Part 4
10 groene en 10 roode lomboks, 4 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih, 5 schijfjes laos, 1 lepel fijngesneden seréh, een volle theelepel trassie, 1/2 theelepel witte suiker, 1 lepel asem-water, 2 kopjes santen, zout naar smaak, boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks snijdt men fijn en kookt men af. Leg ze daarna eenigen tijd (een uurtje) in koud water te weeken en pers ze uit.
Nu stampt men de kruiden samen fijn, braadt ze op in 2 lepels boter (of olie), doet er de uitgeperste lomboks bij, voegt hier eerst het asem-water, daarna de santen bij en laat dit samen koken tot de olie er uitkomt.
99. SAMBEL KATJANG-GORÈNG.
Dezelfde bestanddeelen als van sambel badjak II en (of) sambel badjak III, maar in plaats van 5 kemiries neemt men ongeveer 30 katjang-gorèng, met bijvoeging van 1/2 theelepel suiker en wat meer seréh.
Bereiding:
Als van de sambel badjak (No. 83).
100. SAMBEL KEMIRIE.
15 à 20 kemiries, 10 roode lomboks, 4 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 1 theelepel trassie, 1/2 theelepel suiker, 1 à 2 lepels asem-water, zout naar smaak, boter of klapperolie.
Bereiding:
De kemiries worden uitgehaald en zeer fijn gestampt, de lomboks in de lengte doorgesneden, de pitten er uit gehaald en tweemaal afgekookt, vervolgens met de trassie, de bawang-poetih en de kemiries fijn gestampt. Hierna fruit men het in boter of klapperolie, voegt er het asem-water bij en laat dit daarna koken, tot de olie er uitkomt.
101. SAMBEL KETIMOEN I.
Eenige komkommers, 6 gepofte kemiries, 2 lomboks, 1 theelepel trassie, 1/2 kopje azijn, 1 theelepel zout.
Bereiding:
De komkommers worden aan dunne schijfjes gesneden en met zout ingewreven, waarna men ze aldus eenigen tijd laat staan (een half à één uur). Daarna worden ze op een schaal netjes geschikt. De kemiries worden uitgehaald en met de lomboks, trassie en het zout gestampt, daarna met den azijn aangelengd en deze saus over de komkommers gegoten.
102. SAMBEL KETIMOEN II.
Komkommers, 2 lomboks. 1 lepel fijngesneden uien, 2 sioongs bawang-poetih, 4 gepofte kemiries, 1 theelepel gebrande trassie, 1 theelepel zout, 1 theelepel mosterd, 1/4 theelepel suiker, 3/4 theekopje azijn.
Bereiding:
Als hierboven. De kruiden bij elkander stampen en met den azijn tot een dun papje maken, vervolgens gieten over de gesneden komkommers, die op een schaaltje netjes zijn gerangschikt.
103. SAMBEL KLAPPA I.
Een halve geraspte klapper, 3 lomboks, 2 theelepels zout, 1 theelepel trassie, 5 schijfjes laos, 2 djeroek-poeroet-schillen, boter of klapperolie.
Bereiding:
De kruiden worden fijngestampt en met den klapper in boter geel-bruin gebraden, daarna fijngestampt.
Men kan ook eerst den klapper (zonder boter) geel braden, vervolgens de kruiden stampen en fruiten in boter en daarna den gebakken klapper met de djeroek-poeroet-schillen er door roeren.
104. SAMBEL KLAPPA (RAUW) II.
Een halve klapper, waarvan de bruine buitenschil is afgehaald, 2 lomboks, 5 schijfjes kentjoor, 4 plakjes laos, 2 sioongs bawang-poetih, 1 theelepel zout, 1 theelepel trassie, 2 djeroek-poeroet-bladeren en kemangie-blaadjes.
Bereiding:
De klapper wordt geraspt, de kruiden met de djeroek-poeroet-bladeren heel fijn gestampt, daarna wordt dit door den geraspten klapper vermengd (ramès). Dit mengsel wordt op een schaaltje gearrangeerd en met de kemangie-blaadjes netjes opgesierd.
105. SAMBEL KOOL.
Een half kooltje, zoo fijn mogelijk gekorven (als rampé), 4 lepels fijngesneden uien, 6 sioongs bawang-poetih, 1 lepel fijngesneden seréh, 5 schijfjes laos, 8 afgekookte in de lengte doorgesneden lomboks, 1 theelepel zout, santen van 1/2 klapper, boter of klapperolie.
Bereiding:
De afgekookte lomboks worden met de kruiden fijngestampt, daarna met boter halfgaar opgebraden; hierna voegt men er de fijngesneden kool bij en doet er de santen bij, als de kool half gaar is gebraden. Laat dit zoo, toegedekt, verder gaar stoven.
Men kan bij deze sambel wat versche gepelde garnalen voegen, dan doet men er wat citroensap door.
106. SAMBEL LOBAK.
6 à 8 lobaks, fijngesneden, 1/2 theelepel trassie, 1 lombok, 2 à 3 lepels azijn, 1/2 theelepel zout.
Bereiding:
Men strooit wat zout op de aan plakjes fijngesneden lobaks, en laat dit aldus een half uurtje staan. Daarna wascht men ze af, wringt ze voorzichtig uit en plaatst ze op een schaaltje. Vervolgens stampt men de opgegeven kruiden fijn, vermengt ze met den azijn en giet deze saus over de lobaks.
107. SAMBEL LOMBOK I OF SAMBEL TJABÉ.
30 à 40 lomboks, 2 eetlepels fijngesneden uien, 5 sioongs bawang-poetih, 6 schijfjes laos, 1 theelepel trassie, 1 eetlepel bruine of javaansche suiker, 1 à 2 lepels asem-water, 1 theelepel zout, een kopje santen. Boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks worden in de lengte doorgesneden en de pitten er uitgehaald. Daarna worden zij fijn gestampt met wat zout en even in boter opgebraden. Nu stampt men de kruiden fijn en braadt ze ook in boter, voegt er de fijngestampte lomboks bij met het asem-water en laat dit samen nog een tijdje doorbraden. Eindelijk voegt men hier de santen bij en laat alles verder doorbraden tot de olie er uitkomt.
108. SAMBEL LOMBOK II.
40 lomboks, 2 theelepels gebrande trassie, 6 lepels fijngesneden uien, 1 1/2 theelepel zout, boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks worden met de trassie fijngestampt, vervolgens even in boter gefruit. Daarin stampt men de fijngesneden uien met het zout door elkander en voegt dit bij de gebraden lomboks. Laat dit samen gaar braden.
Deze sambel, eenmaal koud geworden, kan men, in stopflesschen, dagen lang goed bewaren.
109. SAMBEL MALAKKA.
10 roode lomboks, 6 sioongs bawang-poetih, 1 lepel fijngesneden laos, 1 lepel fijngesneden seréh, 2 theelepels trassie, 30 fijngesneden kleine uitjes, 2 lepels asem-water, santen van 1/2 klapper, 2 theelepels zout, boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks worden eerst van de pitten ontdaan en met het zout fijngestampt. Vervolgens worden de kruiden fijngestampt en in drie lepels boter of klapperolie gebraden. Hierna voegt men er de fijngestampte lomboks bij met het asem-water, laat dit nog een tijdje doorbraden, men voegt daarna de santen hierbij en braadt dit verder tot de olie er uitkomt. Hoe rooder deze sambel is, hoe smakelijker.
110. SAMBEL MIESO.
1 1/2 kopje mieso (gekookte), 4 sioongs gesneden bawang-poetih, 2 eetlepels fijngesneden gebraden uien, 1 eetlepel fijngesneden lombok, 1 kopje water, 1 kopje fijngesneden tjerimé, 1 theelepel zout, boter of klapperolie.
Bereiding:
De gekookte mieso wordt even opgebraden, daarna de lomboks met de gebraden uien vermengd en dit alles samen in boter gefruit. Het water en de tjerimé wordt onder het braden er bij gevoegd met het zout en wordt dit verder gesmoord, tot de tjerimé gaar is.
In plaats van tjerimé kan men een zelfde hoeveelheid fijn gesneden bliembing asem of mangga moeda gebruiken.
111. SAMBEL OEDANG BASA.
Een bordje vol gepelde versche garnalen, 4 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 1 à 2 fijngesneden lomboks, 5 schijfjes laos, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 lepel asem-water, 1 lepel trassie-water, 1 theelepeltje goela djawa, santen van 1/4 klapper, 1 daon salam, zout naar smaak, boter of klapperolie, 1 eetlepel fijngesneden seréh.
Bereiding:
De kruiden, behalve de bladeren, worden gestampt en daarna in boter of olie gefruit, de garnalen er bij gedaan met het trassie- en het asem-water en dit eenigen tijd, onder doorroeren, op het vuur gehouden. Daarna doet men er de santen bij; laat dit koken tot de olie er uitkomt en dit gerecht er rood uitziet.
Wil men dit gerecht een nog rooder kleur geven, dan worden twee lomboks méér gebruikt, waarvan de pitten eerst zijn uitgehaald, en die daarna ragfijn gesneden en fijngestampt worden en eindelijk door de sambel geroerd worden.
112. SAMBEL OEDANG KRING
Een bordje vol geweekte gedroogde garnalen, 2 lepels fijngesneden uien, 5 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 1 lepel fijngesneden seréh, 5 schijfjes laos, 1 theelepel zout, 1 theelepel trassie, 1/2 theelepel suiker, 2 lomboks, 1 lepel asem- of djeroek-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 à 2 kopjes santen, boter of klapperolie.
Bereiding:
De kruiden worden fijngestampt, in boter of olie gebraden, daarna het asem-water er bij gedaan met de djeroek-poeroet-bladeren. Hierna doet men er de geweekte garnalen bij, roert dit nog even om en doet er de santen bij.
Men blijft dit roeren, tot de garnalen gaar zijn en de sambel er rood begint uit te zien.
113. SAMBEL OEDANG KRING, BIJ KETOEPAT.
5 eetlepels gedroogde garnalen (ebbie), 5 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 5 schijfjes kentjoor, 1 theelepel gebrande trassie, 3/4 theelepel zout, 4 djeroek-poeroet-bladeren.
Bereiding:
De ebbie wordt geroosterd of droog gebraden; vervolgens stampt men de kruiden fijn, daarna doet men er de garnalen bij en stampt dit nog eens samen fijn.
Deze poeder (boeboek) wordt droog bij de ketoepat voorgediend.
114. SAMBEL PETÉE.
2 of meer lomboks. 1 kopje vol petée-boonen, 3 lepels fijngesneden uien, een kopje vol gepelde rauwe garnalen, (dit naar verkiezing), 1 eetlepel trassie-water, 1 eetlepel asem- of djeroek-water, 1 kopje santen, zout naar smaak, boter of klapperolie.
Bereiding:
De petée-boonen snijdt men fijn en kan men, naar keuze, eerst afkoken. (Sommigen koken de rauwe petée pas in de sambel). De kruiden worden, met uitzondering van één lombok, fijngestampt en in boter gebraden. Nu wordt de andere lombok heel fijn gesneden en met het trassie- en asem-water door de gebraden kruiden vermengd. Laat dit samen even doorkoken en voeg daarna de petée-boonen (c.q. en de garnalen) er bij, en eindelijk de djeroek-poeroet-bladeren met de santen.
Alles verder gaar koken, tot de olie er uitkomt.
115. SAMBEL PETIS.
4 lepels rauwe petis, 3 lepels fijngesneden uien, 2 sioongs fijngesneden bawang-poetih, 2 fijngesneden lomboks, 1 lepel fijngesneden temoe koentjie, 1 theelepel fijngesneden laos, 1 1/2 lepel fijngesneden seréh, 2 theelepels trassie, een weinig suiker, naar smaak, 1 of meer kopjes asem-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, een salam blad, zout, santen een kopje vol, en evenveel warm water, boter of klapperolie.
Bereiding:
Bovengenoemde kruiden, met uitzondering van de petis, trassie, lomboks, de djeroek-poeroet- en salam-bladeren, worden fijngestampt en in goed boter of olie gefruit; daarna, als de uien bijna gaar zijn, maakt men de trassie met wat water fijn en voegt dit met het asem-water en het kopje warm water bij de gebraden kruiden; vervolgens doet men hier de vier lepels rauwe petis bij en roert er in, tot de petis versmolten is. Daarna doet men er de djeroek-poeroet- en salam-bladeren bij, laat dit alles goed koken, voegt er dan de santen bij en laat alles hierin doorkoken, tot de olie er uitkomt.
116. SAMBEL POJA BIJ KETOEPAT.
Een halve geraspte klapper, droog gebraden (geel bruin), 1 theelepel gebrande trassie, 1 lepel ketoembar, 4 schijfjes laos, 4 djeroek-poeroet-bladeren, 1/2 lepel zout.
Bereiding:
De kruiden stampt men met elkander fijn, braadt ze even droog op met den gebakken klapper. Men kan dit gerecht, als het koud geworden is, tot poeder fijnstampen.
117. SAMBEL SERDADOE.
Een bord vol fijngesneden uien, 10 fijngesneden lomboks, 1 lepel trassie-water, zout, boter of klapperolie.
Bereiding:
Men begint met de boter of de olie op te zetten; begint de boter te braden, dan doet men er de uien en de lomboks in en roert dit tot de uien bijna gaar zijn. Daarna doet men er het trassie-water in en laat dit verder, gedekt, gaar smoren. Zijn de uien gaar, dan is het gerecht voor het gebruik geschikt.
Men kan dit gerecht lang bewaren. De soldaten nemen ze wel eens, als toespijs, op marsch mede.
118. SAMBEL SELDERIE.
Dezelfde bestanddeelen als bij sambel ketimoen I; in plaats van de komkommer neemt men een bordje vol jonge selderie blaadjes.
Bereiding:
Als bij de sambel ketimoen I; velen doen de blaadjes even in kokend water, alvorens ze met de saus te overgieten. Men kan echter de blaadjes ook rauw laten.
119. SAMBEL SERÉH.
2 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs gesneden bawang-poetih, 2 lomboks, 4 eetlepels versch gesneden seréh, 1 theelepel zout, 1 theelepel trassie, 1/2 theelepel suiker, 1 lepel asem- of djeroek-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, boter of klapperolie.
Bereiding:
Men stampt de kruiden, behalve de seréh en de bladeren, fijn, braadt ze op met goed boter of olie, doet er daarna de seréh en de djeroek-poeroet-bladeren bij, braadt dit samen nog even op en giet er daarna het asem- of djeroek-water over; laat alles vervolgens zoo droog mogelijk braden.
120. SAMBEL VAN TOMATEN.
4 of 5 rijpe tomaten, 2 lepels fijngesneden uien, 1/2 notemuskaat, 1/2 theelepel peper, 1/4 kopje azijn, boter en zout.
Bereiding:
De rijpe tomaten snijdt men fijn, terwijl men de uien met het zout, de peper en de muskaatnoot te samen fijn stampt. Daarna braadt men deze kruiden op met boter, doet er de gesneden tomaten en den azijn bij. Kook dit alles, tot het zeer gaar wordt, als marmelade
Deze sambel kan, koud, zeer goed bij koud vleesch worden gebruikt.
121. SAMBEL TELOR.
4 à 5 hardgekookte eieren, 2 eetlepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih, 5 kemiries, uitgehaald, 5 schijfjes laos, 1/2 eetlepel fijngesneden seréh, 1/2 theelepel suiker, 1 theelepel rauwe trassie, 1 heele èn 1 fijngesneden lombok, 1 eetlepel asem- of djeroek-water, 1/2 kopje santen, zout, boter of klapperolie.
Bereiding:
De hardgekookte eieren worden in vierde parten gesneden en op een schaaltje gerangeerd.
De kemiries stampt men met al de kruiden, behalve de fijngesneden lombok, fijn; braadt dit daarna met boter of olie op; vervolgens doet men er het asem- of djeroek-water bij, laat dit samen koken en doet er daarna de santen bij. Dit laat men dan met de fijngesneden lombok doorkoken tot een papje. Wordt dit dik, dan giet men het over de eieren heen.
Dezelfde kruiden gebruikt men ook voor de sambel gorèng dadar en sambel gorèng tjeplok.
122. SAMBEL TROEBOEK.
2 stuks troeboek, 4 lepels fijngesneden uien, 5 sioongs bawang-poetih, 2 heele en 3 fijngesneden lomboks, 5 schijfjes laos, 4 lepels azijn, 1/2 kopje water, zout, boter of olie.
Bereiding:
De troeboeks worden eerst goed schoongewasschen en met een drogen doek goed afgeveegd; daarna braadt men ze heel op, laat ze vervolgens koud worden en snijd ze dan in stukjes, ter grootte van dobbelsteentjes.
Men stampt nu de kruiden bij elkander fijn, behalve de drie fijngesneden lomboks, fruit ze in boter of olie op, doet hier de troeboek met de fijngesneden lomboks bij, daarna de vier lepels azijn en dan het water en laat dit samen doorkoken, tot het bijna droog is.
123. ROEDJAK GOBÈT.
Petis ikan of petis oedang (een lepel vol), 2 fijngesneden lomboks, 1 theelepel trassie, 3/4 lepel suiker (of iets meer naar verkiezing), een of meer lepels azijn.
Bereiding:
Men stampt de lomboks fijn met de suiker en de trassie; daarna roert men de petis aan met den azijn, doet er de fijngestampte kruiden door en mengt dit goed tot een pap dooreen.
Deze roedjak eet men met rauwe groenten, als: komkommers, pepaja, bangkowang enz.
124. ROEDJAK MANIS.
10 lomboks, een stuk goela-djawa of 1 eetlepel gewone suiker, 2 theelepeltjes asem, 1 theelepel trassie, 1 theelepel zout, water (of ketjap).
Bereiding:
Alle bovenvermelde kruiden worden fijngestampt en naar verkiezing met wat water (of ketjap) aangelengd.
Deze roedjak wordt evenzoo met rauwe, of gekookte groenten, dan wel met onrijpe vruchten gegeten.
125. PETIS.
Dezelfde kruiden als van de sambel petis.
Bereiding:
Evenals van de sambel petis (No. 115).
Men kan bij deze petis de santen weglaten en er meer asem-water aan toevoegen en daarmede tot een dikke pap opkoken. Men kan de petis dan langer bewaren.
126. PETIS BOEMBON OF PETIS DJAWA.
2 à 3 lepels rauwe petis, 4 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih, 1 heele en 1 fijngesneden lombok, 5 schijfjes laos, 5 schijfjes djahé, 6 schijfjes temoekoentji, 2 volle lepels fijngesneden seréh, 1 theelepel trassie, 1 theelepel fijngesneden koenjit, 1 theelepel zout, 1 theelepel suiker of een stukje goela-djawa, 2 lepels asem- of djeroek-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 daon salam, boter of klapperolie.
Bereiding:
Met uitzondering van de fijngesneden lomboks en de opgegeven bladeren, worden al de overige kruiden samen fijngestampt, daarna in boter of olie gefruit, vervolgens de petis er bij gedaan en dit te samen geroerd, tot de petis gesmolten is. Daarna roert men er het asem-water door heen. Laat dit nog even samen koken en voeg er daarna de santen bij. Koken tot de olie er uitkomt.
N.B. Men kan ook gesneden petée-boontjes met deze petis samen opkoken.
127. PÈTJÈL AJAM.
Een kip, 2 lepels gesneden uien, 3 sioongs bawang-poetih, 5 gepofte kemiries, 1 theelepel gebrande trassie, 1 theelepel zout, 5 schijfjes kentjoor, (naar verkiezing 1 theelepel fijngesneden seréh), santen en djeroek-water. Kemangie-blaadjes.
Bereiding:
De kip wordt geroosterd en, als ze gaar is, het vleesch er afgenomen en aan reepen gescheurd. Dit vleesch op een schaaltje doen.
Nu stampt men de kruiden fijn, leng ze aan met de santen, warm dit, onder aanhoudend roeren, even op, voeg er het djeroek-water bij en giet vervolgens dit papje over het kippenvleesch; men versiert dit gerecht met kemangie-blaadjes.
Men kan deze aldus bereide kruiden ook over gekookte groenten doen, dan heet het gerecht: "pètjèl-sajoran" of "gado-gado." (zie hierachter: "djanganan", No. 131).
128. PÈTJÈL MANGGA MOEDA.
of Trantjam mangga moeda.
Een bord vol fijngesneden rauwe mangga of "mangga mèngkèl", 2 lomboks, 2 sioongs bawang-poetih, 2 lepels fijngesneden uien, 5 kemiries, 1 theelepel trassie, 1 kopje santen. Zout naar smaak.
Bereiding:
De fijngesneden mangga wordt rauw, of even in warm water gedoopt, gebruikt. De kruiden stampt men fijn, warmt ze even met de santen, al roerende, op, tot alles dik wordt en giet dit dan over de mangga, die te voren op een schaaltje is gerangschikt.
129. PÈTJÈL SELDERIE.
Dezelfde kruiden als hierboven; maar in plaats van santen gebruikt men 3/4 kopje azijn.
Bereiding:
Een bordje vol selderie wordt op een schaaltje gerangschikt; de kruiden worden met den azijn tot een papje gekookt en er over heen gegoten.
130. PÈTJÈL TOUGÉ
Een bord vol gaar gekookte tougé. Overigens dezelfde ingrediënten en dezelfde bereiding als de "pètjèl mangga." (No. 128).
131. DJANGANAN OF GADO-GADO.
Allerlei soort van jonge groenten en peulvruchten, ook fijngesneden kool, 8 kemiries, 2 lomboks, 1 theelepel trassie, 1 theelepel zout, asem-water naar smaak.
Bereiding:
De kemiries worden gepoft, uitgehaald en met de lomboks, 't zout en de trassie fijngestampt, daarna met het asem-water aangelengd en over de groenten, die tevoren gekookt en op eene schaal geschikt zijn, gegoten.
Men kan ook de saus afzonderlijk bij de gekookte groenten opdienen.
G. SAMBEL-GORÈNGS.
132. SAMBEL-GORÈNG ATI.
Men neemt dezelfde bestanddeelen en volgt dezelfde bereiding als bij de sambel ati [No. 80].
133. SAMBEL-GORÈNG DADAR.
Van 4 of 5 eieren maakt men een omelette. Overigens dezelfde bestanddeelen en dezelfde bereiding als bij de sambel-telor. (No. 121).
De omelette wordt aan kleine vierkante stukjes gesneden en met de bereide saus overgoten.
134. SAMBEL-GORÈNG DAGING
Bestanddeelen en bereiding als de sambel daging. [No. 94].
135. SAMBEL-GORÈNG IKAN MÉRAH.
Deze sambel-gorèng wordt bereid als de petis boembon, zie No. 126. In plaats van petis neemt men een kopje vol roode vischjes.
Bereiding:
De roode vischjes worden fijngestampt, nadat men ze zoo droog mogelijk op een zeef heeft laten uitlekken. Daarna tot een papje gemaakt, met de gestampte kruiden in boter opgefruit, het asem-water er bij gevoegd alsmede de santen en verder gebraden, tot er de olie uitkomt.
Deze sambel-gorèng komt in smaak overeen met de sambel petis.
136. SAMBEL-GORÈNG IKAN TERIE.
Een bordje vol ikan terie, 2 lepels fijngesneden uien, 1 lepel fijngesneden lombok, santen van 1/4 klapper, 1 lepel asem- en 1 lepel djeroek-water, boter of klapperolie.
Bereiding:
De uien stampt men met de lomboks fijn en braadt ze in boter. Doe er de ikan terie bij en braad dit, al roerende, gaar. Daarna doet men er het asem- en het djeroek-water bij en laat dit bijna droog braden. Vervolgens giet men er de santen bij en laat dit alles samen braden, tot de olie er uitkomt.
Deze zelfde sambel-gorèng kan men ook van ikan kring maken, die dan eerst gepoft en daarna aan kleine reepjes gescheurd wordt.
137. SAMBEL-GORÈNG KEMANTÈN.
2 lepels fijngesneden roode lomboks, waarvan de pitten eerst zijn uitgehaald; 2 eetlepels groene lomboks, ook zonder pitten en fijngesneden; 1 eetlepel fijngesneden bruin gebraden uien, 1 lepel fijngesneden laos, 1 lepel fijngesneden seréh, 1 lepel fijngesneden bawang-poetih, 2 theelepels zout, 1 eetlepel trassie-water, 1 lepel suiker, 6 lepels asem-water, santen van 1/2 klapper, boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks worden gewasschen en in water met zout opgekookt, vervolgens uit het water genomen en op een zeef gedaan om het overtollige nat te laten afdruipen. Nu worden de kruiden, behalve de gebraden uien, fijngestampt en met die gebakken uien opgebraden; daarna de lomboks er bij gedaan met de trassie, de suiker en het asem-water. Het laatste doet men er de santen bij en braadt dit samen op. tot er de olie uitkomt.
138. SAMBEL-GORÈNG KOEWAH.
Stukjes vleesch of kip, een kopje vol snijboontjes (geïriste boontjes), 2 fijngesneden lomboks, 5 sioongs bawang-poetih, 2 lepels fijngesneden uien, 5 schijfjes laos, 1 theelepel trassie, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 eetlepel asem-water, 2 kopjes santen, zout naar smaak, boter of klapperolie.
Bereiding:
De kruiden, behalve de bladeren, worden fijngestampt, gebraden en de fijngesneden boontjes er bij gedaan, zoomede het vleesch of de stukjes kip. Braad dit samen nog even op en doe er het asem-water en de djeroek-poeroet-bladeren bij. Laat daarna alles koken, tot het bijna droog wordt, voeg er daarna de santen bij en laat dit verder smoren tot de olie er uitkomt.
Wil men dit gerecht als sajor gebruiken, dan neme men er meer santen bij.
139. SAMBEL-GORÈNG KRING VAN EBBIE.
Een theekopje fijngestampte ebbie, 3 lepels fijngesneden uien, 5 sioongs bawang-poetih, 5 schijfjes laos, 1 lepel fijngesneden seréh, 5 gepofte kemiries, 3 fijngesneden lomboks, 1 theelepel suiker, 1 eetlepel trassie-water, 1 eetlepel asem-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 salam blad, zout, boter of olie.
Bereiding:
De kruiden worden fijngestampt en gebraden; daarna het trassie- en asem-water met de opgegeven bladeren er bij gevoegd. Hierna doet men het kopje fijngestampte garnalen bij dit alles en braadt het samen droog op.
140. SAMBEL-GORÈNG LOMBOK.
15 lomboks, 2 eetlepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih, 5 schijfjes laos, 1 theelepel suiker, 1 theelepel trassie, 1 theelepel zout, 1 eetlepel asem- of djeroek-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, santen van 1/4 klapper, boter of klapperolie.
Bereiding:
De lomboks worden in de lengte doorgesneden en de pitten er uit gehaald, daarna fijngesneden. De kruiden, behalve de bladeren, worden fijngestampt en gebraden, vervolgens de lomboks met de djeroek-poeroet-bladeren er bij gedaan. Als de lombok half gaar is, doet men er het asem- of djeroek-water bij. Men laat dit even doorbraden en voegt er de santen bij; laat dit koken, tot de olie er uitkomt.
N.B. Men kan ook de lomboks tot moes stampen en dan bij de kruiden voegen.
141. SAMBEL-GORÈNG LOMBOK IDJOE.
8 of 10 groene lomboks, 3 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih, 5 schijfjes laos, 1 theelepel zout, 1/2 theelepel suiker, 1 theelepel trassie, 1 à 2 lepels taotjo, 1 à 2 lepels azijn, boter of klapperolie.
Bereiding: