkerde in 't spiegel-vlakke meer. In 't oosten verschenen de eerste dageraads-tinten.
Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven.
"Wees voorzichtig!" zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander jongmensch, "druk vooral goed op het 'werk', dat er onder je voet is."
"Wat is er dan?"
"'t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we water binnen. Er zijn veel gaten in deze _bangka_."
"O jee, we verdrinken zoo meteen!" riepen de vrouwen verschrikt.
"Maakt u maar niet ongerust, dames!" verzekerde onze ex-seminarist, "deze _bangka_ is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf gaten in, en niet eens erg groot."
"Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?" kreten de vrouwen ontsteld.
"Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot," zei hetzelfde jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een kringetje maakte. "Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er niet uitvliegen."
"Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!" riep een oudje, dat voelde dat ze nat werd.
Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten erover in 't water te springen.
"Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!" hervatte Albino en wees naar de plaats waar de jonge meisjes zaten.
"Waar? Waar dan toch? God, we weten 't niet! Komen jullie toch in 's hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar ze zitten!" smeekten de vreesachtige vrouwen.
De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes in de andere "bangka" waren gaan zitten. En vreemd genoeg! 't leek wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten, Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust, al veranderde die van aard.
Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte reeds het uitspansel.
De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit 't hemellicht en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen.
Bijna iedereen was vroolijk. 't Lichte briesje dat er opstak was ook heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken.
Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, 't Was een jongmensch met stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn gespierden nek. Een lange kiel--_kamisa_--van grove donkerkleurige stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale afmeting diende hem daarbij als roerstang.
Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte, naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan, doch daarna nam hij 't gebodene aan en dankte met een enkel nauw verstaanbaar woord.
Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht vertrekken.
Toen 't ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken voort.
Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding zien zitten, terwijl enkele witte vogels--_kalanij_ of _kalau_, zooals de Tagalen ze noemen--in verschillende richtingen rakelings langs het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch.
Maria Clara keek naar de reigers, die bij 't naderen der _bangka's_ in de richting van 't naburige gebergte wegvlogen.
"Hebben die vogels hun nesten op de bergen?" vroeg het jonge meisje aan den "loods", wellicht meer om hem aan 't praten te krijgen dan om ingelicht te worden.
"Waarschijnlijk wel, juffrouw," antwoordde hij, "maar tot nog toe heeft niemand ooit hun nesten gezien."
"Hebben ze dan geen nesten?"
"Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel ongelukkig wezen."
Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de "loods" deze woorden uitsprak.
"Hoe is dat dan...?"
"Ze zeggen," antwoordde de jonge man, "dat de nesten van die vogels onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. 't Is ermee als met de ziel: evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo laten die nesten zich alleen waarnemen in 't spiegelvlak van 't water."
Maria Clara verzonk in gepeins.
Ondertusschen was men bij de _baklad_, het vischperk, aangekomen: de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast.
"Wacht," zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich gereedmaakte om met zijn _panalok_, een bamboe-stok met een netje eraan, naar boven te klimmen. "We moeten eerst de _sinigang_ in orde maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep."
"Die goeie tante Isabel!" riep de ex-seminarist, "die wil de visschen geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren."
Andeng, Maria Clara's zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water, tomaten en _kamia's_ klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes maakten de laboe's schoon, wieschen de erwten en sneden de _paäjap [19]_-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten.
Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had bovendien heel mooie vingertjes.
Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het meest bespeeld wordt en 't was voor het oogenblik het meest geschikte.
"Zingen, Victoria, zing's het 'huwelijks-lied!'" verzochten de moeders.
De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had, klaagde over schorheid. Het "huwelijkslied" is een mooie Tagaalsche treurzang waarin al de ellende en droefheid van 't huwelijk, zonder de vreugden ervan geschilderd worden.
Toen moest en zou Maria Clara zingen.
"Al wat ik zing is weemoedig."
"Dat 's niets, dat 's niets!" zeiden allen.
Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem:
Zoet zijn de uren in 't land van geboorte, Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht. Heerlijk is 't briesje dat waait in zijn velden, En zachter de dood en veel zaal'ger de min. Innige kussen de lippen omspelen Begint men in d'armen van moeder zijn dag. Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten, En d'oogen weerkaatsen den glimlach van haar. Zoet is de dood voor het land van geboorte, Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht. Doodsch is het briesje dat waait in de velden, Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief.
De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge "loods" keek strak vóór zich uit.
Plotseling hoorde men iets als een oorverdoovend geloei; de vrouwen en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de karbouwen-hoorn--de _Tamboeli_--blies. Het lachen en de opgewektheid herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met vroolijken glans.
"Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?" schreeuwde tante Isabel.
"Mevrouw", antwoordde de ex-seminarist plechtig, "ik heb 's hooren vertellen van een armen trompetter, daar ver in 't noorden aan de oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is met een rijke adellijke jonge dame."
"Jawel, de trompetter van Säkkingen", viel Ibarra in, die niet nalaten kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid.
En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog meer animo, terwijl hij de mond van 't blaas-instrument vooral dicht bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich 't meest verteederd hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen, zijn helsche muziek staken.
"Au! au!" riep hij, terwijl hij zijn armen betastte.
"Och, och, wat 'n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen, en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!"
En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, 't jonge meisje met de vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara: "Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!"
Andeng kondigde eindelijk aan dat de "kaldoe" klaar was, om zijn gasten--de visch--te ontvangen.
Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het gesloten gedeelte van de "séro"--'t uiterste smalle stuk ervan--waar men het Italiaansche opschrift van de hel: "Laat alle hoop varen gij die hier binnentreedt" zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen te kunnen ophalen.
"Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht visschen!" zeide Sinang popelend van pret.
Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in 't netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in 't water stak, sprong er niet een vischje op.
"'t Moet hier vol wezen," zeide Albino zacht, "'t is al meer dan vijf dagen dat er niemand bij geweest is."
De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje tooide het net: 't leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen.
De jonge man herhaalde de bewerking en 't was met even weinig resultaat.
"Je kan er niets van!" zei Albino en klauterde op de _encerradero_, en hij rukte 't net uit de handen van den onhandigen jongen man.
"Nu moeten jullie 's zien! Andeng, doe de pot open!" Maar Albino kon er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte.
"Maak toch geen leven: de visschen hooren 't en dan laten ze zich niet vangen!" zeide hij. "Dit net is zeker kapot."
Doch het net bleek volkomen gaaf.
"Laat mij maar 's," zeide Leon, de aanstaande van Iday.
Hij keek aandachtig naar de _encerradero_, onderzocht daarna het net, en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij:
"Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest is?"
"O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen."
"Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit."
Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar 't naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen, mompelde hij:
"Een kaaiman."
"Een kaaiman!" herhaalde men van alle kanten.
Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik en ontsteltenis.
"Wat zeg je?" vroegen ze hem.
"Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit," verzekerde Leon, en de steel van de bamboe dieper in 't water stekende, hervatte hij:
"Horen jullie dat geluid? Dat 's geen zand, dat is de harde rug van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm of meer breed."
"Wat moeten we doen?" werd er gevraagd.
"Vangen!" zei er een.
"Jezus! En wie moet hem dan vangen?"
Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep.
"Als we hem eens aan onze _bangka_ vastbonden, en hem zoo in triomf wegsleepten," zei Sinang. "Dat eet me daar de visch op die voor ons bestemd was!"
"Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!" merkte Maria Clara zacht op.
De "loods" stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem.
Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte.
Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van angst die allen lieten hooren, sprong de "loods" in de _encerradero_.
"Neem dit mes mee!" schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed toledaansch mes voor den dag.
Doch in het water bruischte en borrelde het reeds, en de kolk sloot zich geheimzinnig voor 't oog.
"Jezus, Maria en Jozef!" riepen de vrouwen. "Er gebeurt een ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!"
"Maakt u zich maar niets ongerust, dames," zeide de oude schuitevoerder, "als er in de heele provincie een is die zoo iets doen kan, dan is hij 't."
"Wie is die man toch?" vroegen ze.
"Wij noemen hem 'de loods.' 't Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij houdt alleen niet van zijn baantje."
Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: 't was alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele staketsel raakte aan 't waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes.
De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen.
De "loods" klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij 't naar zich toe.
Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange slagtanden zichtbaar werden.
De "loods" heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem te helpen.
Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het platte deel van de _encerradero_ lag, zette hij er zijn voet op, greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de bek met het touw dicht te snoeren.
Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond.
Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche vrouwen kennen dat nog niet.
Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher sprong gewapend met zijn _bolo_--een kort breed mes--de diepte in. Zijn vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het ongedierte. De witte buik was vol wonden en 't mes zat hem in de keel.
't Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest: al de "kaldoe" liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen woord kon uitbrengen was Maria Clara.
Ibarra was ongedeerd, terwijl de "loods" een kleine schram in een van zijn armen had.
"Ik ben u mijn leven verschuldigd!" zeide hij tot Ibarra, die zich in wollen dekens en doeken wikkelde.
De stem van den "loods" scheen een zekere smart te verraden.
"U bent roekeloos", antwoordde Ibarra. "Een anderen keer moet u niet weer zoo God verzoeken."
"Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren," gaf de ander terug, "daar onder in het meer, _dan was ik bij mijn menschen thuis geweest!_"
Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van zijn vader daar verzonken was.
De ouderen onder de vrouwen van 't gezelschap wilden niet meer naar een andere _baklad_ gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren.
"Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!" zuchtte een oudje.
"Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?" vroeg Ibarra. "De kaaiman alleen, zou ik zeggen!"
"Wat ten duidelijkste bewijst", concludeerde de oud-seminarist, "dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende kooplieden opgemerkt."
De _bangka's_ gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng moest nog eens haar _sinigang_ klaarmaken.
De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil, meevoerend bergen van schuim "waar flonkerde in kleurenpracht licht van de zon," zooals de dichter Paterno het uitdrukt.
De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder zuiver. Maar die zich 't dapperst weerde was Albino: die tokkelde maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder 't te merken, in een verkeerde sonate oversloeg!
Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen verwachtte daar 't wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te voorschijn.
Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken.
De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in 't verhitte vaatwerk zong.
Daarna verloor de waardige pastoor, door 't lezen van een paar brieven, die wel-verzegeld en gelakt aangekomen waren, zijn eetlust en liet hij zijn chocolade heelemaal koud worden.
"De pater wordt stellig ziek", zei de kok, terwijl hij een tweede kop klaarmaakte, "hij heeft al dagen geen trek in 't eten: van de zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan."
"Dat is omdat hij slecht slaapt," antwoordde de andere bediende, "hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag magerder en geler."