Nog eens: de millioenen uit Deli

Part 1

Chapter 13,831 wordsPublic domain

NOG EENS: DE MILLIOENEN UIT DELI

DOOR Mr. J. VAN DEN BRAND.

BOEKHANDEL AMSTERDAM. VOORHEEN PRETORIA. HÖVEKER & WORMSER.

VOORWOORD.

Maar zou dat alles wel waar zijn?

Levendig kan ik mij voorstellen, dat na het lezen mijner brochure „De Millioenen uit Deli” deze vraag rees op de lippen van ieder, die, nooit in Deli geweest zijnde, dit gewest waarschijnlijk alleen kende uit de koloniale verslagen of de een of andere beurscourant. Wie jaarlijks den oogst van gouden appelen zag binnenhalen, kon weinig vermoeden, dat de wonderboom wortelde in zoo drassigen grond; dat de sappen, die de stam opzoog en omzette in blinkende vrucht, vermengd waren met bloed en tranen. Hij hoorde alleen het vroolijke lied van de maaiers, maar het weeklagen der zaaiers bereikte zijn oor niet. En nu eindelijk een zwakke nagalm van hun klaaglied doordrong tot zijn gehoor, staat hij verbijsterd en twijfelt, of hij goed heeft gehoord.

Zou het waar zijn?

Deze vraag moest men zich stellen en van alle kanten werd zij dan ook gesteld. Zij werd onmiddellijk gevolgd door de verzekering, dat indien alles waar was, indien de helft, een derde een tiende deel slechts waar was, dan....

De verontwaardiging was algemeen, spontaan en te goeder trouw.

Nadat de verontwaardiging wat bekoeld was, bleek men geneigd verontschuldigingen aan te hooren, en dit te gretiger naarmate men meer inzag, hoe groote finantiëele belangen hier op het spel stonden.

Een tijdlang zocht men naar een woord, een leus, waaronder men de in de brochure latente gevolgtrekkingen bestrijden kon; een gepaste houding, die men tegenover de beschuldigingen kon aannemen.

Het resultaat was, dat degenen die belang hadden de uitwerking van mijn boekje te neutraliseeren, in het algemeen kleinigheden toegaven, het bestaan van zekere misstanden erkenden, punten van ondergeschikt belang bestreden en de kern der zaak.... lieten voor hetgeen zij was.

Met handige tactiek trachtte men de aandacht van de hoofdzaak af te leiden, en haar te vestigen op die gedeelten in het boek, welke alleen als bijzaken bedoeld waren.

Zoo kwam b. v. de Sumatra Post aandragen met het nieuws dat er sarongs van 80 centen bestonden en dat een inlander desgevorderd zijn leven kan rekken met 8 centen per dag. En gaf daarbij nog de onnoozele verzekering, dat het juist op zulke kleinigheden aankomt!

Het lijkt mij de moeite niet waard op deze en dergelijke aanmerkingen te antwoorden.

Maar de hoofdzaken: de onvrijheid der arbeiders, de misbruiken voortgevloeid uit de koelie-ordonnantie of daardoor bestendigd, de onvoldoende rechtspraak, het sjoekoeliën, de te lage loonen der vrouwen, men ging ze stilzwijgend voorbij of behandelde ze als nevenzaken.

Een uitzondering moet ik hier maken voor de Deli-Courant, die—hoewel immer vergoelijkend voor den actueelen toestand—mijn brochure vooral in haar nummer van 27 November 1902, op eerlijke wijze besprak.

Eindelijk dan was het wapen gevonden, waarmede men meende mij te kunnen afmaken en werd de beschuldiging van overdrijving uitgesproken. Ook zei men, dat ik alleen de donkere zijde van Deli liet zien. Mijn plicht zou het geweest zijn, ook de goede kanten van het gewest te laten kijken.

Komaan! Zal men het den dokter, die de ziekte in het hoofd van een patiënt bespreekt, kwalijk nemen, dat hij in zijn verhandeling niet den gezonden toestand der beenen releveert?

En ik stond tegenover Deli in dezelfde verhouding. Ik zei toch (blz. 14 der Mill. uit Deli), dat ik wou wijzen op „de afgrijselijke wonden in de samenleving der Oostkust.... opdat ieder de wegneming (zou) eischen van de oorzaak der kwaal, die het gezonde lichaam verteert.”

Maar dit zag men niet in, of men wilde het niet inzien.

En zoo zei men, dat volgens mij er niets goeds in Deli was! En toen ging men aan het opnoemen, wat er wel goeds in Deli was.

De eerste zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.

De tweede zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.

De derde zei: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed. De vierde, de vijfde, iedereen en ook ik, mee instemmende in dit algemeene loflied, zeg: de hospitalen bij de groote maatschappijen zijn goed.

Hetzelfde zei men—en terecht—van de woningen bij sommige groote maatschappijen. Ook zei men—en ook ik stem weer mee in—de verdiensten van de Chineezen zijn zoo kwaad niet.

Verder zei men niets. Men was uitgepraat. En ik ben het ook.

Na dit goede te hebben op den voorgrond gesteld, ving men dan aan mij te beschuldigen van bijbedoelingen, van onvaderlandslievendheid, van ondankbaarheid tegenover het gewest, waar ik mijn brood verdien, e. d. Deze dingen raken evenwel mij, niet de zaak en ik veroorloof mij, ze langs mijn kleeren te laten afglijden.

Het ligt dan ook niet in mijn plan, mijn bestrijders een voor een te woord te staan. Wel schijnt het mij noodig eenige toelichting op mijn brochure te geven en in het algemeen de tegen-argumenten voor zoover zij de zaak raken, te weerleggen.

Het eerste te doen bedoelt het hoofdstuk: „De Minister en de Brochure”, het tweede „Een Oud-Resident en de Brochure.” Den heer Kooreman antwoordende, meen ik de zakelijke argumenten van al mijn tegenstanders te bespreken. Alleen nog het verwijt van de Sumatra Post dd. 7 Februari j.l., dat ik inconsequent zou zijn, meen ik te moeten terugwijzen. Reeds in de vergadering van de afdeeling Medan van den Indischen Bond dd. 29 Maart 1902 toch erkende ik openlijk, dat mijn meening over de koelie-ordonnantie, toen ik nog niet lang in Deli verblijf hield, een geheel andere was dan tegenwoordig. De dagelijksche omgang gedurende anderhalf jaar met koelies in vrijen arbeid en de nadere bestudeering van het koelie-vraagstuk hebben mijn meening geheel gewijzigd. Daarom haalde ik ook in „De Millioenen uit Deli” niets aan van wat ik schreef gedurende den tijd dat ik redacteur was van de Sumatra Post, al zou ik b. v. wat ik schreef over de begrafenis-circulaire van den ass.-resident Kühr op het oogenblik nog gaarne onderschrijven. Wat ik in dien tijd naar aanleiding b. v. van The British Deli Cy en den heer Tripp schreef, berustte op geheel verkeerde inlichtingen, terwijl mijn oordeel van dien tijd over koelie-zaken, ik geef het gereedelijk toe, als praematuur moet worden beschouwd.

Ik kan dit „Voorwoord” niet eindigen zonder mijn dank te hebben betuigd aan den openhartigen Oud Assistent-Resident Rookmaker, die zoo eerlijk zijn ondervinding en zijn oordeel in de „Groene Amsterdammer” neerlei, aan den mij onbekenden Mr. Justus, die in de Java-Bode een lans brak voor mijn streven, aan den Oud-Resident Scherer, die openlijk het goede van mijn werk dorst te erkennen en aan allen, die tot nu toe mee hielpen strijden in dezen strijd om Recht.

DE MINISTER VAN KOLONIËN EN DE BROCHURE.

Er is van verschillende zijden bij de bespreking mijner brochure „De Millioenen uit Deli” gewezen op mijn Calvinistische geloofsbelijdenis en in verband daarmede op mijn anti-revolutionnaire gevoelens. Mij dunkt, dat men de laatste beter achterwege hadde gelaten, daar het boekje allerminst de strekking had een of andere politieke partij te dienen. Uit een politiek oogpunt was zelfs voor de anti-revolutionnairen de verschijning mijner brochure ongewenscht, daar zij den Minister van Koloniën op het onverwachtst voor de oplossing van een vraagstuk plaatste, waaraan hij naar alle waarschijnlijkheid nog niet de noodige aandacht had geschonken, en hem toestanden onthulde, waarvan hij zelfs het bestaan niet kon vermoeden. Daar uit den aard der zaak het tegenwoordig Ministerie mijn sympathie heeft, heb ik er een oogenblik aan gedacht, de uitgave van het „schrikwekkende” boek uit te stellen tot latere gelegenheid. Doch ook slechts een oogenblik heeft bij mij het opportuniteitsbezwaar gegolden.

Tegenover het schrikkelijk onrecht, tegenover het lijden van duizenden, tegenover het nadeel aan de eere Gods kon de overweging, dat de Minister van Koloniën, al ware hij ook een politiek partijgenoot, in een moeielijke positie zou komen, in de weegschaal gelegd, de naald niet naar de andere zijde van het huisje doen overslaan. Hier mocht geen partijbelang gelden, hier verloren persoonlijke sympathieën haar gewicht, hier gold het zuiver en zonder aanzien des persoons op te komen voor de eer van Hem, bij wien alle belang van partij en persoon in het niet zinkt.

Op het oogenblik, dat de copy mijner brochure naar Holland verzonden werd, was de krachtige Van Asch van Wijck reeds overleden en wachtte ieder in Nederlandsch-Indië met spanning, wie zijn opvolger zou zijn. Toen het bekend werd, dat Idenburg als Minister van Koloniën was opgetreden, spraken de meeste Indische bladen een onwelwillend oordeel uit. Ik geloof, dat men daartoe geen voldoende reden had; in ieder geval was men voorbarig. Mij was het bericht zijner benoeming niet onwelkom. Het weinige, dat ik van particuliere zijde van hem vernomen had en vooral zijn optreden het vorig jaar in de Tweede Kamer als afgevaardigde voor Gouda, deden mij de hoop koesteren, dat mijn kreet om recht niet ledig zijn oor voorbij zou gaan. Ziehier, zoo dacht ik, een geloofsman, naar hetgeen men van hem vertelt, een geloofsheld, die eigen eere niet achtende, op zal komen voor de Gerechtigheid. Een man, die den gruwel ziende, hem weg zal nemen.

En nu?

Nog is de tijd niet gekomen, een oordeel over de daden van dezen Minister uit te spreken. Ik wil blijven hopen en vertrouwen. Wel had ik verwacht iets anders te hooren, iets krachtigers, iets minder dubbelzinnigs, minder vaags, dan wat hij zeide bij de bespreking der koelie-ordonnantiën in de Tweede Kamer. Ik geef toe, dat de toestand van den Minister verre van benijdenswaardig was. Nauwelijks de politieke loopbaan ingetreden, belast met het opperbeleid in het koloniaal bestuur, bijna onvoorbereid voor zijn rekening hebbend de verdediging van de Indische begrooting, heeft Idenburg aan mede- en tegenstander zonder twijfel bewondering moeten afdwingen. Het ligt dan ook niet in mijn bedoeling iets te zijnen nadeele te zeggen. Zoo iets, dan is het de houding van den Minister in het algemeen bij het begrootingsdebat, die mij vertrouwen doet stellen in de toekomst. En mij hoop geeft voor der koelieszaak.

Dat neemt niet weg, dat ik, zooals ik reeds zeide, gaarne iets meer beslists, meer positiefs van de zijde des Ministers vernomen had. Hoe gaarne had ik in plaats van „Ik zal deze brochure speciaal onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal brengen” de belofte vernomen, dat de Minister een algemeen en grondig onderzoek zou bevelen. Van een onderzoek van regeeringswege, dat de meesten na de woorden des Ministers verwachtten, is tot nog toe niets gekomen en—ben ik goed ingelicht—dan zou er hiervan zelfs geen sprake zijn. Wel werden mij door den resident der Oostkust van Sumatra inlichtingen gevraagd over het toetoepen van zaken te Medan. Ook ontving ik bezoek van den assistent-resident, in zijn kwaliteit van hulp-officier van Justitie, die den naam vroeg van den bedrijver der schanddaad, bedoeld op blz. 29 der „Millioenen uit Deli”. Men schijnt de zaak strafrechtelijk te willen vervolgen.

Op beide verzoeken heb ik geantwoord, dat ik alleen aan de Regeering of Hare vertegenwoordigers bereid ben inlichtingen te geven in geval van een door Haar bevolen algemeen onderzoek en wel onder voorwaarde van straffeloosheid voor de betrokken personen.

Mijn eerzucht toch is allerminst als politie-spion op te treden! En indien men meenen mocht door posthume strafvervolging het euvel weg te nemen, dan moet ik twijfelen aan goede trouw. Ik roep om den heelmeester, niet om den rechter. Ik strijd voor een beginsel, niet tegen personen. Mijn streven spruit niet uit wraakgevoel, doch vindt zijn oorsprong in liefde voor de Gerechtigheid.

Hoe verkeerd mijn streven begrepen wordt, hoezeer mijn bedoelingen worden miskend, blijkt wel hieruit, dat de eerste daad van het Bestuur ter Oostkust na de verschijning mijner brochure was, den procureur-generaal van het Hoog-Gerechtshof te Batavia advies te vragen, of er mogelijkheid bestond mij onder de in Indië vigeerende wet op de drukpers strafrechtelijk te vervolgen! Het antwoord van den procureur-generaal heb ik niet gelezen, doch het moet lang niet malsch geluid hebben.

Een onderzoek, ten minste een openlijke enquête, zooals ik gehoopt en, om de waarheid te zeggen, verwacht had, komt er dus niet. Toch meen ik reden te hebben, te vermoeden dat het geenszins in het plan van den Minister ligt, de zaak te laten doodbloeden en in den doofpot te stoppen. Welke mijn gronden voor deze meening zijn, acht ik mij niet geoorloofd, hier te openbaren.

Moest ik ten dezen opzichte teleurstelling ondervinden, ook op andere punten bevredigde mij de rede van den Minister niet.

In de eerste plaats hinderde mij de onjuistheid, waaraan de Minister zich schuldig maakte, toen hij verklaarde te meenen, dat ook ik de behandeling der koelies bij de Deli-Maatschappij zoo zeer had geroemd. In mijn brochure toch is geen woord te vinden, waaruit men die conclusie trekken kan. Wanneer ik een voorbeeld van goede behandeling der koelies zou hebben willen noemen, dan had ik een mij bekende kleine particuliere onderneming gekozen en niet de Deli-Maatschappij.

Om dit duidelijk te maken, behoef ik alleen mede te deelen, dat de feiten, verhaald op blz. 29 en blz. 31 der brochure, op ondernemingen der Deli-Maatschappij zijn gepleegd. Het doet er wel weinig af of toe, daar overal meer of minder groote onregelmatigheden zijn voorgekomen, doch tot recht verstand van zake dient deze onjuistheid van den Minister te worden hersteld. Evenmin toch als Alter vor Thorheit schützt, evenmin behoeden de beste bedoelingen van het bestuur eener maatschappij in Holland voor uitspattingen zijner vertegenwoordigers in Indië, zoolang deze over de koelies meer rechten uitoefenen dan hun volgens Gods ordinantiën mogen worden toegestaan.

Trouwens over de meer of minder goede behandeling der koelies loopt de kwestie niet. Laat ons bij de zaak blijven, het gaat over het al of niet geoorloofde van de koelie-ordonnantie, zooals zij in Deli bestaat. Goede of slechte behandeling doet er au fond niets af of toe. In Amerika hadden op de meeste plantages de slaven het ook goed. Toch heeft een edelmoedig volk naar de wapens gegrepen, om aan den onmenschwaardigen toestand een einde te maken.

Zoo ook hier.

Mijn meening daaromtrent zette ik reeds uiteen op blz. 14 der Millioenen uit Deli, doch wil ze ten overvloede hier nog eens herhalen:

„Het deert mij niet, of die toestand al of niet valt onder de rechtskundige definitie van slavernij; het laat mij koud, of de koelie-ordonnantie al dan niet in strijd is met onze Grondwet of Burgerlijke Wet; het is mij onverschillig, of ondernemers of maatschappijen min of meer philantropisch zijn en hunne werklieden beter of slechter behandelen of verplegen. Het eenige wat mij raakt is, dat zij is in strijd met de eere Gods, in strijd met de menschelijkheid.

Waarlijk, met een mooi hospitaal en een paar guldens is het gemis der vrijheid niet goed te maken.

Zeer gezocht, om niet te zeggen sophistisch, is de redeneering van den Minister, waar hij ongeveer zegt: „Zie, van alle zijden dringt men hier in Nederland aan op wettelijke regeling van den arbeid; in Deli is het gebeurd en nu moppert gij.”

Zeker, Excellentie, men dringt aan in Nederland op wettelijke regeling van het arbeidscontract. Maar niet op een zoodanige, als wij in de koelie-ordonnantie belichaamd vinden. En ook ik heb tegen een wettelijke regeling dezer zaak niets, ik ben er zelfs voor. Doch, mij dunkt, dat zulk een regeling een behoorlijke dient te zijn. Durft Uwe Excellentie deze qualificatie aan de vigeerende koelie-ordonnantie geven? Welnu, laat dan Uw collega van Binnenlandsche Zaken er eens de proef mee nemen en voorstellen de koelie-ordonnantie naar omstandigheden gewijzigd, in Nederland in te voeren.

Men zie in de laatste zinsnede allerminst valsche scherts. Geen onrechtmatigheid wordt beter gevoeld, dan door het slachtoffer, en door dengene die in gelijkvormige omstandigheden verkeert. Nu is er ongetwijfeld niemand, die niet inziet, dat het Nederlandsche volk een wettelijke regeling van den arbeid, die zelfs maar in de verte op de beruchte koelie-ordonnantie geleek, niet zou verdragen.

Waarom zou dan de Javaan haar moeten verduren?

Zooals ik reeds gezegd heb, heb ik vertrouwen in dezen Minister, in zijn werkkracht, zijn eerlijkheid en zijn Geloof. Dr. Schaepman in een zijner Chronica’s noemde hem „dapper” en vertrouwde dat de zaak in Idenburgs handen gesteld, zou terecht komen en tot zijn recht. Bij deze woorden wensch ik mij aan te sluiten. Doch ik dring aan op spoed. Hier is de uitdrukking periculum in mora geen phrase.

EEN OUD-RESIDENT EN DE BROCHURE. [1]

Het was der vereeniging „Moederland en Koloniën” moeielijk gevallen, iemand te vinden, die „De Millioenen uit Deli” wilde behandelen. Aldus de heer P. H. van der Kemp, toen hij in den avond van 22 December 1902 in de vergadering dier Vereeniging den heer P. J. Kooreman, Oud-Resident der Oostkust van Sumatra, als verhandelaar introduceerde. En ook deze was slechts noode hiertoe overgegaan. Evenwel, de overweging, dat het noodig kon zijn verschillende punten te weerleggen, had hem zijn toestemming doen geven.

Daar nu eenmaal deze Oud-Resident op zich genomen had, mijn boekje te behandelen, mocht men redelijker wijze een behandeling van het door mij geschrevene verwachten. In plaats van echter aan dezen eersten en eenigen eisch te voldoen—meer werd toch niet van den spreker gevraagd en minder niet verwacht—verliet, geheel uit eigen beweging, de heer Kooreman den hem vriendelijk aangeboden rechterstoel en plaatste zich op de bank der beschuldigden.

Wat dreef hem hiertoe?

Zelfverwijt? Wroeging? Berouw? Schuldbewustzijn?

Ik wil daar niet over oordeelen: ik ken den heer Kooreman daartoe te weinig. Nu hij zich evenwel zelf zijn plaats heeft gekozen, moet ik hem daar laten en valt mij de onaangename taak ten deel, tegen den Oud-Resident het openbaar-ministerie te moeten waarnemen.

Hoe ongaarne ook, ik ben er toe verplicht, doordien de heer Kooreman de behandeling mijner algemeene beschuldigingen heeft omgezet, voor een groot gedeelte, in een persoonlijke verdediging.

De uitroepen „waarom heeft Mr. van den Brand mij nooit ingelicht?” „Waarom heeft Dr. Tschudnowsky niet gesproken?” „Waarom zweeg die Hollandsche geleerde van den heer Deen?” kunnen toch alleen uitgelegd worden in den zin van: „Ziet gij wel, ik wist er niets van, ik ben onschuldig!”

Waarom toch die herhaalde betuiging van onschuld door iemand, wien niets ten laste is gelegd?

Behalve zichzelf heeft ook de heer Kooreman zich geroepen geacht de koelie-ordonnantie te verdedigen. In plaats van de onpartijdige rol van den beschouwer, den criticus, te aanvaarden, voelde hij zich geroepen als tegenstander op te treden en mij te bestrijden. Dit, natuurlijk, stond hem vrij. En ik ben hem er dankbaar voor.

Ik meen toch te mogen aannemen, dat zoowat al het wapentuig, waarover de voorvechters der koelie-ordonnantie kunnen beschikken, door den Oud-Resident te voorschijn is gehaald en dat hij dezen keer zijn zwaarste harnas heeft aangetrokken. Wel is het een zonderlinge ridder, dien ons oog aanschouwt, met het „pro servitute” op zijn wapenschild. En ook de geleende advocaten-toga, die de rusting omhult, verbetert zijn figuur niet, daar zij den ridder blijkbaar ongewoon is en hij zich er onhandig in beweegt.

Het is juist door de rol van verdediger, die de heer Kooreman meende op zich te moeten nemen, dat hij vervalt tot handigheden, welke den rustigen toeschouwer spoedig ònhandigheden blijken en waardoor hij zijn zaak meer kwaad dan goed heeft gedaan.

Ziehier twee voorbeelden.

Waar de heer Kooreman wijzen wil op de groote uitbreiding der bestuurstaak, deelt hij ons mede dat er zich in de residentie Oostkust van Sumatra in 1881 bevonden 16 ondernemingen, terwijl er tegenwoordig 139 tabaksondernemingen zijn, ongerekend 29 koffieondernemingen en 3 petroleumondernemingen. Bij de beschouwing der gemaakte winsten spreekt hij niet van ondernemingen, doch van maatschappijen. Van de 38 maatschappijen, zegt de heer Kooreman, hebben dit jaar slechts 13 dividend uitgekeerd. De argelooze toehoorder staat verbaasd over deze verhouding, en meent, dat het den planters erg treurig gaat. Indien de verhandelaar niet vergeten had erbij te zeggen, dat onder die 13 dividend uitkeerende maatschappijen was de Deli-Maatschappij met 22 ondernemingen, de Arendsburg met 6, de Amsterdam Deli-Cie met 4, enz., dan zou de indruk heel anders en meer overeenkomstig de waarheid geweest zijn. Men zou dan gezien hebben, dat slechts een klein deel en niet het verreweg grootste deel, geen winst heeft opgeleverd. Dezen indruk echter wenschte de heer Kooreman blijkbaar niet, vandaar zijn eigenaardige voorstelling.

Dit voorbeeld—hoewel teekenend voor ’s heeren Kooreman’s beschouwingen in het algemeen—is nog zoo erg niet. Wij weten dat de oud-resident niet verhandelt, maar verdedigt. En een weinig handigheid willen wij in zijn pleidooi over het hoofd zien, al zullen wij niet nalaten den goochelaar op de vingers te kijken.

Het tweede voorbeeld—en dit is veel erger—is het overslaan bij de mondelinge voordracht van wat wij in de gedrukte lezing vinden over het sjoekoeliën. Ware het een bijzaak geweest, die de redenaar uit gebrek aan tijd of om eenige andere reden had overgeslagen, ik zou er niets op aan te merken hebben. Maar dit hoofdstuk mijner brochure, waarvan de heer Kooreman in zijn gedrukte lezing moet erkennen, dat het in hoofdzaak waar is, kan niet anders zijn voorbijgegaan dan met bedoeling. En het schijnt mij dan ook toe, dat wij het alleen aan de openhartige erkenning van deze terugstootende herwerving door den Oud-Resident Scherer te danken hebben, dat thans de Oud-Resident Kooreman het feit niet langer verheelt. Het is een hard woord, doch men zou hier werkelijk aan de goede trouw van den verhandelaar moeten gaan twijfelen.

Ook schijnt het mij toe, dat waar de heer Kooreman er voortdurend op terug komt, dat wat ik mededeelde, steeds zou zijn voorgevallen buiten het eigenlijk Deli, waarop mijn brochure volgens den titel alleen betrekking zou kunnen hebben, daar volgens het zeggen van den Oud-Resident alleen de millioenen uit die streek komen—een bewering wier onjuistheid terstond in het oog valt, wanneer men slechts aan de petroleum-ondernemingen denkt—het schijnt mij toe, zeg ik, dat hier de heer Kooreman den onnoozele speelt. Het kan hem toch niet onbekend zijn, dat in de spreektaal gewoonlijk Deli voor de geheele Oostkust van Sumatra genomen wordt. Ik ken hem ook voldoende begripsvermogen toe, om te hebben opgemerkt, dat mijn brochure niet enkel over het landschap Deli, doch over de geheele residentie handelt. Het lijkt mij, om de waarheid te zeggen, kinderachtig toe uit den titel „De Millioenen uit Deli” de gevolgtrekking te willen maken, dat ik alleen het landschap van dien naam en niets anders bedoelde. Ieder zegt gemakshalve Deli, waar hij het heele gewest wil aanduiden.

Zoo doet o. a. ook de Oud-Resident Kooreman in zijn lezing van 22 December 1902.

Maar de kinderachtigheid der opmerking daargelaten, zij is nog onjuist bovendien.

Het geval, verhaald op blz. 31 mijner brochure, van de vrouw, die vastgebonden werd en door den administrateur mishandeld, is wis en degelijk gebeurd in het landschap Deli, en wel op de onderneming Sempali van de Deli-Maatschappij, nog geen half uur rijdens van Medan, dus bijna in het gezicht van het Residentiekantoor.

Dit wist de heer Kooreman heel goed, en ik noem het oneerlijk, het tegengestelde te beweren.

Of bedoelt hij misschien een ander geval dan ik? Het zou zeker niet onmogelijk zijn, hoewel ik het niet gelooven mag, waar de Oud-Resident zoo pertinent beweert het geval te kennen. Het is trouwens onder zijn bestuur voorgevallen.