Nog eens: de millioenen uit Deli

Part 3

Chapter 33,826 wordsPublic domain

„In het afgeloopen jaar zijn uit de residentie Bagelen alleen 1420 menschen naar Deli gegaan, en er zijn nog veel Javanen uit die residentie in den vreemde. Dit is wel een bewijs, dat er in die residentie veel armoede heerscht.

Och ja, ieder weet het, alleen de man die er voor betaald werd om het te weten, wist het niet: armoede, nijpende armoede alleen en het verlokkende voorschot, waardoor hij tijdelijk gered is, doen den Javaan besluiten zijn ziel te verkoopen (zooals hij het noemt) en naar Deli te gaan. En ieder—behalve weer de Oud-Resident—weet, dat onder de inlandsche bevolking van Nederlandsch-Indië Deli als een hel bekend staat.

Mocht de heer Kooreman, die dit moeilijk zal kunnen aannemen, mij niet gelooven op mijn woord, welnu ik verzoek hem het volgend berichtje te willen lezen, dat ik knipte uit de Deli-Courant van 12 Januari 1903.

Het voorbeeld is dus zeer recent. Hier is het:

Men schrijft uit Batavia aan Het Centrum te Djokdjakarta:

Niettegenstaande de Assistent-Resident van Soerakarta strenge maatregelen heeft genomen, tot tegengang van den, destijds daar zoo welig tierenden sluikhandel in Deli-koelies, blijft die plaats tot heden toch nog een gemakkelijk en voordeelig exploitatie-terrein, voor de wervers.

Onder de contractanten, die hier dezer dagen aankwamen, waren twee vrouwen, Bok Jati uit Paras (Solo) en Bok Saminah uit Moentilan, Kedoe, die geweigerd hadden voor de bevoegde autoriteit te worden gebracht, tot het sluiten van een zoogenaamd koelie-contract, omdat zij geenszins van plan waren naar de buitenbezittingen te gaan.

Bok Marto van Balapen (Solo), die haar heeft afgeleverd, verzekerde haar onder schoone beloften, dat zij niet naar Deli gezonden zouden worden, maar als kokki in dienst moesten komen bij een toewan aan de kalibesar, door welke mededeeling zij gerust gesteld werden, en om haar in dezen waan te bevestigen, moesten zij niet, evenals de andere contractanten, met wie zij hierheen samen reisden, zich voorzien van vergunning der respectievelijke regenten, maar konden zij zich behelpen met soortgelijke stukken van twee contractvrouwen, die een maand te voren aan de firma Soesman & Co. te Semarang waren gezonden, doch afgekeurd werden wegens lichaamsgebreken.

Deze twee vrouwen scharrelen hier nog dagelijks rond, in de hoop door prostitutie wat geld bij elkaar te krijgen voor de kosten van de terugreis naar hare kampongs.

Op mijn aandringen om over deze schandelijke misleiding zich bij het bestuur te beklagen, verklaren zij eenparig zulks niet te durven, en wilden ze, zoo haar bedrijf niet zoo voordeelig is om daarmede voldoende contanten te krijgen, desnoods te voet de terugreis aanvaarden. Intusschen bewonder ik den moed van deze vrouwen, omdat zoovelen vóór haar aldus verschalkt, door den bitteren nood gedwongen, ten slotte buigen voor den onversaagden dwang van den rusteloozen werver.

Hierna geeft de heer Kooreman een geschiedkundig overzicht van de ontwikkeling der residentie Oostkust van Sumatra. Het eenige, wat ons hierdoor duidelijk wordt, is, dat de verhandelaar wenscht te concludeeren, dat het Gouvernement van Nederlandsch-Indië bij lange niet tegenover Deli zijn plicht heeft gedaan, een conclusie, waarmede ik mij geheel kan vereenigen. De heer Kooreman beklaagt zich terecht over het feit, dat de Indische Regeering aan het Bestuur ter Oostkust geen voldoende middelen gaf, om de ordonnantie te handhaven. Het gevolg hiervan ligt voor de hand: misbruik van de zijde der machthebbers, i. c. de planters. Dezen, geen voldoende hulp en steun kunnende vinden bij het Gouvernement, waren verplicht het recht in eigen hand te nemen. Tot welke uitspattingen dit—oogluikend toegestaan—privilegie moest leiden, weet ieder, die eenigszins met Deli’s verleden op de hoogte is.

Vandaar de ergernis bij velen over de houding van den heer Cremer, toen hij minister was. Ieder moest verwachten, dat de man, die in de tijden der grootste bandeloosheid zijn fortuin heeft gemaakt, in het gewest, waarvan hij de ongeoorloofde verhoudingen zoo goed kende, voor goed orde en regel zou hebben gevestigd. Een verwachting, waarin men deerlijk is teleurgesteld.

De bewering van den heer Kooreman, dat het Bestuur thans op elk gebied den toestand meester is, kan ik evenwel niet onderschrijven, al voegt hij er ook bij, dat het Bestuur „de middelen mist, om overeenkomstig de eischen van elke geordende maatschappij in voldoende mate te voorkomen misdrijven, overtredingen, ontduikingen, ook van de koelie-ordonnantie.” Het hoofdstuk „Rechtspraak” mijner brochure zal trouwens den onpartijdigen Lezer wel anders geleerd hebben.

Een voorbeeld: Op het oogenblik, dat ik dit schrijf—11 Februari 1903—is het nog geen week geleden, dat ik van een planter, met wien ik over zaken correspondeerde, uit Britsch-Borneo bericht kreeg, dat hij in der haast Deli had moeten verlaten, wegens een koelie-perkara. Wat de man misdreven heeft, weet ik niet. Zijn overhaaste vlucht wijst echter niet op een kleinigheid. In geen der beide plaatselijke bladen is hierover iets te vinden.

Dit bewijst: primo, dat het Bestuur niet alleen preventief machteloos is; secundo, dat het beweren van den heer Kooreman, als zou in Deli alles terstond ruchtbaar worden, niet op de werkelijkheid is gegrond. In tegendeel, er is geen land ter wereld, waar beter gezwegen wordt dan juist in Deli. Et pour cause!

Van rechtsveiligheid, wat de Oud-Resident ook moge beweren, is in Deli geen sprake. In dat opzicht hebben de Europeanen zich bijna even sterk te beklagen als de inlanders. Ik zeg bijna, omdat den Europeaan, die gerechtelijk vervolgd wordt, de middelen van getuigen-verduistering en vlucht nog steeds ten dienste staan, den inlander bijna zonder uitzondering niet. Pleegt dus een inlander een misdrijf, dan is er kans—hoewel niet veel, met het oog op de geheel onvoldoende politie—dat de schuldige gestraft wordt. Is de bedrijver een Europeaan, dan is het zoo goed als zeker, dat de Gerechtigheid te kort schiet. De Europeaan is dus eenigszins tegenover den inlander gedekt, omgekeerd niet.

Wij zijn nu gekomen aan wat ik eenige bladz. vroeger de martelcasuistiek van den heer Kooreman noemde. Deze dan, geheel in zijn rol van verdediger opgaande, pleit voor de plegers der door mij verhaalde gruwelen verzachtende omstandigheden.

Naar de meening van den verdediger zou de politierol, die immers bewaard wordt, ons inlichting kunnen geven over het geval van den koetsier, die wegens liegen gestraft werd. Deze onnoozelheid zal wel niemand willen slikken, daar ieder begrijpt, dat de betrokken Magistraat de domheid niet zal hebben begaan, in de rol te boeken, dat den man wegens liegen de straf werd opgelegd. Daar zal natuurlijk iets anders genoemd zijn.

Een hooggeplaatst ambtenaar te Medan deelde mij indertijd mede, hoe het hem bekend was, dat een geheele rol valsch was opgemaakt: gefingeerde getuigen, etc. De rol zou ten deze niet het minste bewijzen. Op het verzoek van den heer Kooreman, er mee voor den dag te komen, moet ik antwoorden als aan den Resident op blz. 11: „Alleen aan de Regeering bij een door haar bevolen algemeen onderzoek en onder beding van straffeloosheid van den betrokkene, wil ik mededeeling doen.”

De lezing, die de heer Kooreman geeft van het geval der mishandelde vrouw (blz. 29 der brochure) en welke hij zegt te hebben van den pas teruggekeerden resident Van der Steenstraaten verschilt aanmerkelijk van hetgeen ik gehoord heb. Toch meen ik de lezing van mijn berichtgever voorloopig te moeten vertrouwen. Het schijnt mij n. l. toe, dat de heer Van der Steenstraaten zijn voorstelling van zaken pas opgedaan heeft na zijn terugkeer in Holland. Immers zou hij, indien het geval hem was gerapporteerd, toen hij nog in functie was, zeker de zaak hebben vervolgd en zou dan minstens de huishoudster, als hoofddaderes, zijn gestraft. Een feit is echter, zooals ik reeds mededeelde, dat het Bestuur in Deli niets van de zaak wist op het oogenblik, dat mijn brochure het licht zag. Waarom kwam de Assistent-Resident anders bij mij om inlichting? Een andere vraag is, of het gemakkelijk zal zijn, de geheele waarheid aan het licht te brengen.

Waarom ik het geval der vijf afgeranselde Chineesche wegloopers, die ik zelf gezien heb in al hun ellende, niet aan de overheid mededeelde? Eenvoudig omdat ik de gast was van den bedrijver dezer wreedheid, toen ik toevallig de ongelukkigen ontdekte. Ik ging nl. de droogschuur in, waar zij lagen, omdat ik de stem van mijn gastheer hoorde, dien ik zocht. Ik achtte mij niet geroepen, den man te verraden, en ik geloof, dat wel niemand in mijn geval anders zou hebben gehandeld.

Bij het volgende geval—de mishandeling eener vrouw door den beheerder eener onderneming—vindt de heer Kooreman mijn uitdrukking „het was afgrijselijk” niet gewettigd, daar die vrouw nog in staat was naar den controleur te loopen, nadat zij de mishandeling had ondergaan. Ik voor mij vind het slaan eener vrouw op zich zelf reeds afgrijselijk, en zeker in dit geval, waarbij de billen een vuile, vieze, etterige en bloederige massa vertoonden, al zij het ook waar, dat de mishandelde nog in staat is geweest, zich naar den controleur te slepen. De heer Kooreman moge zoo iets de allergewoonste zaak ter wereld vinden, mij en anderen lijkt zij afschuwelijk.

Het volgende, de beschrijving van den toestand in een hospitaal in Serdang, is niet van mij. Ik nam het over uit de Java-Bode. Ik geloof echter niet, dat al ware deze beschrijving, gelijk de heer Kooreman beweert, op effect berekend, dit gebrek in den stijl de schandelijkheid der toestanden wegneemt. Want, op effect berekend of niet, de beschrijving is, wat de feiten betreft, der waarheid getrouw.

De overige gevallen worden door den heer Kooreman zonder meer erkend als te zijn geschied of zijn reeds door mij besproken, behalve het geval op blz. 52 mijner brochure vermeld, waarvan de heer Kooreman zegt, dat het niet geheel waar kan zijn, omdat volgens het werkcontract de vrouwen ook recht hebben op loon voor de dagen, dat zij niet werken, het geval van ziekte gedurende meer dan dertig dagen uitgezonderd. Hoe komt de heer Kooreman hierbij? Hij leze het model-contract voor de Javaansche vrouwen op blz. 66 mijner brochure eens na! Doch al ware het zoo als hij meent, zou het een onmogelijkheid zijn, dat de administrateur zich niet aan de bepaling van het contract gehouden had? Trouwens, ik heb het verhaal van den assistent, die er den beheerder een opmerking over maakte.

Doet het echter veel af of toe, of er misschien kleine fouten schuilden in de verhalen, die door mij werden gedaan? Het blijkt toch ten duidelijkste, dat de kern van alles wat ik mededeelde waar was, en waarom zouden nu, waar de voorstelling der zaken door den Oud-Resident en die door mij slechts in de details verschillen, de inlichtingen omtrent die bijzaken door den Resident ontvangen steeds juist moeten zijn en die, welke ik ontving, onjuist?

Zie, als ik op blz. 6, 2de kolom van de lezing, zooals die in het bijvoegsel van de Deli-Courant te vinden is, lees, dat „men op Java de ringgit boeroeng of Mexicaansche dollar even goed kent als de ringgit kompenie of rijksdaalder”, dan moet ik gelooven, dat er onder de hoofden in de Preanger, aan wie de heer Kooreman zegt deze enormiteit te ontleenen, veel grappenmakers gevonden worden, die het zelfs wagen, een loopje met een Resident te nemen.

Daarom, zoolang ik nog geen betere tegenbewijzen heb dan loutere verzekeringen van een bestrijder, wiens goede trouw niet geheel buiten verdenking is, blijf ik bij de door mij gegeven détails. Intusschen dank ik den heer Kooreman voor zijn erkenning der feiten.

Aan deze gruwel-casuistiek des heeren Kooreman sluit zich heel geleidelijk aan, wat hij over de Javaansche vrouwen en haar loonen meent te moeten verkondigen. Zoo beweert de Oud-Resident, dat het werk der vrouwen, in onkruid wieden, wormen zoeken, vegen, het aanleggen der kweekbedden en dergelijk licht werk bestaat. Indien hij gezegd had, dat het in deze bezigheden behoorde te bestaan, zou ik hem om zijn menschlievendheid hebben geprezen, evenzeer als ik den heer Kooreman nu laken moet over zijn gebrek aan waarheidsliefde, of—indien hij werkelijk niet beter weet—over zijn gebrek aan wetenschap. Een feit toch is het, dat men herhaaldelijk vrouwen ziet gebezigd voor werk, waar in Nederland polderjongens voor worden gebezigd. Grint uit de rivier baggeren, steenen kloppen, beertonnen van Chineezen wegdragen en leegen, e. d. zijn werkzaamheden, welke, behalve de door den heer Kooreman genoemde, aan de vrouwen worden opgedragen. Ook stemt het niet met de waarheid overeen, waar de Oud-Resident beweert, dat van de ongehuwde vrouwen niets tot aanzuivering van het voorschot wordt gekort.

Dat de heer Kooreman het met de waarheid zoo nauw niet neemt, blijkt o. m. hieruit, dat hij zijn hoorders tracht wijs te maken, dat de sedert een paar jaar bestaande loonsverhooging van 6 op 7 dollars voor een man en van 3 op 4½ dollar voor een vrouw, het nadeelig verschil van den dollarkoers vergoedt. Deze loonsverhooging dateert van ongeveer Juli 1902, dus ruim een half jaar, en is waarschijnlijk een gevolg van de vergadering van den Indischen Bond van 29 Maart 1902, waar op het lage peil der loonen gewezen was. De loonsverhooging der vrouwen in Serdang, wier loonen met 1 dollar per maand op verzoek van den tegenwoordigen Resident door de planters verhoogd zijn, dateert van 1 Januari 1903, en ik meen te mogen gelooven, dat zij te danken is aan den invloed mijner brochure.

Van deze dingen vindt men in de plaatselijke bladen niets vermeld. Zelfs zulke zaken, waarover men zich betrekkelijker wijze gesproken niet behoeft te schamen, worden verzwegen. De planters haten—en met reden—alles wat naar publiciteit zweemt. In geheimzinnigheid doen de administraties der ondernemingen niet onder voor de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur.

De conclusie van den heer Kooreman is, dat de ongehuwde vrouw, als zij dat wil, best kan rondkomen en zich voldoende kleeden, zonder dat zij zich behoeft te prostitueeren.

In deze meening staat de Oud-Resident te midden van al zijn bondgenooten alleen: al de anderen erkennen ten minste eerlijk, dat de loonen dezer vrouwen te laag zijn. Zelfs doet dat de Sumatra Post in haar door den heer Kooreman aangehaald hoofdartikel van 27 November j.l. Maar de Oud-Resident, zich, zooals ik reeds opmerkte, beschuldigd wanende, tracht zich schoon te wasschen, en zijn systeem van verdediging brengt mede, zoo weinig mogelijk te erkennen en zooveel mogelijk te ontkennen of te vergoelijken.

Evenals de serviliteit der planters voor de ambtenaren B. B., bestaat volgens den heer Kooreman het toetoepstelsel geheel in mijn verbeelding (blz. 7, 2de kolom). Twee alinea’s verder erkent hij het echter volmondig voor zoover de zoogenaamde klapzaken betreft, hoewel onder het voorbehoud, dat in de laatste jaren van het toetoepen van zaken geen sprake meer was. Daarover heb ik een geheel andere meening en blijf er bij, dat in de laatste jaren herhaaldelijk zaken getoetoept zijn. Deze zaken betroffen niet alleen klapzaken, doch ook verduistering, oplichting, misbruik van vertrouwen, zware mishandeling e. d. Het ligt, ik herhaal het nogmaals, niet op mijn weg de namen der betrokkenen bekend te maken en ik ben alleen op de bekende voorwaarden geneigd, mijn beschuldigingen te staven. Trouwens, wie, die slechts een kennis heeft, die in Deli geweest is, heeft wel nooit van dat toetoepen vernomen? Het feit is in Nederland bijna even goed bekend als hier.

De heer Kooreman echter weet er niets van. Welnu, er zijn zooveel dingen in Deli, die de heer Kooreman zegt niet te weten, dat ook dit er gerust bij kan. Zijn blindheid bewijst niets tegen anderen, die hun oogen open hadden. Ik maak van deze gelegenheid gebruik, uitdrukkelijk te verzekeren, dat het in „De Millioenen uit Deli” aangehaalde voorbeeld van de laatste residents-vendutie in de verte niet de bedoeling had, een smet te werpen op het karakter van den Oud-Resident Van der Steenstraten. Mijn bedoeling was, zooals ik op blz. 19 dier brochure reeds zeide, uit te doen komen de drie groepen, welke belang hebben bij slapheid van bestuur en het slapen der Justitie: de inlandsche Vorsten, de Chineesche hoofden, de planters. De hooge prijzen op zoo’n vendutie besteed, dienen dan ook vaak om te laten zien, wat de opvolger verwachten mag, indien zijn opvatting van zijn taak in overeenstemming zal blijken te zijn met die der belanghebbenden.

Nu blijven er nog enkele zaken, waarover weinig te argumenteeren valt, en waarbij men door heen en weer geschrijf niet veel verder komt dan kijvende jongens met hun „’t is wellis” en „’t is nietis.” Zoo zeg ik b. v. dat de planters tegenover de ambtenaren B. B. serviel zijn, de heer Kooreman spreekt ervan, dat de ambtenaren ter Oostkust „hoog staan” bij de planters en door hen „geacht worden”, wat hieraan is te wijten (sic), dat zij hen dagelijks onvermoeid bezig zien in het zoo nauwgezet mogelijk vervullen hunner plichten.

Zoo is de Oud-Resident (blz. 6, 2de kolom) hoogelijk er mede ingenomen, dat de Chineesche hoofden de bezitters zijn van de publieke huizen, en deelt hij dus blijkbaar mijn verontwaardiging niet, dat in den Landraad als Rechters deze menschen zitting hebben [5]. Ook zal het hem dus niet ergeren, dat de hoogste ambtenaren met hunne dames bij dergelijke bordeelbezitters visites maken en op receptie gaan, iets, laat ik dit er ter verontschuldiging bijvoegen, waartoe zij wel officieel zijn gedwongen, daar immers deze lieden Chineesche Hoofden zijn en dus ambtenaren van het Gouvernement.

Zoo is het mij onbegrijpelijk, hoe de heer Kooreman in zijn conclusie de toestanden in Deli „zeker bevredigend” kan noemen, waar hij op blz. 7 spreekt van de „werkliedenkoloniën, zonder wettig dagelijksch bestuur en in den regel zonder politie.”

Ook zouden er nog grootere en kleinere vergissingen en tegenstrijdigheden, die echter het hart der zaak niet raken, zijn aan te toonen in de verdediging van den heer Kooreman. Ik wil mij daar evenwel niet mee bezig houden. Mijn doel was—en ik meen het bereikt te hebben—aan te toonen, dat de in „De Millioenen uit Deli” sluimerende gevolgtrekking onaangetast is gebleven:

DE EERE GODS EN DIE VAN NEDERLAND EISCHT EEN ONMIDDELLIJK EN KRACHTIG INGRIJPEN DOOR DE REGEERING TOT VESTIGING IN DELI VAN DIE ORDE EN REGEL, ALS ALLEEN VEREENIGBAAR ZIJN MET DE GRONDSLAGEN VAN EEN CHRISTELIJKEN STAAT.

Hiermede zou ik kunnen sluiten, ware het niet, dat ik de aandacht van den Lezer nog wenschte in te roepen ter opheldering van een persoonlijk feit. Ik ben die opheldering den heer Kooreman en mijzelf verplicht en geef ze, hoewel ongaarne, openhartig.

Behalve de algemeene klacht over gebrek aan publieke opinie in Deli, meent de heer Kooreman speciaal drie personen ter verantwoording te moeten roepen, die nagelaten hebben de overheid, die immers zoo gaarne zou hebben geluisterd, hun ondervinding mede te deelen.

Deze drie nalatigen zijn: Dr. Tschudnowsky, geneesheer van de Arendsburg-Maatschappij, die zijn beweerde ervaringen als Delisch dokter geheim heeft gehouden, om er later in Europa een sensatiewekkende verhandeling over te schrijven; de Nederlandsche geleerde, vermeld op blz. 26 van „De Millioenen uit Deli” en de schrijver dier brochure. De heer Kooreman vraagt, waarom geen van die drie hem, toen hij resident was, met zijn bevindingen in kennis heeft gesteld. De redenen, welke Dr. Tschudnowsky, wiens persoon noch verhandeling mij bekend zijn, en den Nederlandschen geleerde, wiens naam mij zelfs onbekend is, hebben bewogen tegenover den Resident Kooreman te zwijgen, kan ik niet beoordeelen. Maar nu hij mij zoo uitdrukkelijk vraagt, waarom ik niet tot hem gesproken heb, wil ik hem de reden onomwonden zeggen.

Het was op een avond in de maand October 1897—ik was pas te Medan gevestigd en woonde nog in het Medan-hôtel—, dat ik na den eten, dus ongeveer negen uur half tien, zat te lezen op de voorgalerij van mijn kamer. De krees (rieten valgordijnen) waren neergelaten en alles was doodstil. Daar werd er tegen een der houten pilaren bij de trap, die toegang tot de galerij gaf, geklopt. „Binnen!” riep ik, meenende dat een der gasten van het hôtel mij kwam opzoeken, om den bekenden Indischen „boom” te komen opzetten. Ik kreeg geen antwoord, doch het kloppen werd herhaald. „Sapa?” riep ik nu, een inlander met een boodschap vermoedend. Daar werd de kree een weinig opgelicht, en een Maleier schoof naar binnen, gevolgd door een tweeden, een derden, een vierden, een vijfden, een zesden, een zevenden! Om de waarheid te zeggen, voelde ik mij niet geheel op mijn gemak, doch toen ik ze allen op een rijtje langs de lambrizeering zag neerhurken, werd ik omtrent hun bedoelingen gerust gesteld. Na een paar inleidende vragen, deelde mij de woordvoerder in keurig zoogenaamd Hoog-Maleisch—ik herinner mij dat, omdat dit de eerste maal was, dat ik die taal hoorde spreken—mede, wat hen tot mij bracht. Hij dischte mij een verhaal op, zóó echt iets uit een boek en voor mij, die pas van Java kwam, zóó onwaarschijnlijk, dat ik het niet kon gelooven. Ik beloofde echter, de zaak te zullen onderzoeken en vroeg hen over twee dagen, doch ’s ochtends, terug te komen. Overdag dorsten zij niet, zeiden zij, en daar ik de geschiedenis romantisch begon te vinden—ik herhaal, dat ik er niets van geloofde—bepaalde ik het uur van samenkomst op den volgenden avond om denzelfden tijd.

Den volgenden dag onderzocht ik de zaak en bevond, dat mijn nachtelijke bezoekers de waarheid hadden gesproken. Ziehier het verhaal, dat zij mij gedaan hadden, aangevuld met wat mij later bij de behandeling der zaak is gebleken, en het verloop dat zij had.

Dicht bij Medan is een renbaan, gewoonlijk racebaan genoemd, waar twee maal per jaar paarden-wedstrijden worden gehouden, ook weer betiteld met den Engelschen naam races. Dicht bij deze baan waren door eenige Maleiers—mijn bezoekers—huizen gebouwd. Zij hadden daartoe het erfpachtsrecht op een stuk grond, aan het terrein van de renbaan grenzende, behoorlijk van den eenigen grondeigenaar in Deli, den Sulthan, gekocht en betaald. Vervolgens hadden zij, gelijk ik reeds zeide, op de hun in erfpacht afgestane terreinen huizen gebouwd en die betrokken, terwijl zij op het overschietende terrein aanplanting van vrucht- en sierboomen hadden gemaakt. Op een goeden dag—datums weet ik natuurlijk niet—werd hun door den aspirant-controleur van Medan aangezegd, dat zij daar niet wonen mochten, hun huizen en stallen moesten afbreken en verhuizen. De reden waarom werd hun niet medegedeeld; het was eenvoudig een prentah-companie (bevel van het Bestuur) De eigenaars maakten—zeer natuurlijk—geen haast om aan dat bevel te voldoen. Zij bepraatten de zaak wat onder elkander en besloten te blijven, waar zij waren, en den loop der dingen af te wachten. Nogmaals kregen zij bezoek van denzelfden aspirant-controleur, die hetzelfde bevel, doch nu nog nadrukkelijker, overbracht. De eigenaars bepraatten wederom de zaak en besloten weer te blijven zitten. Zulke brutale rakkers!

Na verloop van eenigen tijd kregen zij bevel voor den karapatan te verschijnen. De karapatan is de inheemsche rechtbank, voorgezeten door den Sulthan, waarbij de Magistraat van Medan zitting heeft als adviseerend lid. Hier werd hun medegedeeld, dat zij hun terrein hadden te ontruimen en de daarop gebouwde woningen en stallingen moesten afbreken. Of zij geen schadevergoeding zouden krijgen, vroegen de eigenaars. Neen, daarvan was geen sprake, zij hadden te verhuizen zonder meer, zij mochten daar niet wonen. Zij moesten al wat zij gebouwd hadden afbreken, mochten de afbraak houden, maar schadevergoeding—daarvan kon geen sprake zijn.