Nog eens: de millioenen uit Deli

Part 2

Chapter 23,727 wordsPublic domain

En dan het onderzoek bij de British-Deli? Zeker, ik geef toe, dat een gedeelte der ondernemingen dezer maatschappij in Langkat ligt. Doch doet dit wel iets ter zake?

Trouwens al wat door den Oud-Resident Kooreman over het onderzoek bij de British-Deli and Langkat Tobacco Cy. gezegd is, mangelt aan goede trouw. De inlichtingen omtrent deze zaak had de correspondent van de Java-Bode (C. de Coningh) van den man, die met het onderzoek belast is geweest, den toenmaligen Assistent-Resident H. van der Steenstraten. En de heer Kooreman zelf was toen Resident.

Ik verwijs verder naar de verklaring hieromtrent door den heer C. de Coningh op blz. 50. Hieruit zal men zien, dat de heer Kooreman geen recht had, de voorstelling der feiten noch de getrokken conclusie onjuist te noemen.

Zou deze Oud-Resident in gemoede meenen, dat niet, zooals ik schreef, indien het Gouvernement wilde besluiten tot het houden van een algemeen en grondig onderzoek er ergerlijker dingen voor den dag zouden komen?

Ten slotte nog dit. Aan het einde zijner verhandeling schrijft de heer Kooreman: „Integendeel geloof ik, dat uit zijn (Mr. van den Brands) onjuiste, overdreven verhalen, uit zijn beschrijvingen van stelsels en verhoudingen, welke niet bestaan, volgt, dat de toestanden in Deli zeker bevredigend kunnen worden genoemd, al maken zich daar nu en dan enkele personen schuldig aan daden, die door u evenals door mij ten zeerste worden gelaakt.”

Hoe kan ik deze uitspraak rijmen met wat de heer Kooreman betoogt op blz. 4, 2de kolom zijner lezing: „De brochure (De Millioenen uit Deli) bevat van af omslag tot slot een doorloopend betoog, dat er niets goeds is in Deli [2], en daar toestanden bestaan zoo verdorven mogelijk. Zulke toestanden laten zich uit den aard der zaak gemakkelijk beschrijven, omdat de bewijzen als het ware voor het grijpen liggen.”

Zeker, de bewijzen liggen voor het grijpen. En niemand, die dit beter weet dan de heer Kooreman. Hij weet dan ook, dat ik werkelijk een greep deed „in de veelheid der feiten”, dat ik mij niet bezig hield met het binnenhalen van den oogst, doch slechts een ruikertje gaarde van grafbloemen uit Deli.

Toen de oude Kranenburg den jongeheer Hendrik Wildschut verweet, dat zijn vader land van de armen gestolen had en zijn bewering zoodanig met bewijzen staafde, dat Heintje de beschuldiging niet langer kon ontkennen, sprak deze de gedenkwaardige woorden: „Al is het waar, dan lieg je ’t nog.”

Door de boudheid dezer bewering begonnen sommigen aan de waarheidsliefde van den goeden Kranenburg te twijfelen.

De heer Kooreman, de koelie-ordonnantie door dik en dun willende verdedigen, meent per se mijn beweringen en feiten te moeten tegenspreken of vergoelijken en volgt het voorbeeld van den jongen Hendrik.

Zal hij door de boudheid zijner tegenspraak denzelfden indruk teweeg brengen?

Niet met mijn toestemming. De stoutheid zijner bewering, de heftigheid zijner apodictische tegenspraak zal mij niet overbluffen. Ik blijf er bij, dat als iets waar is, het niet gelogen kan zijn.

Ook in een der Indische bladen las ik de uitspraak „het is zoo en toch is het niet zoo.”

Laat ons echter bij den heer Kooreman voorloopig blijven en zien, waarom mijn voorstellingen en gevolgtrekkingen onjuist zijn en in hoeverre.

Zooveel mogelijk volg ik zijn lezing op den voet.

De heer Kooreman begon met te memoreeren, dat hij op 8 Januari 1901 in het Indisch Genootschap een lezing hield over Delische toestanden, waarbij hij in het bijzonder behandelde de rol, die het Bestuur en die welke de ondernemers in de Delische maatschappij innemen.

Ik herinner mij die lezing zeer goed. Niet dat ik er bij tegenwoordig was—dan zou zij niet het eigenaardig verloop hebben gehad, dat zij gehad heeft, n.l. dat niemand met den spreker in debat wenschte te treden—doch ik las haar in extenso, naar ik meen, in beide plaatselijke bladen van Medan. Het was bij die gelegenheid, dat de Oud-Resident, die op de hoogte van de toestanden in zijn gewest behoorde te zijn, het beruchte voorstel deed, den beheerders van ondernemingen politiemacht te geven.

Zou de heer Kooreman dat voorstel nog durven doen?

Ik moet het veronderstellen, waar hij zegt thans een vervolg te geven op die voordracht van 1901.

Politiemacht aan de beheerders! Dat wil zeggen, aan menschen, wien reeds over hun medemensch meer macht is gegeven, dan geoorloofd is, nog die macht toe te staan, welke alleen aan de Overheid toekomt. Hoe het mogelijk is, dat een gewezen Magistraat, die resident in Deli was, zulk een gruwelijk voorstel deed, verklaar ik niet te kunnen begrijpen.

Na zich op dit menschlievend antecedent te hebben beroepen, verwijt de heer Kooreman mij, dat ik Deli schilderde met schrille kleuren, en verzekert dat, indien mijne schilderingen de werkelijkheid weergaven, ieder weldenkend mensch zou huiveren van verontwaardiging.

Ik erken, dat ik niet in staat was de werkelijkheid weer te geven; dat de kleuren, welke ik aanwendde, hoe schril ook, bleven beneden de realiteit; dat ik niet in staat was, den weedom, de ellende uit te drukken, die er spreekt uit het rondschrijven van den waarnemend Assistent-Resident van Medan, dd. 5 Juni 1899, hetwelk ik opnam in mijn brochure en dat ik hier laat overdrukken.

Aan de Hoofdadministrateurs en Beheerders der Landbouwondernemingen in de afdeeling Deli.

Zoowel de hoofden der Javanen, Bojans, Bandjareezen. Mohammedaansche en Hindoesche Klingen en Bengaleezen, als die der Chineezen hebben de opmerking gemaakt, dat de lijken der contract-koelies niet overeenkomstig den adat worden begraven.

Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geen stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.

Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitsjok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).

Aangezien nu:

1o. een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost. 2o. er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en 3o. de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:

a. voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soedaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen, Bengaleezen). b. voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.), en c. voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),

van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.

De wd. assistent-resident van Medan, E. L. M. Kühr.

Medan, 5 Juni 1899.

Daarom heb ik van deze circulaire niets anders gezegd, dan dat ze humaan was. Ik meende, dat dit rondschrijven, zonder meer, in staat zou zijn het hart van den Lezer te treffen. Dit officieele stuk, in al zijn soberheid, niet jagend naar eenig effect, behoefde geen commentaar.

Zoo meende ik.

Maar de Oud-Resident Kooreman, wiens plicht het zoovele jaren geweest is, de inlandsche bevolking te beschermen tegen willekeur van de zijde der Europeesche ingezetenen (art. 29 Instr.) hoorde dezen schreeuw der ellende niet. De strijdkreet „Pro Servitute” klonk luider dan de gil der menschelijkheid, die ’s ridders paard met de hoeven vertrad.

Deze circulaire, evenmin als het terugstootende sjoekoeliën achtte de verhandelaar een woord waardig. Wel achtte hij het de moeite waard, zich te verdiepen in het vraagstuk, of het wel zoo erg is, een vrouw ten bloede toe te geeselen, als zij toch nog loopen kan.

Laat ik niet afdwalen. Wij zijn nog niet aan ’s Residenten martel-casuistiek.

De heer Kooreman verzekert ons, dat het niet in zijn plan ligt, het gewest geheel te zuiveren van alle vlekken. Hij erkent, dat er misstanden zijn, maar daarom zijn de wangedragingen van enkelen niet de ondeugden van allen en wel nergens ter wereld is er een land zonder misbruiken, waar misdrijven noch overtredingen voorkomen.

Hier herinnert de spreker mij aan mijn huisbaas, die, nadat ik mij had beklaagd, dat het overal doorregende, mij antwoordde: „kom, kom, het lekt wel eens in ieder huis.” Zeker, dat doet het ook. Maar ik vind, dat men in ieder geval een behoorlijk dak moet hebben.

Alvorens verder te gaan, verzoek ik den vriendelijken Lezer verlof uit te mogen gaan van de volgende stellingen:

a. De heer Kooreman kan behoorlijk lezen; b. De brochure „De Millioenen uit Deli” kan door een middelmatig Resident-in-ruste begrepen worden.

Mijn brochure begint met een inleiding, waarin in hoofdzaak een verslag wordt gegeven van de vergadering der afdeeling Medan van den Indischen Bond op Zaterdag 29 Maart 1902. Eerst krijgt men de rede van den heer De Coningh. Deze beweerde, dat het koelie-systeem ter Oostkust van Sumatra is „een vermomde en niet eens zwaar vermomde, zij het ook tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap.” Wat geeft nu den heer Kooreman het recht te beweren, dat ik dat gezegd heb? Ik, die juist op den voorgrond heb gesteld, dat het mij niet deert, of die toestand al of niet valt onder de rechtskundige definitie van slavernij (blz. 14 Millioenen uit Deli). Wel doet het minder ter zake, daar ik gaarne de beweringen van den heer De Coningh voor mijn rekening zou willen nemen. Maar het teekent weer de wijze van optreden van den heer Kooreman, die mij misschien straks nog de humoristische denkbeelden van den heer Lefèbre in de schoenen schuift.

De heer Kooreman zegt, dat deze bewering van den heer De Coningh (ik verbeter) op geen enkel bewijs steunt, omdat door deze geen speciale gevallen worden behandeld.

Komaan. De heer De Coningh zegt:

„Het is eenvoudig eene vermomde en niet eens een zwaar vermomde, zij het ook tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap en vermoedelijk zal wel niemand slavernij willen verdedigen, anders dan op utiliteitsgronden ten behoeve van cultuur- of nijverheidsondernemers, die, terecht of ten onrechte, meenen, hun bedrijf zonder slavernij niet winstgevend te kunnen uitoefenen.

Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als slaven beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over.

Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeeringswege als zoodanig beschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit de model-werkcontracten, beide vastgesteld door den Gouverneur-Generaal.

Wij vinden, bijvoorbeeld, in de koelie-ordonnantie in artikelen 9 en 10 straffen van boete of tenarbeidstelling voor den kost zonder loon bedreigd tegen desertie, tegen voortgezette weigering om te werken, verregaande luiheid, dienstweigering en dergelijke. Allemaal zaken, die een vrij werkman hoogstens zijne betrekking zouden kunnen kosten en misschien eene civiele actie tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Immers wij vinden in het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië artikel 1239, luidende:

„Alle verbindtenissen om iets te doen of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval de schuldenaar niet aan zijne verplichting voldoet.”

Dit is dus het wetsartikel, dat toepasselijk zou zijn op een vrij werkman, die inbreuk zou maken op een werkcontract. In de koelie-ordonnantie wordt dit artikel eenvoudig op zij gezet en, zonder nu te willen beoordeelen of de tegen de contract-koelies deswegen bedreigde straffen zwaar of licht zijn, komt het mij voor, dat rechtspreken buiten de wet om, die voor vrije menschen geldt, alleen ten opzichte van slaven kan geschieden.

Ook kan alleen een slaaf zich tegenover een particulieren werkgever aan „desertie” schuldig maken.

In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van slaaf bijzonder duidelijk uit. Daar namelijk wordt onder meer straf bedreigd tegen dengene, die een weggeloopen koelie huisvesting verleent.

Dit huisvesting verleenen aan iemand, die van een particulieren werkgever is weggeloopen kan, dunkt mij, alleen ten opzichte van een slaaf een van overheidswege strafbaar feit opleveren. Het herinnert levendig aan de dagen der Amerikaansche „underground railway.”

Wie zal na de lezing dezer woorden durven beweren, dat de heer De Coningh zijn stelling niet argumenteert en behoorlijk bewijst?

De bewering van den heer Kooreman, dat art. 1239 van het Burg. Wetboek van Ned.-Indië niet op inlanders toepasselijk is, verraadt ons onmiddellijk den dilettant-jurist.

Want zie, hoe wonderlijk het misschien den heer Kooreman in de ooren klinke, wel is het Burgerlijk Wetboek van Ned.-Indië niet op inlanders van toepassing in zijn geheel, doch speciaal dit artikel 1239 wel.

Art. 75 al. 3 van het Regeerings-Reglement toch bepaalt: Behoudens de gevallen.... waarin zich inlanders vrijwillig hebben onderworpen aan het voor de Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsrecht, worden door den inlandschen rechter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der inlanders, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid.

Nu staat het vast, dat indien de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der inlanders gevangenisstraf medebrachten, wanneer de schuldenaar bij een verbintenis om iets te doen of niet te doen niet aan zijn verplichting voldeed, dit door den Rechter in strijd zou worden geacht met de algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid, en art. 1239 zou worden toegepast.

Het zal dan ook in geheel Nederlandsch-Indië—behalve dan natuurlijk in Deli—niemand in het hoofd komen, bij contractbreuk door een inlander, iets anders van den Rechter te eischen dan vergoeding van kosten, schaden en interessen.

In Deli echter, en ziedaar weer een ontegensprekelijk bewijs, hoe de ongeoorloofde verhouding van meester en dienaar den mensch onbevattelijk maakt voor de meest elementaire rechtsbegrippen, kan men zoo iets—en erger—verwachten. Een vermakelijk staaltje geeft ons Mr. R. Z. Dannenbergh, de eerste gegradueerde Landraadspresident te Medan [3], waar hij schrijft:

„Kreeg ik dan ook aan het begin mijner werkzaamheid ter Sumatra’s Oostkust van Europeanen wel eens brieven met het verzoek om Inlanders of Vreemde Oosterlingen, die zoo brutaal waren geweest om tegen hen een civiele actie in te stellen, eens flink te straffen, ik meen mij te mogen vleien met de hoop, dat mijn vierjarige werkzaamheid aan dergelijke wanbegrippen voor goed een einde zal hebben gemaakt.”

Ik noemde dit staaltje vermakelijk, is het niet eigenlijk in-treurig en staat het niet daar als een teeken ter waarschuwing, waarheen de practijk der koelie-ordonnantie leidt?

Verder verklaart de heer Kooreman zich te scharen aan de zijde van Prof. Mr. G. A. van Hamel, die reeds in 1892—te onzaliger ure!—zijn conclusies maakte. Die conclusies, zegt hij, zijn nog altijd juist en verzekert, dat het stelsel der ordonnantie uit theoretisch en practisch oogpunt beide uitnemend geslaagd is, ook omdat het—volgens prof. Van Hamel—de zorg der Overheid zoo uitstekend verdeelt.

Kijk, over dat laatste zou ik behalve den Amsterdamschen hoogleeraar gaarne den koelie zelf eens willen hooren. Ik denk, dat die hartelijk naar wisseling verlangt.

Overigens ben ik het met den heer Kooreman en zijn geleerden voorganger eens, dat het stelsel der koelie-ordonnantie uitnemend geslaagd is, en op werkgever en werknemer beiden niet heeft nagelaten, dien verderfelijken invloed uit te oefenen, welke te verwachten was.

Het goede toch, dat in Deli wordt aangetroffen en waarop onze Oud-Resident zoo trotsch gaat, is er gekomen niet door maar niettegenstaande de koelie-ordonnantie. Niemand, om maar één voorbeeld te noemen, behoeft te vreezen, dat de groote maatschappijen, wanneer de koelie-ordonnantie werd opgeheven, over zouden gaan tot het afbreken harer hospitalen en het ontslaan der doktoren. Het eigenbelang zou haar voor het nemen van dergelijke onverstandige besluiten behoeden. Hetzelfde argument geldt voor de huisvesting. En het beding, dat de werkman niet tegen zijn wil van zijn gezin zal gescheiden worden, vervalt dat niet bij afschaffing der koelie-ordonnantie vanzelf? De loonen kunnen niet geringer, de kortingen daarop voor het genoten voorschot niet grooter.

Trouwens de hoegrootheid van het loon wordt niet bij de koelie-ordonnantie geregeld. Zelfs ging het Gouvernement niet in op een voorstel, door den Resident Van der Steenstraten gedaan, om een minimum-loon vast te stellen. Het sprak als zijn meening uit, dat het loon niet aan de economische wet van vraag en aanbod mocht onttrokken worden door ingrijping van de zijde van het Bestuur. Het schijnt mij evenwel toe, dat juist de vaststelling van het minimum-loon een der hoofdpunten behoort te zijn bij elke wettelijke regeling van den arbeid.

Hierop kom ik later terug bij de toelichting op het concept-werkcontract, hetwelk ik binnen korten tijd hoop het licht te doen zien.

De heer Kooreman, zijn pleidooi voortzettende, wil niet beweren, dat de Delische werkgevers het werkcontract nooit hebben misbruikt, b.v. om hun werklieden te dwingen na het verstrijken van het contract in dienst te blijven.

Doch wat beteekenen zulke misbruiken? Zij bewijzen niets tegen de ordonnantie zelve!

Waartegen bewijzen deze misbruiken dan wel wat? Volgens den heer Kooreman alleen iets tegen de menschelijke natuur, die onder welke codificatie ook, tot het kwade geneigd is. Zonder de koelie-ordonnantie zou echter dit schandelijk misbruik niet mogelijk zijn. Pleit dit niet voor de wegneming van het euvel en tegen de voortduring van het bestaan dier ordonnantie?

Kom, kom, vergoelijkt de Oud-Resident, in Nederland komt wel de zoogenaamde handel in blanke slavinnen voor, een vermomd pandelingschap, zoo men wil.

Meent de heer Kooreman werkelijk met zulke drogredenen zijn zaak te kunnen goed praten?

Na nog even den lof der koelie-ordonnantie te hebben gezongen, na te hebben verklaard, dat zij goed is, omdat zij de zorg erkent van de overheid voor de belangen van werkgever en werknemer beiden; na te hebben gestaafd, dat geen van beide partijen zich heeft te beklagen over gemis aan belangstelling van bestuurswege......

Volkomen met u eens, Resident, doch de aard der belangstelling lijkt mij niet dezelfde.

.... komt de Oud-Resident met een klacht.

Een klacht, die, ik geef het grif toe, werkelijk gegrond is. Toch was het wel het laatst uit den mond van een gewezen Indischen magistraat, dat ik verwacht zou hebben haar te hooren. En ieder, die de geheimzinnigheid kent, waarmede het Binnenlandsch Bestuur zijn daden weet te omhullen, en de minachting waarmede opmerkingen in de pers door de ambtenaarswereld plegen te worden begroet en behandeld—en zeker niet het allerminst ter Oostkust van Sumatra—, zal met stomme verbazing vernemen, dat de heer Kooreman zich beklaagt over het ontbreken eener geprononceerde openbare meening in zijn oud gewest.

Deze klacht zal vreugde en hoop storten in de harten van al wie journalist is in Nederlandsch-Indië en zij zal zijn als de profetie van een nieuwen dageraad voor de pers.

Zoo ziet men, dat uit de koelie-ordonnantie zelfs iets goeds kan geboren worden.

Maar weet de heer Kooreman niet, waarom er in Deli van een openbare meening, steeds wakker om de Overheid te waarschuwen, weinig of niets valt te bespeuren?

Welnu, dan wil ik hem, opdat hij zich niet wederom over mijn stilzwijgen beklage, deze maal eens inlichten.

Het is de vrees uit zijn betrekking ontslagen en nergens elders meer aangenomen te worden, die iedereen doet zwijgen.

En hiervan levert het bewijs de geschiedenis van den heer v. D., die op reis zijnde van Asahan naar Deli onderweg aan den Resident Van der Steenstraten het een en ander mededeelde van de toestanden op de onderneming, waar hij het laatst gewerkt had. Deze mededeelingen hadden een onderzoek en een strafzaak ten gevolge. Maar tevens was voor altijd iedere betrekking voor den heer v. D. ter Oostkust gesloten. Lieden, als de heer v. D. worden in den regel door het gewone publiek als „verraders” beschouwd, en al verklaarde dan ook ter terechtzitting de heer v. D., dat het niet in zijn bedoeling had gelegen, zijn vroegeren chef in ongelegenheid te brengen, niemand was van hem gediend—men kan nooit weten.

Het ligt trouwens niet op den weg van den burger, de rol van aanbrenger te spelen. Het opsporen van misdrijven is het werk van de politie en het bestuur. Maar, zooals ik reeds in mijn brochure (blz. 24) zeide, de opsporingsdienst in Deli is volstrekt onvoldoende.

Na het voorgaande zal het niemand—en naar ik hoop ook den heer Kooreman niet—verwonderen, dat het Bestuur in Deli, wat de opsporing van misdrijven betreft, op eigen kracht moet steunen. Trouwens, het beroep van aanbrenger is nergens in eere.

Maar is de Oud-Resident wel geheel verantwoord, waar hij zich door de afwezigheid eener publieke meening in Deli tracht te dekken? Ik geef toe, dat er gedurende zijn bestuur in de plaatselijke bladen betrekkelijk weinig over koelie-schandalen voorkwam. Doch mij dunkt, dat de Resident ook wel andere couranten las dan juist de plaatselijke. Heeft hij dan nooit gelezen, wat er zooal over Deli in de Javasche bladen verscheen? Het is haast niet te veronderstellen. Want behalve in de Java-Bode, waaruit ik bij het samenstellen mijner brochure verschillende berichten overnam, bevatten van tijd tot tijd ook de andere nieuwsbladen artikelen, die den Oud-Resident tot nadenken hadden kunnen brengen en hem de oogen hadden moeten openen, indien hij had willen zien. Het zou mij gemakkelijk vallen, de voorbeelden in „De Millioenen uit Deli” te vertienvoudigen, doch ik wil met één uitknipsel volstaan, daar ik meen, dat het voor mijn doel, de onbegrijpelijke blindheid en onwetendheid van den heer Kooreman aan te toonen, voldoende is.

„Van Deli zijn hier ruim 40 mannelijke en vrouwelijke koelies aangebracht, die zich in een deerniswaardigen toestand bevonden. Ze waren doodarm, hadden een vieze plunje aan en waren door en door ziek. Hoewel ze tot afschrik dienden voor anderen om zich niet als koelie voor Deli te verbinden, vertrokken twee dagen later 41 mannen en 18 vrouwen daarheen, die voor twee jaren een koelie-contract in het Timbanglangkatsche hadden geteekend.”

Aldus het Nieuw Bataviaasch Handelsblad van 19 Maart 1898. [4]

Hoeveel is uit dit korte berichtje niet te leeren, vooral voor een Resident, die hart heeft voor de inlandsche bevolking!

Veertig Javanen, mannen en vrouwen, gaan terug. Terug uit Deli, uit het land, waar de koelie-ordonnantie de beschermende hand uitstrekt over den arbeider, uit het land overvloeiend van belangstelling in zijn lot van bestuurswege, uit het land der zoo goed verdeelde Gouvernements-zorg!

En nu van zelf rijzen de vragen: Waarom gaan die menschen terug? Hoe is het mogelijk, dat zij zich in een deerniswaardigen toestand bevinden? Hoe kan kan het zijn, dat zij doodarm zijn en door en door ziek? Waarom hebben zij zelfs geen voldoende kleeren aan het lijf? Zou het mogelijk zijn, dat die koelie-ordonnantie toch theoretisch en practisch niet zoo geheel voldoet?

Aan den anderen kant, zoo overpeinst de ernstige bestuursman, hoe komt het, dat niettegenstaande dit afschrikwekkend voorbeeld weer anderen gereed staan, zich voor Deli te verkoopen? De Pembrita Betawi van 7 April d. a. v. levert hem het antwoord, dat ik hier (vertaald) laat volgen: