Nog eens: de millioenen uit Deli
Part 4
De eigenaars gingen diep mistroostig weg, hielden weer een koempoelan (vergadering), overlegden de zaak nog eens rijpelijk en—bleven weer zitten. ’t Was ongehoord, zoo’n lijdelijk verzet, als je ook steeds van die inlanders hebt! Weer kwam een oproeping vanwege den karapatan en weer trokken de eigenaars er heen. Waarom zij nog niet verhuisd waren? Ja, zij wisten nog niet recht, hoeveel karoegian (schadevergoeding) zij kregen. Karoegian, geen cent! Dat wisten zij heel goed. En als zij het nog niet wisten, dan werd het hun nu eens en voor altijd gezegd. Zij moesten verhuizen, pur et simple, want zij mochten daar niet wonen en daarmee uit. Van schadevergoeding was geen sprake, maar de karapatan wou dezen keer mild en zachtmoedig zijn, de afbraak mochten zij houden. En om nu voor goed aan hun praatjes en lijdelijk verzet een einde te maken, werd hun medegedeeld, dat indien zij niet vrijwillig aan het bevel voldeden, de Sulthan oppassers (politie-agenten) en dwangarbeiders zou zenden, om den heelen boel tegen den grond te halen.
De eigenaars zagen in, dat de zaak ernstig begon te worden. Een van hen, de vendu-afslager Mangaradja Tagor, op wiens naam de erfpachtsacte stond, sprak er met den vendumeester, den heer Van den Berg, over. Hij had hem er al meer over gesproken en toen weinig baat er bij gevonden, maar men kan nooit weten, misschien wist hij nu wel raad. En werkelijk, de vendumeester wist raad, of eigenlijk hij zelf niet; maar, zei hij, er is hier een advocaat—een echte, een Meester—gekomen. Die woonde in het Medan-hôtel. Ze moesten dien maar eens raadplegen. Maar mondje-toe, dat hij dien raad gegeven had [6].
Vandaar het nachtelijk bezoek.
Toen uit de inlichtingen, die ik den volgenden morgen inwon bij den heer Van den Berg—want Tagor had mij verteld, dat zijn chef van de zaak alles afwist—mij bleek, dat er grond bestond om aan het verhaal der eigenaars geloof te slaan, begaf ik mij, gewapend met de erfpachtsacte, in Deli gewoonlijk grand genaamd, naar den Resident en lei hem het geval voor.
Het geheele gesprek, dat volgde, weer te geven, kan ik natuurlijk niet. Het zakelijke, dat verhandeld werd, komt hierop neer: De Resident kende de zaak, doch liet het mij voorkomen, of het de wensch van den Sulthan was, dat de eigenaars daar niet wonen bleven. Als ik mij niet vergis, beweerde hij, dat deze grond niet met woningen bebouwd mocht worden, daar de Sulthan die voor rijstvelden beschikbaar wilde houden voor de inheemsche bevolking. [Later zullen wij vernemen, wat de werkelijke reden voor de geëischte ontruiming was]. Ik wees den Resident erop, dat het erfpachtsrecht toch behoorlijk gekocht en betaald was, en dat die ontruiming zonder meer maar niet zoo maar kon plaats grijpen. De Resident meende, dat dit zaken waren het inlandsch zelfbestuur rakend. Ik bracht hem onder het oog, dat onder de verschillende eigenaren zoogenaamde Gouvernementsonderdanen [7] waren en dat de erfpachtsacte stond ten name van Mangaradja Tagor, venduafslager, in dienst van het Ned.-Indisch Gouvernement. Dat deze dus niets met den Sulthan en den karapatan te maken had en dat wanneer de Sulthan de terreinen wilde doen ontruimen, Z. H. een vordering deswegen kon instellen bij den Landraad. De Resident was dit niet met mij eens en wou er zich niet mee bemoeien, uit vrees voor politieke verwikkelingen!!
Ten slotte kwamen wij overeen, dat ik de zaak verder zou behandelen met den Controleur, die ook met den Sulthan zou spreken en den Resident inlichten. Ik sprak dan ook met den controleur en lei hem de zaak bloot. Deze was een eerlijk man en min of meer met zijn figuur en de heele affaire trouwens, die hij kende, verlegen.
De onderhandelingen schoten niet erg op, daar ik bleef staan op den billijken eisch: algeheele schadevergoeding. Wie schetst echter mijn verbazing, toen op zekeren morgen, dat ik naar den Landraad ging, de controleur mij aansprak, en zei, dat de Sulthan van geen schadevergoeding wou weten en over twee dagen de huizen door politieoppassers zou doen ontruimen en laten afbreken.
Geschiedt dat met toestemming van den resident, vroeg ik.
Ja, antwoordde de controleur, ik kom juist bij hem vandaan en heb in last u dit mede te deelen.
Nu, zeg hem dan uit mijn naam, dat ik de eigenaars zich laten wapenen en dat de huizen verdedigd zullen worden. Maar ook, dat zoodra de oppassers van den Sulthan komen, ik telegrafisch den Resident zal aanklagen bij den Gouverneur-Generaal.
En ik deed wat ik gezegd had. Ik riep de eigenaars des avonds te zamen, vertelde hun hoe de zaak stond en raadde hen zich te wapenen en hun goed tegen den aanval van wie dan ook te verdedigen.
Ik zal niet zeggen, dat die raad in alle opzichten goed was. Maar ik vermoedde, dat de Resident blufte en dat hij zich wel wachten zou, het zóó ver te laten komen. Ik wist natuurlijk, dat indien het werkelijk tot een handgemeen kwam, de eigenaars en ik zelf in moeielijkheden zouden komen. Aan den anderen kant stond, dat indien de zaak onderzocht werd, de Resident verloren zou zijn. Hier steunde de Resident zóó blijkbaar het onrecht, ja handelde zoo geheel tegen zijn eersten plicht, den inlander te beschermen tegen knevelarij en misbruik van gezag, dat ik niet vreesde, of hij zou voor de gevolgen terug deinzen.
De Sulthan heeft dan ook nooit zijn oppassers gezonden. Wel kreeg ik van den controleur bericht, dat den daaropvolgenden Zaterdag de zaak in den karapatan zou worden behandeld. Hier verklaarde ik namens de eigenaars, den karapatan niet als rechter in dit geschil te kunnen erkennen, doch wel geneigd te zijn, op den grond van behoorlijke schadevergoeding in een minnelijke schikking te treden.
En de zaak werd in der minne bijgelegd. [8]
Later ben ik pas te weten gekomen, wat aan de heele zaak ten grondslag lag. De Nieuwe Deli Race club, die haar paarden op de boven besproken renbaan bij Medan laat loopen, had den Sulthan die ontruiming verzocht. Er waren n.l. onder de eigenaars der woningen ook rijtuigverhuurders en men was bang voor mogelijke besmetting der renpaarden, indien zich een ziek paard in de stallen der eigenaars mocht bevinden. In de notulen der raceclub moet hierover nog wel het een en ander te vinden zijn.
De voorzitter van de raceclub was de secretaris van het Gewest. Verschillende bestuursambtenaren, waaronder ook de Resident, hadden de zoogenaamde B. B. Kongsie gevormd en lieten paarden loopen. En nu moge men mij duizendmaal verwijten, dat ik insinueer, doch ik kan niet nalaten tusschen deze feiten en de houding van den Resident in deze zaak verband te zoeken.
Tot nog toe groeit er op de betwiste gronden geen rijst.
De huizen zijn trouwens nooit afgebroken. De Sulthan heeft de erfpacht weer verkocht aan een ander voor drieduizend dollar.
De ondervinding door mij in deze zaak opgedaan, moedigde mij niet aan, met den Resident over koelietoestanden te gaan praten, evenmin als over andere zaken, die naar mijn inzien indruischten tegen het Recht. Waar mogelijk, sloeg ik steeds, zonder voorafgaande pourparlers, de weg van rechten in en verkoos te vechten, waar minnelijke besprekingen toch niet zouden baten. Trouwens, hoe kon ik vermoeden, dat het Hoofd van het Gewest zooveel minder zou weten dan ik? Het kwam mij niet in het hoofd, mij te verbeelden, dat ik meer van de feitelijke toestanden af zou weten dan de Resident. En nog sta ik er verbaasd van, dat wat drie eenvoudige burgers—een dokter, een geleerde en een advocaat—binnen betrekkelijk korten tijd opmerkten, een voortdurend geheim is gebleven voor den man, die gecenseerd werd op de hoogte te zijn. Het beroep van den Oud-Resident Kooreman op zijn niet-weten is een testimonium paupertatis, zich zelf uitgereikt, en tevens het tegengestelde van een loftuiting aan zijn vroegere ondergeschikten, die hem—zooals de Oud-Resident zegt—dergelijke dingen nooit rapporteerden.
Laat ons hopen, dat het tegenwoordig Bestuur zijn oogen wat beter open zal hebben.
Medan, 29 Januari 1903.
Den Heer Mr. J. van den Brand, Medan.
Geachte Heer!
Naar ik zie uit het verslag van „Omega” in de Sumatra-post over de rede van den oud-resident Kooreman, gehouden in de Vereeniging „Moederland en Koloniën” te ’s-Gravenhage, zoude deze heer daar o. m. gezegd hebben: „En dan de questie van den heer Tripp en de British-Deli (blz. 35 en volgende). De voorstelling van de feiten en de conclusie zijn weer onjuist.”
Indien dit verslag het door den heer Kooreman gesprokene juist weêrgeeft, komt het mij voor dat deze heer, met volmaakt gemis aan goede trouw, om het door U behandelde en bedoelde heeft heengepraat.
Immers U begint: „Wat er voor den dag zou komen, indien het Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen en grondig onderzoek, leert ons de geschiedenis van den heer Tripp en de British-Deli and Langkat Tobacco Company.” Het door U uit mijne correspondentie in de Java-bode van 10 Juli 1899 geciteerde eindigt: „Dat de directie der British-Deli zou overgaan tot eene klacht wegens laster tegen den heer Tripp, acht ik niet waarschijnlijk, daar zij wel zal denken aan het spreekwoord, dat ons leert dat er sommige stoffen zijn, die hoe meer men er in roert, een des te onaangenamer geur verspreiden. Al ware ook te bewijzen, dat elk woord van den heer Tripp een leugen geweest was, dan zijn hier toch altijd nog de verslagen der terechtzittingen, die dan voor den dag zouden komen en waaruit minder mooie dingen zouden blijken. Klachten over geknoei met de uitbetaling van het loon; vervolging van een administrateur wegens mishandeling, waarbij de klacht werd ingetrokken tegen betaling van ƒ 50.— aan de vrouw, die afgeranseld was; vervolging om dezelfde reden van een ander administrateur, waarbij de zaak niet kon doorgaan wegens verdwijning van alle getuigen—zooals in Deli wel meer gebruikelijk is—; vervolging van een assistent, die eindigt met veroordeeling tot een jaar gevangenisstraf wegens doodslag onder verzachtende omstandigheden, al zulke dingen maken geen erg mooien indruk, wanneer zij voor het groote publiek komen.”
Uwe conclusie is dus: zulke en dergelijke dingen zouden voor den dag komen, indien het Gouvernement wilde besluiten tot een algemeen en grondig onderzoek.
Welnu, deze conclusie is volkomen juist, want deze dingen zijn inderdaad voor den dag gekomen bij het toen gehouden onderzoek naar de faits et gestes van de British-Deli, en daaruit te concludeeren dat vele dergelijke zaken voor den dag zouden komen bij een algemeen onderzoek, is zeker niet gewaagd. Er is geen enkele reden om aan te nemen, dat juist de British-Deli eene uitzondering zou zijn. De heer Kooreman behoeft volstrekt niet te denken, dat ik de bovengenoemde bijzonderheden zoo maar eens uit mijn duim zoog, daar zij mij werden medegedeeld door den heer H. van der Steenstraten, toenmaals assistent-resident te Medan, die met het onderzoek belast geweest was.
Ik geloof dus niet te ver te gaan met den heer Kooreman van kwade trouw te beschuldigen, waar hij het blijkbaar wil doen voorkomen, alsof het iets er toe afdeed of de heer Tripp praatjes verkocht of niet. De dingen die voor den dag kwamen naar aanleiding van de affaire Tripp, dáárop komt het aan.
Hoogachtend,
(w. g.) C. de Coningh.
HET VERHAAL VAN TAGOR.
Adalah saorang Melajoe nama Tengkoe Galib beranakan Deli, ada mempoenjai sebidang tanah di dekat tanah loembah koeda Medan sebegimana jang terseboet di dalam Gran dari Tengkoe Pangeran Bandahara Deli jang tertoelis pada 24 December 1895 No. 25 hoeroef D.
Maka pada tanggal 3 Mei 1896 tanah jang terseboet telah di djoealkan oleh Tengkoe Galib itoe seperlima bahagiannja kapada Hadji Abdul Madjid dan Hadji Arsad, dengan harga $ 150.— (seratoes lima poeloeh ringgit boeroeng).
Dan pada tanggal 12 Juli 1896 tanah jang katinggalan itoe Tengkoe Galib djoeal lagi kapada kami lima orang nama Mangaradja Tagor, Mohamad Thahir, si Kantjah, Hadji Oesman dan si Marah dengan harga $ 300.— (tiga ratoes ringgit boeroeng). Maka dengan moefakat kami semoeanja atas belian itoe tanah di taroehlah atas nama Mangaradja Tagor.
Tetkala Tengkoe Galib mendjoealkan tanah jang seperlima bahagian itoe dan tanah jang katinggalan itoe adalah terang di moeka Padoeka Tengkoe Besar negri Deli serta telah menoeroenkan tanda tangan dan tjapnja di dalam Gran² itoe, bahasa itoe tanah soedah djadi milih kapada kami semoeanja.
Sesoedahnja itoe baharoelah kami orang semoeanja mendirikan roemah² dan bertanam-tenaman, di atas tanah haq masing² dengan maksoed pada tempat itoelah akan mentjahari penghidoepan serta memeliharakan anak bini masing² dan setengahnja ada jang mendirikan roemah papan atap genteng dan setengahnja roemah papan atap nipah toeroet sebegimana kamampoeannja masing², sehingga sampeilah siap masing² ampoenja tempat, dalam bebrapa boelan kami orang telah mendoedoeki tempat itoe tiadalah soeatoe apa gendala.
Dalam hal jang demikian pada boelan April 1897, maka datanglah saorang toean Ingenieur Burgerlijke Openbare Werken pereksa dan meoekoer itoe tanah serta mendirikan pantjang² di atas tanah haq kami itoe, kemoedian tiada selang bebrapa hari lama antaranja maka datanglah padoeka toean Breuking aspirant controleur di Medan memberi perentah kapada kami semoeanja bahoea dalam tempo 8 hari kami semoeanja misti pindah dari itoe tempat serta memboengkar roemah² tempat kadiaman kami itoe serta mentjaboet sekalian tanam tenaman jang telah kami tanamkan di atas itoe tanah, apakala kami orang tiada menoeroet perentah itoe, kelak akan di soeroeh boengkar dan di tjaboet oleh politie dengan orang rantai. Pada waktoe itoe kamipoen moehoen pereksa kapada toean Breuking, karana apa perentah jang demikian di djalankan atas kami, sebegimana kata toean Breuking segala tanah jang telah di djoeal oleh Tengkoe Galib itoe ijalah termasoek kapada tanah loemba koeda.
Itoepan karana fikiran kami jang itoe tanah soedah njata djadi haq kapada kami anganlah kami akan menoeroet perentah jang demikian, sehingga datanglah panggilan dari padoeka toean controleur Medan, serta mengasih perentah lagi jang kami semoeanja dengan sigera misti pindah dari itoe tempat, hatta djawab apapoen jang telah di maäloemkan tiada djoega loeloes, melainkan roemah² itoe di boengkar dan di pindahkan djoega serta tanam tenaman itoe di tjaboet. Kemoedian tiada bebrapa hari lagi datanglah perentah jang kami semoeanja akan mengadap di medjilis karapatan, itoepoen kami mengadaplah dengan bebrapa kali boeat di pereksa itoe perkara, achirnja sepandjang titah Tengkoe Pangeran Bandahara Deli, ta’dapat tiada kami semoeanja misti pindah djoega dari itoe tempat serta dengan lekas² boengkar itoe roemah² dan tjaboet itoe tanam tenaman semoeanja dengan tiada mendapat ganti karoegian soewatoe apa; walakin dengan djalan apa sekalipoen kami sekalian berdatangkan sembah maaloem sopaja moedah moedahan adalah koernia akan djadi ganti karoegian kapada kami masing² itoepoen tiada djoega di perkanankan.
Waktoe itoe telab adzamlah di dalam hati masing² jang kami sekalian roepa²nja akan djadi teraniajalah di dalam perkara itoe dan saäkan² poetoeslah pengharapan kami semoeanja dari kaädilan wakil daulat sripadoeka Gouvernement dan Radja di dalam negri Deli.
Maka dengan pertolongan toean W. G. van den Berg, vendumeester di Medan di toendjoekkannjalah kapada kami, bahoea terlebeh baik itoe perkara di serahkan kapada saorang toean nama Mr. J. van den Brand, Advocaat jang baharoe datang dari Semarang masa itoe tinggal menoempang di Medan Hotel, maka dengan bersigeralah kami semoeanja pergi mendapatkan toean itoe boeat minta pertolongan sopaja boleh di oeroeskannja kami poenja perkara itoe moedah²han terpeliharalah kami dari pada aniaja itoe. Maka apabila bertemoelah kami dengan toean Mr. J. van den Brand, kami tjeritakanlah oesoel atsalnja perkara itoe kapadanja dan waktoe itoe djoega kami serahkanlah perkara itoe kapadanja dengan koewasa jang semporna.
Kemoedian dari pada itoe datanglah perentah dari padoeka toean controleur dan Tengkoe Pangeran Bandahara memaksa sopaja dengan sigera djoega kami sekalian pindah dan boengkar itoe roemah² dari tempat jang terseboet, dan sopaja djanganlah sampei datang politie dengan orang rantai akan memboengkar roemah² itoe.
Maka pada waktoe itoe djoega kami semoeanja chabarkanlah kapada toean Mr. J. van den Brand bahasa ada perentah jang demikian, maka djawab toean Mr. J. van den Brand kapada kami sekalian bahoea perentah jang demikian djanganlah di toeroet dan djikalau ada politie atau siapa djoegapoen jang datang hendak memboengkar itoe roemah² serta mentjaboet segala tanam tenaman itoe hendaklah kami semoeanja melawan dengan bersoenggoeh² hati walaupoen hingga sampei besipoekoelan sekalipoen, serta toean Mr. J. van den Brand soeroeh pada kami sekalian dengan bersiap sendjata, apabila mendjadi perkara toean Mr. J. van den Brand lah jang akan mengadap di moeka pengadilan.
Dalam hal jang demikian toean Mr. J. van den Brand pergilah menghadap toean Resident dan toean Controleur meraberi tahoekan itoe perkara, basasa kalau ada politie atau siapa djoegapoen jang hendak memboengkar roemah² atau mentjaboet segala tanam tenaman di tempat jang terseboet akan di soeroeh poekoel dan lawan dengan bersoenggoeh² hati, walaupoen mendjadikan bersiboenoehan² sekalipoen begitoelah kata toean Mr. J. van den Brand kapada toean Resident dan kapada toean Controleur.
Kemoedian selang bebrapa hari antaranja kami orangpoen di panggillah di moeka karapatan Medan waktoe menghadap itoe toean Mr. J. van den Brand adalah djoega bersama² dengan kami menghadap di moeka karapatan itoe.
Apabila di pereksa itoe perkara maka toean Mr. J. van den Brand telah djawab di moeka karapatan itoe, kalau Sripadoeka Toeankoe Sulthan mau seleseikan itoe perkara dengan djalan damei serta membajar karoegian semoeanja itoe saja mau terima, kalau tiada begitoe saja mintak lebeh dahoeloe itoe perkara akan di poetoeskan oleh pengadilan Gouvernement, sesoedahnja itoe toean Mr. J. van den Brand poen kombalilah.
Maka antara bebrapa hari lamanja datanglah panggilan kapada kami semoeanja akau menghadap lagi di moeka karapatan boeat menerima bajaran ganti dari karoegian kami masing² menoeroet sebegimana djoemalah kami orang ampoenja kira, lantas kami semoeanja pergilah terima bajaran itoe. Akan tetapi di dalam kami semoeanja melainkan Hadji Oesman djoega jang tiada menerima wang bajaran itoe dan di idzinkanlah dianja boeat tinggal beroemah di atas tanah itoe djoega hingga sampeilah pada masa ini, itoepoen sangatlah herannja hati kami atas Hadji Oesman itoe karana apa dianja boleh tinggal djoega di atas itoe tanah.
(w. g.) Deman M. Tagor.
AANTEEKENINGEN
[1] In het volgende wordt behandeld de lezing in „Moederland en Koloniën” door den heer P. J. Kooreman, Oud-Resident der Oostkust van Sumatra, gehouden, zooals zij in haar geheel is afgedrukt in het extra-bijvoegsel van de Deli-Courant dd. 9 Februari 1903.
[2] Verkeerd begrepen.
[3] Het Recht in Nederlandsch-Indië 1894 deel 62, blz. 22.
[4] Toen was de heer Kooreman resident van Sumatra’s Oostkust.
[5] Het heeft mij verwonderd, dat door niemand bij de bespreking der „Millioenen uit Deli” op dit weerzinwekkende feit gewezen is.
[6] Het moge ongelooflijk schijnen, maar dezen man, den heer Van den Berg bedoel ik, die mij de eerste inlichtingen in deze zaak gaf, moest ik beloven, zijn naam niet noemen bij mijn gesprek met den Resident. De man was bang, dat het hem zijn pensioen kon kosten. Hij is nu reeds gepensioneerd, dus kan mijn onbescheidenheid hem waarschijnlijk niet meer schelen.
[7] Lieden, staande onder het rechtstreeksch bestuur van het Ned.-Indisch Gouvernement.
[8] Het verhaal dezer zaak met kleine afwijkingen hier en daar vindt men in het Maleisch van de hand van Mangaradja Tagor op blz. 52.