Part 23
Op dezelfde wijze kan men chocolade-baisers maken, door, in plaats van vanille, poeder-chocolade te nemen.
798. WAFELS (GEKLOPTE).
Een half pond boter, 2 ons meel, 1/2 flesch dikke geslagen zure room, 12 eierdooiers, suiker en kaneel, spek.
Bereiding:
De boter klopt men tot schuim en klopt hier vervolgens, een voor een, de eierdooiers door. Daarna roert men er voorzichtig het meel door. Nu wordt het wit der eieren tot sneeuw geklopt en hierdoor de zure room geroerd. Dit wordt met het meelbeslag vermengd. Het wafelijzer maakt men daarna heet, bestrijkt de binnenzijden met spek en vult het ijzer, halfvol, met beslag. Men bakt ze, boven areng, aan beide zijden geel en bestrooit ze, nog warm, met suiker en kaneel.
799. WAFELS (GEREZEN).
Een half pond boter, 2 lepels legèn, 1 pond fijngestampte witte suiker, 1/2 flesch lauwe melk, 3 1/2 ons meel, 8 eieren, fijne kaneel, notemuskaat en suiker.
Bereiding:
De boter, legèn, suiker en melk worden langzaam met het meel tot beslag geroerd; de acht eieren klopt men goed en mengt ze door het beslag; laat dit nu een weinig rijzen, bak het daarna als hiervoren en dien ze, nog warm, op, met fijne kaneel, notemuskaat en suiker bestrooid.
800. WAFELS (KANEEL-).
Een half pond boter, tot schuim geroerd, 6 eieren, 1/2 pond fijne witte suiker, 30 gram fijne kaneel, 3 1/2 ons fijngezift meel.
Bereiding:
Men klopt de boter met de zes eieren tot alles wit is; daarna wordt er de kaneel en de fijne suiker door geroerd, vervolgens het meel er langzaam bij gedaan en verder de wafels als hierboven gebakken.
801. WAFELS (CHOCOLADE).
(Amerikaansch recept).
Een kopje meel, 1/4 kopje boter, 1 kopje suiker, 2 à 3 lepels chocoladepoeder, 1 lepel fijngestampte vanille, boter, zout, slaolie.
Bereiding:
De boter slaat men wit, werkt er de suiker door, daarna de chocolade, de vanille en het meel; dit wordt tot een goed beslag verwerkt; bak er daarna, als hierboven, wafels van, of wel, men kan er pannekoekjes van bakken, al naar verkiezing. Als men er pannekoekjes van bakt, stapelt men ze op elkander en bestrooit ze met suiker.
802. WAFELS (AMANDEL).
Een half pond gepelde zoete amandelen. 6 eieren, bijna 1 1/2 ons suiker, 1 kopje gesmolten suiker, 1 kopje gesmolten boter, 1 kopje fijngestampte beschuit, lauwe melk.
Bereiding:
De amandelen worden fijngestampt, met de eieren, die eerst geklopt zijn, aangemaakt, daarna de suiker er bij gedaan en dit goed door elkander geroerd. Daarna doet men er de gesmolten suiker en de gesmolten boter met de beschuitkruim door. Dit wordt verder met de lauwe melk tot een beslag geroerd, dat voor de bewerking met het wafelijzer geschikt is. Overigens dezelfde bewerking als hiervoren.
803. WAFELS (RIJST).
Een half pond gebroeide rijst, 1 flesch melk, 1 pond meel, 1/2 pond gesmolten boter, een paar lepels legèn, 5 eieren, een weinig zout, melk, kaneel, suiker.
Bereiding:
De gebroeide rijst wordt met de melk tot een dikke brij gekookt; daarna doet men er het meel, de boter, de legèn en het zout bij, als de brij half koud is. De eieren worden geklutst, met wat melk aangeroerd en door het beslag gemengd. Men laat dit beslag eenigen tijd rijzen en bakt de wafels overigens als hiervoren is aangegeven.
804. WEIHNACHTSSTOLLEN.
(Duitsch).
Een en 1/4 pond tarwebloem, 1/2 pond boter, 1 1/4 ons suiker, 1/2 ons gestampte amandelen, 1/2 pond sultana-rozijnen, 1 1/4 ons krenten, 2 eieren, een paar lepels legèn, rhum, melk, notemuskaat, 1/2 flesch melk, 1/2 ons vruchtensuiker (zie No. 714), 1 theelepel kardemom, zout.
Bereiding:
Men maakt een beslag van de bloem, de boter, de suiker, de vruchtensuiker, de amandelen, rozijnen, krenten, een weinigje zout, een halve geraspte notemuskaat, een half kopje rhum, de legèn en de eieren; (naar verkiezing, de kardemom er nog bij). Dit beslag laat men gedurende een kwartier rijzen
Daarna rolt men het deeg uit en maakt er een rond geheel van, dat men dubbel slaat. Men bestrijkt dit deeg met geslagen geel van ei, dat met wat suiker en water is aangelengd. Bak dit deeg op een gebaksplaat, in den niet te heeten oven (± een uur) gaar. Als de stollen klaar zijn bestrijkt men ze met gesmolten boter en strooit er suiker over.
805. WELLINGTON GEBAK.
Het wit van 4 eieren, 1/2 pond suiker, een weinig water, 1/2 pond gestampte amandelen, een weinig gesnipperde en geroosterde amandelen.
Bereiding:
De vier eiwitten worden tot sneeuw geslagen; de suiker met water à la petite plume gekookt (No. 713). Nu giet men deze suiker vlug door het eiwit en roert alles goed om. Daarna verwarmt men de gestampte amandelen en roert er de helft van het met suiker geslagen eiwit door. Is dit goed geroerd, dan doet men er de andere helft bij. Men roert dit vervolgens, op het vuur, zoolang aan, tot het een stijve massa wordt. Van deze massa maakt men langwerpig-vierkante figuren, die met de geroosterde amandelen bestrooid worden. Deze worden verder op een ijzeren plaat gebakken, die eerst met boter bestreken en daarna met meel bestoven is. Men bakt ze in een matig verwarmden oven.
806. WENTELTEEFJES.
Twaalf sneedjes oud brood, 3/4 flesch melk, 1 à 2 eieren, 4 1/2 lepel suiker, 3 à 4 lepels boter, 1 theelepel kaneel of een stukje vanille, een weinigje zout, boter.
Bereiding:
De eieren klopt men met de suiker en de kaneel, lengt dit daarna met de melk aan en overgiet met dit mengsel de met boter besmeerde sneedjes brood. Laat er het brood eenigen tijd in weeken, maar niet zoo lang, dat de sneedjes uit elkander vallen.
Men braadt ze vervolgens, in een pannekoekspan, met heete boter licht bruin.
Rangeert de gebakjes eindelijk op eene schaal en presenteert er suiker en kaneel bij.
807. ZANDKOEKEN.
Een pond boter, 4 ons suiker, 10 eieren, 8 gram hertshoornzout, 1 lepel gestampte foelie en geraspte djeroek-schil, 6 ons meel, suikerglazuur.
Bereiding:
De boter wordt tot schuim geroerd; de eieren met de suiker door de boter geklopt; daarna wordt verder het hertshoornzout, de foelie, de geraspte schil en het meel doorgeroerd.
Hierna bakt men dit beslag in met boter bestreken vormpjes, in een goed verwarmden oven, gaar. Wanneer de koeken koud zijn geworden, bestrijkt men ze met suikerglazuur.
ZOUTE GEBAKKEN.
808. AARDAPPELBOLLETJES BIJ SALADE.
Twaalf aardappelen, 1 kopje melk, 2 eieren, peper en zout, notemuskaat naar smaak, beschuitkruim, heete slaolie met boter.
Bereiding:
De aardappelen worden geschild en met water en zout gekookt. Het water wordt daarna afgegoten; van de aardappelen purée gemaakt en de specerijen er door heen gevoegd, daarna de melk en de eieren. Dit wordt alles goed door elkander gekneed, waarna men er bolletjes van vormt, die in beschuitkruim gewenteld en in heete slaolie met boter bruin gebakken worden.
809. GEROOSTERD BROOD MET TOMATEN.
Eenige rijpe tomaten, 3/4 lepel bloem, 1 lepel boter, 1/2 theelepel zout, 1/2 theelepel cayenne-peper, dunne sneedjes geroosterd brood.
Bereiding:
De tomaten worden in stukken gesneden, vervolgens met een paar lepels water, gedurende een half uur gesmoord. Daarna kneedt men de bloem met de boter, roert dit door de tomaten, met bijvoeging van het zout en de cayenne-peper. Laat dit samen stoven tot het dik wordt. Deze dikke brij smeert men op de geroosterde sneedjes brood, die warm worden voorgediend.
810. SAUCIJZEBROODJES.
Feuilletée-deeg (No. 704), 1 pond varkensgehakt, boter, geslagen eierdooiers.
Bereiding:
Men rolt het deeg, ter dikte van 1/4 c.M. uit en maakt er een groot vierkant van. Het varkensgehakt vermengt men met een ei, een theelepel zout, peper, notemuskaat en kruidnagelgruis, maakt het aan met een à twee sneedjes in water geweekt brood. Roer dit goed door elkaar en maakt er worstjes van, ter dikte van een vinger en ongeveer zes c.M. lang. Leg er een rij van op het deeg, met tusschen ruimten van 4 c.M.
Bestrijk het deeg, rondom ieder worstje, met water, snijd het in 't vierkant af en vouw het om, zoodat de worstjes er in besloten zijn. Druk, rondom de worstjes, het deeg tegen elkander, bestrijk ze met geslagen eierdooiers en bak ze met onder en boven vuur, of in een heeten oven, op een gebaksplaat, gedurende 20 minuten, gaar.
811. ZOUTE BOLLEN, KRAKELINGEN EN STENGELS I.
Een pond meel, 1/2 pond gesmolten boter, 1 eierdooier, 1/2 glas water, 1 glaasje madéra, zout naar smaak.
Bereiding:
In het meel maakt men een kuiltje, doet hierin het geel van 't ei, kneedt dit met het water goed dooreen en doet er de gesmolten boter, de madéra en goed zout naar smaak bij. Wanneer dat alles goed dooreen is gemengd, rolt men het beslag tot balletjes, krakelingen of lange stengels. Deze figuurtjes bestrijkt men met eigeel en bakt men op een met boter bestreken plaat, in den heeten oven, licht bruin.
812. ZOUTE BOLLEN ENZ. II.
Een pond bloem, een paar lepels legèn, 1 ei, 1 pond boter, 2 lepels zout, een weinig melk of water.
Bereiding:
Is geheel dezelfde als hierboven. Men laat echter het beslag eerst eenigen tijd rijzen en kneedt het daarna tot balletjes of andere figuurtjes.
TAARTEN.
813. AMANDELTAART I.
Een kwart pond gepelde gestampte amandelen, 1/2 pond witte suiker, 2 ons bloem, 1 theelepel dubbelkoolzure soda, 1/2 geraspte djeroek-nipis schil, een weinig zout, 8 eieren, 1/4 pond boter.
Bereiding:
De boter wordt wit geroerd, de eierdooiers voegt men, een voor een, roerende, bij de boter, daarna de suiker, vervolgens de bloem, het zout, de soda, de geraspte schil en de gestampte amandelen; het laatst wordt er het geklopte eiwit door gemengd. Is dit alles goed door elkander gewerkt, dan doet men dit beslag in een met boter bestreken springvorm en bakt het, gedurende een uur, in een matig verwarmden oven. Nog warm doet men het op een taartenschaal.
814. AMANDELTAART II.
Pastei-korst (No. 706), 8 eieren, 1 1/2 ons gepelde gestampte amandelen, evenveel suiker, 2 lepels cognac, boter.
Bereiding:
Van het pastei-korst-deeg maakt men een rondte met opstaanden rand, van 3 à 4 c.M. hoog en besmeert het binnenste met boter. Van de amandelen, de suiker, de geklopte eierdooiers maakt men een deeg, dat gedurende een kwartier goed met elkaar vermengd is; daarna roert men er den cognac in, het laatst de acht tot sneeuw geklopte eiwitten. Deze massa wordt in den pastei-korstvorm gestort, die vooraf in den oven licht bruin gebakken is. Daarna bakt men de taart, op een met boter bestreken gebaksplaat, in den matig verwarmden oven, gaar. Beide taarten kan men glaceeren en met gesnipperde amandelen versieren.
Ook zonder pastei-korst kan men deze taart in een springvorm bakken, die te voren met boter moet besmeerd zijn.
815. ANANASTAART.
Een half pond bloem, 1/2 pond boter. Twee ananassen, 1/2 glas roode wijn, 1/2 glas madéra, suiker naar smaak, een paar kruidnagels, 1/2 pijpje kaneel, 12 bitterkoekjes of 12 biscuits, 1 glaasje crême de vanille, 1 lepel maraschino of andere likeur, een groote lepel cognac, 4 eiwitten tot sneeuw geslagen, opengesneden rozijnen zonder pit, boter.
Bereiding:
Van beide eerstgenoemde ingrediënten maakt men taartendeeg (No. 703), waarvan men een rondte met opstaanden rand maakt evenals bij No. 814. De ananassen worden schoongemaakt, het hart weg gedaan en het vleesch der vruchten in zeer kleine stukjes gesneden. Deze stukjes worden met den wijn, de madéra, suiker, kruidnagels en de kaneel opgekookt tot alles gelei-achtig is, waarna men dit afzet en koud laat worden.
De taartenkorst heeft men intusschen licht bruin gebakken, waarna men bovengenoemde koude massa er in overstort.
Nu worden de bitterkoekjes fijngestampt, met de crême de vanille, den cognac en de maraschino overgoten en samen omgeroerd. Dit mengsel doet men op de ananas-gelei, en zet men verder de taart weer in den oven te bakken. Is de taart wat droog geworden, dan haalt men haar uit den oven en bestrijkt het bovenoppervlak met het geslagen eiwit, dat men met djeroeksap en wat suiker heeft geklopt. De sneeuw versiert men eindelijk met kruisgewijze geplaatste rozijnen, waarna de taart ten slotte nog even, in den oven, licht geel wordt gebakken.
816. BESCHUITTAART I.
Acht eieren, 3 eetlepels boter, 1 kopje suiker, 1 1/2 of 2 kopjes beschuit- of broodkruim, 1/2 stokje vanille, 1 à 2 kopjes melk, een weinig zout.
Bereiding:
De acht eieren, waarvan drie met het wit, klopt men goed dooreen, voegt er nu langzaam, al roerende, lepel voor lepel, de boter, de suiker, de beschuitkruim en de vanille bij. Klop dit alles goed door elkander en voeg er, langzaam, de melk en de vijf tot sneeuw geslagen eiwitten bij. Roer nogmaals alles goed dooreen en stort dit alles in een met boter bestreken vuurvaste schaal over. Men laat deze taart in den penggorèngan (taartepan) eerst van onderen en dan van boven gaar bakken.
817. BESCHUITTAART II.
Vijftien tot 20 gestampte beschuiten, 1/2 pond fijngestampte amandelen, 15 eieren, 1/2 pond witte suiker, 1/4 pond gesmolten boter, een weinig zout, 1/2 stokje vanille, beschuitkruim, boter.
Bereiding:
De dooiers en het wit worden apart geklutst; daarna de dooiers met de suiker geklopt, de amandelen en beschuit er door geroerd, vervolgens de gesmolten boter er door gewerkt. Is dit goed vermengd dan doet men er, 't laatst, het tot sneeuw geklopte wit bij met 't stukje vanille en het zout. Ook dit wordt samen goed door elkander gewerkt.
Nu bestrijkt men een tulband- of anderen vorm met boter en beschuitkruim, stort hierin het beslag en bakt het met van onderen en boven vuur in de taartepan, dan wel in den heeten oven. Dit gebak wordt warm uit den vorm op de taartenschaal gedaan.
818. BESCHUITTAARTJES.
Dezelfde ingrediënten als hierboven.
Bereiding:
Als in No. 817, doch nu neemt men kleine vormpjes, die ook inwendig met boter en beschuitkruim zijn besmeerd. Zijn de gebakjes van boven licht bruin, dan haalt men ze uit den oven en stort ze warm op een schotel over.
819. BROEDER BEST.
Een brooddeeg van 10 cents, 3/4 pond tarwebloem, 20 eieren, 3 lepels suiker, 1/2 pond boter, 1 theekopje melk, wat citroen- of rozenolie, boter en beschuitkruim.
Bereiding:
Het deeg kneedt men met het halve pond boter goed door elkander, doet hierdoor twee heele eieren en achttien dooiers, beslaat dit goed met de melk en roert er daarna de suiker en de citroenolie door. Zes eiwitten slaat men tot sneeuw en roert dit ook door de massa. Daarna stort men alles in een met boter en beschuitkruim besmeerden vorm, laat dit een oogenblik rijzen, tot de massa een paar vingers onder den rand van den vorm komt, en bakt het eindelijk in een matig verwarmden oven gaar.
820. BROODTAART.
Twaalf sneedjes brood, 6 eieren, 3 lepels suiker, 1/2 ons gewasschen krenten, 1/2 ons rozijnen, 1/2 flesch melk, 3 lepels rozenwater of een paar druppels rozenolie, kaneel, boter, beschuitkruim.
Bereiding:
De sneedjes brood worden aan weêrskanten met boter bestreken, daarna laag om laag, met krenten, rozijnen en een weinig fijne kaneel in een met boter en beschuitkruim bestreken schaal of basi-kasar gedaan. Men maakt nu een vla van de zes geklopte eieren, de suiker, de melk en het rozenwater en giet deze vla over het brood in de schaal; over dit alles strooit men nog beschuitkruim met kaneel vermengd en voegt er nog een paar stukken boter bovenop.
Men bakt deze taart met onder en boven vuur of in een heeten oven, gaar.
821. BROODTULBAND.
Een groot brood, waarvan men al de korsten afsnijdt, 12 eierdooiers en de 12 tot sneeuw geklopte eiwitten, 1/2 pond droge fijne witte suiker, 1 theelepeltje fijne kaneel, evenveel fijne notemuskaat, een stukje fijngestampte foelie, 1 theelepeltje zout, een stukje geraspte djeroek-schil, boter en beschuitkruim.
Bereiding:
Het brood snijdt men in dunne sneedjes, die men roostert en daarna fijnstampt. De eierdooiers worden met de suiker wit geklopt, hierin al de bovenvermelde specerijen en het tot sneeuw geklopte eiwit gedaan. Daarna roert men hier langzaam de beschuitkruim (het gestampte brood) met een half kopje gesmolten boter door en stort deze massa in een met boter en beschuitkruim bestreken tulbandvorm over. Laat dit met onder en boven vuur, of wel, in een heeten oven, licht bruin bakken.
822. CITROENTAART.
Acht eieren, hiervan het eiwit geklutst; 5 fijngestampte beschuiten, het sap van 6 djeroeks-nipis, 1 bierglas rijnwijn, 4 lepels gesmolten boter, suiker en zout naar smaak, boter.
Bereiding:
De acht eierdooiers worden met de suiker (b.v. een kopje suiker) wit geklopt; hierbij roert men de gestampte beschuit, perst er het sap der zes djeroeks in en voegt er, al roerende, de gesmolten boter en den rijnwijn door.
Als dit goed is geschied, doet men er het geslagen eiwit door met een weinigje zout en klopt dan nog eens alles goed door elkander.
Men bakt het in een, flink met boter bestreken vorm, licht bruin, in een matig verwarmden oven.
823. GALETTE GÉNOISE.
Een en een kwart ons meel, ongeveer 2 ons suiker, (iets minder), 6 eieren, 2 lepels gesmolten boter, zout naar smaak, 1 lepel oranjewater, poedersuiker of vla.
Bereiding:
De eieren klutst men met de suiker wit, roert er vervolgens het meel in en lengt dit met de gesmolten boter in het oranjewater aan.
Van dit alles kneedt men een deeg, dat in een met boter bestreken springvorm wordt gedaan, van boven glad wordt gestreken en versierd wordt met gepelde, in tweeën gesneden amandelen. Men bakt dit licht bruin in den warmen oven. Als het gebak gereed is, laat men het eerst koud worden, snijdt het in langwerpig-vierkante stukken en dient het met poedersuiker of een of andere vla voor.
824. GATEAU MECKLENBOURG.
Een half pond meel, 3/4 pond suiker, 12 geklutste eierdooiers en 12 tot sneeuw geklopte eiwitten, frambozen- of aardbeiengelei, vanillevla, geklopt eiwit en melk, boter, wit of rood suikerglazuur.
Bereiding:
De dooiers worden met de suiker wit geslagen; daarna doet men de helft van de sneeuw bij de geklopte dooiers en roert er het meel door. Is het beslag te luchtig, dan voegt men er nog wat meel bij.
Dit beslag verdeelt men in vieren en bakt elk gedeelte (van groot tot kleiner) in vier springvormen. Zijn de gedeelten gaar, dan laat men ze eerst koud worden en haalt ze daarna uit de vormen. Men stapelt de lagen op elkander en doet er, om beurten, frambozengelei en vanillevla tusschen. De bovenste laag versiert men met het overgeschoten eiwit, dat men met melk tot een dikke massa gekookt heeft.
825. GEVULDE COLOMBIJNTAART.
Twee ons bloem, 2 ons fijne, droge, witte suiker, 1/2 ons boter, 10 geklopte eierdooiers en 10 eiwitten tot sneeuw geklopt, gelei en vanillevla van 4 à 5 eierdooiers, boter.
Bereiding:
De geklopte eierdooiers worden nog eens met de suiker wit geklopt; vervolgens roert men er het meel, daarna het wit door. Men roere echter niet te lang. Men bakt hiervan een koek in een met boter bestreken springvorm en laat het, lichtbruin, gaar worden. Men schudt de taart, nog warm, uit den vorm, laat haar bekoelen en holt haar in het midden uit, zoo, dat er een rand overblijft van ongeveer zes à zeven c.M.
Het uitgeholde gedeelte vult men met gelei, doet daarop het uitgenomen stuk, dat men met een laagje vanillevla bedekt.
Men siert den buitenrand der taart met wit of rood suikerglazuur.
826. GEVULDE ZANDTAART.
Zes en een half ons meel, 2 1/2 ons fijngestampte amandelen, 2 ons boter, 1 1/2 ons suiker, 4 eieren, een paar geklutste eierdooiers, de geraspte schil van een djeroek-nipis, gesmolten boter, 1/2 theelepeltje zout, confituren of vla, eiwitglazuur.
Bereiding:
Het meel wordt met de boter dooreen gewerkt, daarna de gestampte amandelen, de suiker en de geraspte schil er mede vermengd, de vier eieren geklutst en met het vorige tot een deeg gekneed. Nu neemt men een deegplank, rolt het deeg er op uit, maakt van de helft een rondte met hoog opstaanden rand, bestrijkt dit met gesmolten boter en de geklutste eierdooiers, bakt het op een met boter bestreken gebaksplaat, in den oven, licht bruin en haalt het gebak, als het gaar is, te voorschijn. De andere helft van het deeg wordt eveneens bereid.
Nadat beide gebakken gaar zijn, vult men het onderste met confituren, het bovenste met vla, doet ze op elkander en plaatst dit gebak nog even in den oven. Laat ze eindelijk koud worden en bestrijk ze aan den buitenrand met eiwitglazuur.
827. GÉNOIRE.
Iets minder dan 2 ons meel, 2 ons suiker en evenveel boter, 6 eieren, boter, beschuitkruim, eiwitglazuur.
Bereiding:
De suiker en boter worden, in een kom, met elkaar vermengd; daarna klutst men er zes eierdooiers door, roert hierin het meel en 't laatst, het tot schuim geklopte eiwit. Men besmeert vervolgens een vuurvaste schaal met boter en beschuitkruim, doet hier het beslag in en bakt deze taart in een taartepan met onder en boven vuur, of wel in den warmen oven, licht bruin.
Men laat de taart koud worden en versiert haar met eiwitglazuur, door er boven op figuren op te laten afdruppelen.
828. HELENATAART.
Drie ons boter, 3 ons bloem, 3 ons suiker, ruim 1/2 ons krenten, 1/2 ons sultana rozijnen, 1 kopje vol fijngesneden sukade, 4 eieren, 1 theelepel fijne kaneel, 1/2 theelepel kruidnagelgruis, 3 lepels suiker, boter, beschuitkruim.
Bereiding:
Men roert de boter wit, en doet er, doorroerende, de geklutste eieren in, hierna de suiker, vervolgens de bloem, die men nog eerst gezeefd heeft, de schoongewasschen krenten, rozijnen, sukade, kaneel, nagelgruis en een weinigje zout. Hiervan kneedt men goed een deeg, dat men in een met boter en beschuitkruim bestreken vorm doet, daarna vluchtig met een weinigje koud water overgiet en met de drie lepels fijne suiker bestrooit. Het water dient tot hechting van de suiker.
De taart wordt in een niet te warmen oven, gedurende een uur ongeveer, gebakken. Men kan haar, in een gesloten trommel, wel veertien dagen bewaren.
829. INDISCHE CONFITURENTAART MET MELK.
Taartendeeg (No. 703), een paar lepels maïzena, 1 1/2 flesch melk, 1 kopje suiker, 1 glaasje kirsch of cognac, verschillende confituren of manisans, genoemd in No. 675-680, verder tangkwé, gember, rozijnen en krenten, boter.
Bereiding:
Het deeg vervormt men tot een rondte met opstaanden rand, besmeert het met boter en geklopt eigeel en bakt het, in den oven, licht bruin. Is zij gaar, dan wordt zij gevuld met: eerste laag: confituren, tweede laag: vla, die men van de melk, maïzena, suiker en kirsch heeft gemaakt, derde laag: wederom confituren, dan weêr melkvla, enz. Bovenop versiert men dit gebak met de krenten, rozijnen, stukjes tangkwé en stukjes geconfijte gember, waarna men de taart nog even in den oven laat bakken.
830. KONINGSTAART.
Vijftien eierdooiers, 1 pond boter, 1/2 pond bloem, 1 pond droge, witte suiker, 2 lepels fijne kaneel, 12 tot sneeuw geklopte eiwitten, frambozengelei, rood en wit waterglazuur, 1 lepel fijne notemuskaat.
Bereiding:
Men maakt een deeg van de geklopte eierdooiers, boter, bloem, suiker, kaneel en notemuskaat. Hierna roert men er het geslagen eiwit door en mengt dit alles goed dooreen. Deze taart wordt in eenige vormen, aan lagen gebakken; de vormen zijn te voren met boter besmeerd; de lagen worden licht bruin gebakken. Elke laag besmeert men met gelei; de bovenste laag glaceert men met een rand wit en, in 't midden, rood waterglazuur, evenzoo den buitenrand.
N.B. Op de bovenste laag mag geen gelei gestreken zijn.
831. KONINGIN WILHELMINA-TAART.
Een half pond witte en 1 1/2 ons bruin geroosterde amandelen, 6 eiwitten, 1/2 pond witte suiker (voor de witte amandelen) en 1 1/2 ons witte suiker (voor de bruine amandelen), 9 eierdooiers, waarvan 6 voor de witte en 3 voor de bruine amandelen, 4 lepels aardappelmeel, 6 eiwitten, 1/2 ons gestampt geroosterd brood, een groot glas wijn, boter, oranje-, rood- en wit suikerglazuur.
Bereiding: