Noli me tangere: Filippijnsche roman

Chapter 10

Chapter 104,076 wordsPublic domain

"En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?"

"Ik woû 't zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!"

"We moeten hem gehoorzamen!" herhaalden eenige oudjes.

"We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op," voegden andere oude heeren er droevig aan toe.

"Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!" riepen de jongen en stonden op. "Wij nemen onze bijdragen terug."

"Alles is al binnen!" zeide de "gobernadorcillo".

Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter:

"Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak; u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en stuurt alles in de war."

Ibarra zeide tot den schoolmeester:

"Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk heen."

"Heeft u er een zaak af te doen?"

"We hebben een zaak!" antwoordde Ibarra geheimzinnig.

Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte vermaledijde:

"'t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was 't vergeten!"

XXI.

Geschiedenis eener moeder.

Sisa liep hard naar haar huis in die eigenaardige zinsverwarring welke zich bij ons voordoet, wanneer te midden van 't ongeluk we ons door iedereen verlaten zien en alle hoop ons verlaat. Dan is 't of alles om ons verduistert, en als we dan in de verte een nietig lichtje zien schijnen, dan ijlen we erheen, het tegemoet: 't mocht wat of er midden op ons pad een afgrond gaapte!

De moeder wilde haar kinderen redden. Hoe? Och, moeders vragen niet naar de middelen wanneer het om haar kinderen gaat.

Ze liep wanhopig voort, vervolgd door vrees en akelige voorgevoelens. Zou men haar Basilio al gevangen genomen hebben? Dicht bij haar huis ontwaarde zij de helmen van twee soldaten boven de schutting om haar tuintje. Onmogelijk zou 't zijn te beschrijven wat er in haar hart omging: ze vergat alles. Ze was zeer goed bekend met de vermetelheid dier mannen, die niemand ontzagen, zelfs de rijksten niet. Wat zou er nu van haar worden en van haar zoontjes, nu ze van diefstal beschuldigd waren? De _guardias civiles_ zijn geen menschen, 't zijn alleen maar _guardias civiles_. Ze luisteren niet naar smeekbeden en zijn gewend aan het gezicht van tranen.

Sisa sloeg instinktmatig de oogen ten hemel, en de hemel lachte haar toe met heerlijk licht: enkele blanke wolkjes zweefden in 't doorschijnend azuur. Ze bleef even staan, om het beven te doen ophouden, dat al haar leden overviel.

De soldaten verlieten haar huis en kwamen zonder iemand terug: ze hadden geen andere gevangene dan de kip die Sisa vetmestte. Ze herademde en vatte weer moed.

"Wat zijn ze goed en wat hebben ze een medelijdend hart!" mompelde ze bijna schreiend van vreugde.

Al hadden de soldaten haar huis verbrand, als ze maar haar kinderen in vrijheid gelaten hadden, dan zou zij ze met zegenbeden overstelpt hebben.

Ze zag weer erkentelijk naar den hemel op, waar een zwerm reigers doorheen vloog, die lichte wolkjes der Filippijnsche hemelen. En met hernieuwd vertrouwen in haar hart vervolgde zij haar weg.

Toen ze die verschrikkelijke mannen naderde, deed Sisa alsof ze overal afgetrokken heen keek, en hield ze zich, alsof ze haar kip niet zag, die luid piepend om hulp vroeg. Toen ze nauw voorbij was, wilde ze hard doorloopen, doch de voorzichtigheid weerhield haar schreden.

Ze had zich nog niet ver verwijderd, toen ze hoorde dat men haar gebiedend iets toeriep. Ze huiverde, maar ze deed alsof ze 't niet begreep en stapte verder. Er werd nogmaals geroepen, doch ditmaal met een schreeuw en een scheldwoord. Ze wendde zich om, ondanks haar zelve, bleek en bevend. Een _guardia civil_ wenkte haar toe.

Sisa kwam werktuigelijk naderbij, voelende dat haar tong verlamde van ontzetting en haar keel droog werd.

"Zeg ons de waarheid, of anders binden we je aan dien boom daar, of we schieten allebei op je!" zeide er een op dreigende toon.

De vrouw keek naar den boom.

"Ben je de moeder van de dieven, zeg jij?" vroeg de ander.

"Moeder van de dieven!" herhaalde Sisa werktuigelijk.

"Waar is 't geld dat je zoons je gisterenavond gebracht hebben?"

"O, 't geld..."

"Ontken 't maar niet: dat zou je leelijk bekomen!" voegde de ander erbij. "We zijn gekomen, om je zoons gevangen te nemen en de oudste is ons ontloopen. Waar heb je de jongste verstopt?"

Toen Sisa dit hoorde, herademde ze.

"Meneer!" antwoordde ze, "ik heb mijn zoon Crispin al verscheidene dagen niet gezien: ik hoopte hem van morgen in 't klooster te zien en daar zeiden ze me alleen..."

De twee soldaten wisselden een veelbeteekenende blik.

"Goed!" riep een van hen uit: "geef ons het geld dan en we zullen je met vrêe laten."

"Meneer!" smeekte de ongelukkige vrouw, "mijn kinderen stelen niet, al hebben ze honger. We zijn gewend honger te lijden. Basilio heeft me geen enkele 'cuarto' thuis gebracht, kijkt u maar mijn heele huis na, en als u een 'reaal' zelfs vindt, mag u met ons doen wat u wilt. Wij arme menschen zijn niet allemaal dieven!"

"Dan," hervatte de soldaat langzaam en keek daarbij Sisa scherp in de oogen, "ga je met ons mee. Je zoons zullen er wel voor zorgen het geld dat ze gestolen hebben voor den dag te brengen en af te geven. Volg ons!"

"Ik?... u volgen?" stamelde de vrouw terugdeinzend en met schrik kijkend naar de uniformen der soldaten.

"En waarom niet?"

"Ach, hebt medelijden met me!" smeekte ze bijna op haar knieën. "Ik ben heel arm, ik heb geen goud en geen juweelen om u aan te bieden: 't eenige wat ik had, hebt u al weggenomen, de kip die ik dacht te verkoopen...Neemt alles mee wat u in mijn hut kunt vinden; maar laat me hier met vrede. Laat me hier sterven!"

"Vooruit! Je moet komen, en als je niet goedschiks meegaat, zullen we je binden."

Sisa barstte in bitter schreien uit. De mannen waren onvermurwbaar.

"Laat me dan ten minste op een afstand voor u uit loopen!" smeekte ze, toen ze voelde dat ze haar ruw beetpakten en voortduwden.

De twee soldaten kregen medelijden, en overlegden fluisterend met elkaar.

"Goed!" zeide de een, "omdat je van hier totdat we aan 't dorp komen zou kunnen wegloopen, moet je tusschen ons in loopen. Als we eenmaal daar zijn, mag je op twintig pas voor ons uit loopen. Maar pas op, hoor! nergens een winkel binnengaan, geen oponthoud. Vooruit en maak voort!"

Tevergeefs waren de smeekbeden, tevergeefs alle redeneeren, ijdel haar beloften. De soldaten zeiden dat ze zich al voldoende blootgaven en al te veel toestonden.

Toen ze dus tusschen hen beiden in liep, voelde ze zich sterven van schaamte ... wel was er niemand op den weg, maar ... de lucht en het daglicht dan? De ware kuischheid ziet overal blikken op zich gericht. Ze bedekte zich 't gelaat met haar zakdoek, en blindelings voortgaande, weende ze in stilte over haar vernedering. Ze besefte haar ellende, ze wist dat ze van iedereen verlaten was, zelfs door haar eigen man; doch tot nu toe had ze zichzelve voor eerbaar en achtenswaardig gehouden: tot nu toe had ze met deernis gekeken naar de schandelijk gekleede vrouwen, die men in 't dorp de soldaten-bijwijven noemde. Nu scheen het haar alsof ze nog een sportje lager dan die wezens op den levensladder was gedaald.

Er klonken voetstappen van paarden: 't waren de lieden die visch vervoerden naar de binnenlandsche dorpen. Ze deden hun reizen in kleine karavanen--mannen en vrouwen--gezeten op minderwaardige paarden tusschen twee manden, die aan weerskanten van het dier hingen. Verscheidenen van hen hadden haar om een dronk water gevraagd, wanneer ze voorbij haar stulp gingen, en haar dan wat visch ten geschenke gegeven. Thans leek het haar dat ze in 't voorbijgaan tegen haar aanliepen en haar vertrapten, en dat hun blikken, medelijdend of verachtelijk, door haar zakdoek heen haar gelaat bestookten.

Eindelijk verwijderden de reizigers zich, en Sisa zuchtte. Ze trok even haar doek ter zijde, om te zien of ze nog ver van 't dorp was. Ze moest nog eenige telegraafpalen voorbijgaan, voordat ze aan de _bantajan_ of het wachthuisje kwam. De afstand had haar nog nooit zoo lang geschenen.

Aan den kant van den weg groeide een lommerrijk bamboe-boschje, in welks schaduw ze eertijds placht te rusten. Daar hield haar minnaar teedere gesprekken met haar. Hij hielp haar om de mand met vruchten en groenten te dragen. Ach! Dat was als een droom vervlogen: de minnaar werd haar echtgenoot, en deze werd aangesteld tot wijkhoofd. En toen begon het ongeluk aan haar deur te kloppen...

Daar de zon begon te branden, vroegen de soldaten haar of ze wilde uitrusten.

"Dank u!" antwoordde ze vol afschuw.

Doch waar haar eerst recht ontzetting overviel, was toen ze 't dorp naderde. Angstig sloeg ze een blik om zich heen: uitgestrekte rijstvelden, een bevloeiingskanaaltje, armzalige boomen, nergens een afgrond of rots waar ze zich te pletter kon gooien. Ze kreeg er berouw van dat ze de soldaten tot zoover gevolgd was. Ze betreurde de diepe rivier, die dicht bij haar hut liep en welker steile oevers, bezaaid met puntige rotsblokken, haar zulk een zoeten dood boden. Doch de gedachte aan haar kinderen, aan haar zoon Crispin, wiens lot haar onbekend was, was haar een licht in dien nacht. En ze kon gelaten stamelen:

"Later....later gaan we diep in 't bosch wonen!"

Ze wiste haar oogen af, trachtte zich te kalmeeren, en zich tot de _guardia's_ wendend, zeide ze zacht:

"We zijn al in 't dorp!"

De toon van haar stem had een vreemde mengeling van klacht, verwijt en weedom in zich: 't was een bede, 't was de in klank saamgevatte smart.

De soldaten werden er ontroerd van en antwoordden met een gebaar. Sisa stapte ijlings vooruit, en trachtte een rustig aanzien in acht te nemen.

Op dat oogenblik begonnen de klokken te luiden ten teeken dat de hoogmis afgeloopen was. Sisa versnelde haar schreden om, zoo mogelijk, de menschen die uit de kerk kwamen te ontgaan. Doch tevergeefs: er was geen kans om de ontmoeting te ontwijken.

Ze groette met bitteren lach twee vrouwen die ze kende. Dezen wierpen een vragenden blik op haar, en verderop boog ze maar 't hoofd, om die krenkingen te vermijden, en begon ze alleen naar den grond te kijken. En, hoe vreemd! ze struikelde over de steenen op den weg.

De menschen stonden even stil, om haar aan te zien, praatten onder elkaar, terwijl ze haar met de oogen volgden; dat alles zag ze, ze voelde het, al hield ze ook onderwijl den blik neergeslagen.

Ze hoorde de onhebbelijke stem van een vrouwspersoon, die achter haar bijna schreeuwend riep:

"Waar hebben jullie die gepakt? En 't geld?"

't Was een vrouw zonder _tapis_ of kain, met een geel-en-blauwe rok en een kabaai van blauw gaas: aan haar dracht kon men zien dat het een soldatenhoer was.

't Was Sisa als kreeg ze een slag in 't gezicht: die vrouw had haar in 't bijzijn van de menigte uitgekleed. Ze sloeg even de oogen op, en drenkte ze in spot en minachting. Ze zag de menschen ver, heel ver van haar af, en toch voelde ze de koude van hun blikken en hoorde ze hun gefluister. De arme vrouw liep voort zonder den grond onder haar voeten te voelen.

"Hei, hierheen!" riep een der _guardia's_ haar toe. Als een automaat welks mechanisme breekt draaide ze snel op haar hielen rond. En zonder iets te zien, zonder te denken, liep ze ijlings weg, om zich te verschuilen. Ze zag een deur met een schildwacht ervoor, trachtte daar binnen te gaan, doch een andere stem, nog gebiedender dan te voren, verdreef haar van daar weg. Met wankelende schreden zocht ze de richting van die stem, ze voelde dat men haar van achteren voortduwde, ze sloot de oogen, deed twee schreden vooruit, en haar krachten begaven haar. Ze liet zich op den grond vallen, eerst op de knieën, dan zittend. Een schreien zonder tranen, zonder kreten, zonder weeklagen, deed haar lichaam stuiptrekken.

't Was de kazerne. Daar waren soldaten, vrouwen, varkens en kippen. Enkele mannen waren bezig hun kleeren te verstellen, terwijl hun liefje op de bank lag, met de dij van den man tot hoofdkussen, rokend en landerig naar de zoldering kijkend. Andere vrouwen hielpen de mannen, om hun kleedingstukken, hun wapens enz. te reinigen, terwijl ze halfluid ontuchtige liedjes zongen.

"'t Schijnt dat de kuikens er van door zijn! jullie brengen alleen maar de hen", zeide een vrouw tot de binnentredenden; 't was niet uit te maken of ze Sisa bedoelde of wel de kip, die voortging met piepen.

"Och ja, de kip is toch altijd meer waard dan de kuikens!" gaf ze zich zelf antwoord, toen ze merkte dat de soldaten zwegen.

"Waar is de sergeant?" vroeg een der gendarmes op wreveligen toon. "Heeft de onderluitenant er al kennis van gekregen?"

Schoudergeschok was 't eenig bescheid; niemand gaf zich de minste moeite, om iets na te gaan omtrent het lot der arme vrouw.

Daar bracht ze twee uur door in een staat van halve zinsverbijstering, hurkend in een hoek, het hoofd verborgen tusschen de handen, de haren loshangend, en verward. Om twaalf uur wist de "alférez" of onderluitenant eindelijk van 't geval, en 't eerste wat hij deed, was zijn ongeloof te kennen geven terzake van 's pastoors beschuldiging.

"Jasses, al weer wat van dien beroerden steek!" zeide hij, gelastte dat men de vrouw zou loslaten en dat niemand zich verder met haar zou bemoeien.

"Als hij terug wil hebben wat hij verloren heeft, dan moet hij 't maar aan zijn Heiligen Antonius vragen, of laat hem klagen bij den nuntius! Schei uit!"

't Gevolg was dat Sisa bijna met duwen de kazerne uit werd gezet, want zij zelf wilde zich niet verroeren.

Toen ze zich midden op straat zag, begon ze werktuigelijk naar haar huis te loopen, haastig, het hoofd ontbloot, de haren verward om haar heen hangend, en den blik strak op den verre gezichtseinder gericht. De zon brandde in haar zenith, en er was geen wolkje dat haar schitterende schijf befloersde. De wind bewoog zwakjes de bladeren der boomen. De weg was reeds bijna droog. Geen vogel waagde het de schaduw der twijgen te verlaten.

Sisa bereikte ten slotte haar huisje. Ze ging naar binnen, stom, stil; ze liep er door heen, ging weer naar buiten, begon in alle richtingen te dwalen. Toen liep ze met een vaart naar het huis van den ouden Tasio, klopte aan de deur, maar de man was niet thuis. De ongelukkige keerde naar haar huis terug en begon op eens luidkeels Basilio! Crispin! te roepen. Ieder oogenblik hield ze stil en luisterde aandachtig. De echo herhaalde haar stem. Het zachte gemurmel van 't water in de naburige rivier, de muziek van 't bamboeloof waren de eenige stemmen dier eenzaamheid. Ze riep nog eens, besteeg een hoogte, daalde af in een ravijn, ging naar beneden naar de rivier. Haar oogen waarden rond met een akelige uitdrukking erin, van tijd tot tijd flitsten er helle glanzen in, dan werden ze weer dof, als een uitspansel in een stormnacht: men zou zeggen dat het licht der rede nog flikkerde, op 't punt om te dooven.

Wederom ging ze den weg op naar haar huisje, ging zitten op de mat waarop ze den vorigen nacht met haar zoontje geslapen had; ze hief de oogen op en zag een lap van Basilio's hemd vastzitten aan het uiteinde van een bamboe van de _dinding_ of heining, die dicht bij den afgrond stond. Ze stond op, greep de lap en keek die bij 't zonlicht na: er waren bloedvlekken op. Maar wellicht zag Sisa ze niet, want ze ging naar beneden en bleef de lap onderzoeken, midden in den blakerenden zonnegloed, terwijl zij hem ophield. En, als voelde ze alles om zich heen duister worden, alsof ze behoefte had aan licht, staarde ze met wijd-geopende oogen recht in de zon.

Nog dwaalde ze van den eenen kant naar den andere, vreemde geluiden roepend of uitschreeuwend. Men zou er bang van worden haar te hooren: haar stem had een zonderlinge klank, zooals de menschelijke keel die niet pleegt voort te brengen. 't Was iets nog akeligers dan het huilen en klagen van den wind in een stormnacht binnen de muren en torens van een bouwval.

Zoo overviel haar de avond. Sliep ze eindelijk rustig en vergat ze in den nacht al haar leed? Hoe 't ook zij, den volgenden ochtend liep Sisa lachend rond, zingend en pratend met al de schepselen der natuur.

XXII.

Licht en schaduw.

Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn "teniënte", over de partij der "jongen"; ja, er waren er die Jan en Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.

Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid, verbaasden ze zich over de verandering die ze in 't wezen van Padre Salvi opmerkten.

"Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder en stiller." Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte, was het feit dat men 's nachts in 't klooster meer dan twee lichten kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in 't huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.

Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande, en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens daarheen begaf.

Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...

Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen oranjeboomen en _ilang-ilang_.

De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra's aankomst, aan een venster, dat uitzag op het meer. 't Was overschaduwd door bloemen en klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren en er een zachte geur verspreidden.

Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben, dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.

Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat, als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van aeolus-harpen.

De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken, toen Ibarra tot Maria Clara zeide: "Morgen vóór dag en dauw zal er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken, zoodat er niets aan ontbreekt."

"Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg vooral dat de pastoor niet meegaat!"

"Waarom dat?"

"Wel omdat 't net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen doen me onaangenaam aan.

"Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt, klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in 't donker. Maak toch dat hij niet meegaat!"

"We kunnen hem onmogelijk overslaan," antwoordde Ibarra in gedachten. "'t Gebruik in 't land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met ons mee in de 'bangka.'" [17]

Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam met een gedwongen glimlach op de lippen.

"De wind is koud!" zeide hij, "als men nu een kou vat, raakt men die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om verkouden te worden?"

Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.

"Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind heerlijk!" antwoordde Ibarra. "In deze maanden hebben we onzen herfst en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook altijd bloemen."

De geestelijke zuchtte.

"Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een koude winter volgt, heerlijk", ging Ibarra voort.

"In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we ergens anders heen."

Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te praten, over 't weer, over 't dorp, over 't feest. Maria Clara zocht een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.

"Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig voor een feest dat we morgen vieren, 't Is een buitenpartijtje, dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden."

"En waar zal dat plaats hebben?"

"De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in 't bosch hier in de buurt, dicht bij de _baliti_. We zullen daarom vroeg moeten opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben."

De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:

"De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn, zoo heelemaal vrij!"

Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje van den volgenden dag te gaan zorgen.

't Was reeds geheel donker.

Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.

"Wie bent u?" vroeg Ibarra hem.

"U kent mijn naam niet, heer," antwoordde de onbekende. "Ik heb twee dagen op u gewacht."

"Hoe zoo?"

"Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!"

Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:

"Wat wilt u nu?"

"Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!"

"Ik kan hier niet blijven stilstaan," antwoordde Ibarra.

"Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is."

De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der slecht-verlichte straten.

XXIII.

De vischvangst.

Nog flonkerden de sterren aan 't saffieren gewelf en de vogels sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje menschen reeds de straten van 't dorp doorliep, op weg naar 't meer, onder het levendige schijnsel der toortsen of _hulpes_, die ze droegen.

't Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij de hand of om 't middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude vrouwen en verscheidene dienstboden, welke op bevallige wijze manden vol mondvoorraad, borden en anderszins op 't hoofd droegen. In de oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. 't Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden golfden in den morgenwind.

't Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke _Sinang_, haar nichtje; de streng-bezadigde _Victoria_; de mooie _Idai_ en de ernstige _Neneng_ met haar bescheiden schuchtere schoonheid.