Part 22
Het meel mengt men goed met de suiker en den honig; daarna smelt men de geraspte javaansche suiker in water en roert dit door het beslag, waarin men de verdere bestanddeelen doet; het laatst den brandewijn.
Vervolgens bakt men het in een, goed met boter bestreken, vorm, bruin en strooit er, als de koek nog warm is, het kandijgruis over.
759. HONIGKOEKJES.
Een pond honig, 1 pond meel, eenige stukjes sukade, 2 theelepels fijne kaneel, 1 theelepel geraspte notemuskaat, 1 theelepel zout, 1/2 pond suiker.
Bereiding:
De honig wordt met de suiker gekookt. Als dit bekoeld is, roert men er het meel, de sukade en de specerijen door, kneedt het deeg goed door elkaar en rolt het op de deegplank uit. Hiervan snijdt men lange reepen, ter dikte van 2 c.M. en ter vingerlengte, bakt deze in den heeten oven, op een met boter bestreken plaat of in een platte vuurvaste schaal, met boter, in den oven.
760. HOLLANDSCHE SOEZEN.
Twee en een half ons bloem, 2 ons boter, 3/4 flesch melk of water, 9 eieren, zout.
Bereiding:
Men kookt de melk of het water even met de boter, neemt de pan van het vuur en roert er daarna de bloem door. Vervolgens worden de eieren er, een voor een, doorgeklopt.
Nu neemt men de soezenvormen. die met boter bestreken worden, vult ze voor 3/4 met het beslag en laat ze in een heeten oven bakken. Gedurende de eerste tien minuten mag de oven niet worden geopend, daar de soezen neêr zouden slaan. Men gebruikt de soezen met stroop, of ze worden met vla gevuld.
761. INDISCHE SOEZEN.
Een flesch water, 16 eieren, 1/2 pond meel, 1/2 pond boter en wat zout.
Bereiding:
Als hierboven; men bakt ze in een pan-bakar, eerst met van onder, daarna van boven vuur, in beboterde vormpjes.
762. INDIËRS.
Ongeveer 2 ons meel (iets minder), 1/2 pond suiker, 6 eierdooiers, sneeuw van 5 eiwitten, chocolaadglazuur, vanille- of roomvla, zout, boter.
Bereiding:
Men klopt de suiker met de eierdooiers tot schuim; daarin roert men de sneeuw en vervolgens het meel door; men voegt er een weinig zout bij. Dit wordt verder samen tot een deeg gekneed, dat men uitrolt en waarvan men ronde koekjes uitsteekt, 2 c.M. dik en even groot als ronde beschuiten.
Men bakt ze in den heeten oven, snijdt ze daarna door, bestrijkt ze met vanille- of roomvla en doet ze met de vlavakken weder tegen elkander. De buitenzijde dezer gebakjes bestrijkt men vervolgens met chocolaadglazuur en doet ze eindelijk nog even in den oven, om te drogen.
763. KLAPPERKOEKJES.
Een geraspte klapper, 1 ei, 4 lepels suiker, 1/2 ons gepelde amandelen, 2 lepels bloem, zout, boter.
Bereiding:
Het ei wordt goed met de suiker geklopt; daarna stampt men de amandelen en voegt deze, met het meel, door het geklopte ei. Vervolgens kneedt men dit, met den geraspten klapper, goed door elkander. Is dit geschied, dan maakt men er kleine gebakjes van, die men, in den oven, op een met boter bestreken schaal of gebaksplaat, aan beide kanten, bruin bakt. Men keert ze nu en dan om, om het aanbranden te voorkomen.
764. KRENTENBROOD.
Vier ons bloem, 2 ons krenten, 1 1/2 ons rozijnen, 1/2 ons fijngesneden sukade, 1/2 lepel zout, 2 eieren, 2 lepels gesmolten boter, 2 1/2 kopje melk, ongeveer 2 kopjes legèn.
Bereiding:
In de bloem maakt men een kuiltje, doet hierin de geklutste eieren, het zout en de gesmolten boter, kneedt dit goed dooreen, doet het vervolgens in een schaal of kom en roert er de lauwwarme melk door, vervolgens de legèn, de sukade, krenten en rozijnen. Men moet dit alles goed door elkander roeren.
Men bakt dit beslag, nadat het gerezen is, in een met boter en beschuitkruim bestreken brood- of tulbandvorm, in een matig verwarmden oven, tot het brood gaar en donkerbruin is, (dit duurt ± één uur). Men kan in plaats van het meel, enz., het deeg van twee broodjes bij de bakker bestellen.
765. KRUIDENGEBAK.
Twee kopjes meel, 2 kopjes honig, 1 kopje suiker, 8 eieren, 1 theelepel fijngesneden seréh, 1 theelepel fijngestampte kruidnagels, 1/2 stokje fijngestampte kaneel, 2 djeroek-poeroet bladeren, de geraspte schil van 1 djeroek-nipis, wat sukade en snippers, zout, boter, melk.
Bereiding:
De acht eieren klutst men met de suiker, wit; daarna kookt men den honig met de specerijen op, tot er een kopje van overblijft. Dit zeeft men en roert het door de geslagen eieren. Meng hier het meel door, met een weinig melk, zoo, dat men dit deeg kneden kan. Nu bakt men er lagen van, op iedere laag wat snippers en sukade, en doet dan de lagen op elkander. Men glaceert het met een of ander glazuur. De bovenste laag versiert men met kandijgruis.
766. KANEEL-WAFELTJES I.
Twee en een half ons meel, 1 ons suiker, 1 ons boter, 20 gram kaneel, 1 ei, zout, boter.
Bereiding:
Men maakt van het meel, de suiker, de kaneel, de boter en het ei een beslag, waarvan men, in een wafelijzer, dat met boter bestreken wordt, wafeltjes bakt.
767. KANEEL-WAFELS II.
Twee kopjes meel, 1 kopje suiker, 1 ons boter, 1 ei, 2 theelepels fijne kaneel, een paar gestampte djeroek-poeroet-bladeren, 1 lepel cognac, zout, boter.
Bereiding:
Als hierboven. Men kneedt alles bij elkander tot een deeg en lengt dit met de cognac aan. Daarna maakt men er kleine balletjes van, die men in het wafelijzer doet en bakt ze vervolgens gaar.
Bij gebrek aan een wafelijzer gebruike men gevoeglijk een oublie-ijzer. (Zie No. 612 en 779).
768. KORENMEELBROODJES.
(Corn muffins).
Een kopje koren- of Colmansmeel, 2 theelepels "baking-powder", 1 1/4 kopje melk, 1/2 kopje gesmolten boter, 1 theelepel suiker, 1/2 theelepel zout, 1 ei, 1 kopje bloem.
Bereiding:
De gesmolten boter klopt men met de suiker wit, voegt er daarna het korenmeel, de "baking-powder" en de bloem bij, kneedt hiervan een goed beslag en roert er, zachtjes aan, het geklutste ei, de melk en het zout door. Men bakt deze broodjes in met boter bestreken en met beschuitkruim bestrooide vormpjes, gedurende vijf en twintig minuten, in een warmen oven.
769. MAKROONGEBAK.
Een pond witte suiker, 1 pond gestampte zoete amandelen, 3 theelepels geraspte notemuskaat, 2 theelepels kruidnagelgruis, 2 theelepels kaneel, het geklopte wit van 6 eieren, zout, boter, 1 lepel rozenwater en schrijnspapier of wit papier, met boter bestreken. In plaats van de 3 specerij soorten gebruikt men ook alleen kardemom.
Bereiding:
Men stampt de amandelen met de suiker, doet hierin het rozenwater en spreidt dit deeg op een bord uit, tot het droog is geworden. Daarna sprenkelt men er nog wat rozenwater over heen. Nu klopt men de zes eiwitten, met de drie specerijen, tot dit dik is geworden en vermengt dit met het amandeldeeg. Dit beslag doet men in een springvorm, dien men, met schrijnspapier, op den bodem bedekt heeft.
Men bakt ze, in een taartenpan met vuur van onder, daarna van boven, gaar.
770. MAKRONEN.
Dezelfde bestanddeelen, zonder specerijen.
Bereiding:
Als hierboven, alleen roert men er chocoladepoeder, dan wel karmijn kleursel of geraspte djeroek-schil door, en vormt hiervan kleine bolletjes, die men, naast elkander, als hierboven, op schrijnspapier bakt. Ze krijgen dan de benamingen van chocolade-, rozen- of citroenmakronen.
771. MELK BANKET.
Een flesch melk, 1/4 pond fijne broodsuiker, 1/2 stokje vanille, 2 lepels bloem, een weinig zout, droge fijne suiker.
Bereiding:
De melk kookt men met de suiker en vanille op, en roert dit, altijd naar denzelfden kant, om. Het meel wordt met een weinigje melk aangelengd; wanneer de gekookte melk dik begint te worden, roert men er het meel doorheen. Het moet daarna zoo dik zijn, dat men er figuurtjes en balletjes van kan vormen, die men op een plaat uitspreidt en in den wind laat drogen. Vervolgens bakt men ze even, in een warmen oven, op en bestrooit ze daarna met fijne suiker.
772. MINCE PIÈCE.
Feuilletée-deeg, 2 1/2 ons rozijnen zonder pit, 1 1/2 ons krenten, 1 1/2 ons gehakt nierenvet, 1/2 fijngeraspte notemuskaat, een glaasje rhum. (Naar keuze stukjes sukade en snippers). Suiker, boter.
Bereiding:
Van het feuilletée-deeg maakt men kleine pasteitjes, die men vult met: de gewasschen rozijnen, krenten, het gehakte nierenvet, de notemuskaat en rhum. Deze ingrediënten worden daartoe eerst door elkander vermengd. Nu bakt men de gevulde pasteitjes. Zijn zij gaar, dan rangeert men ze, in de rondte, op een schaal, strooit er wat fijne sukade met snippers en fijne suiker over, giet over ieder pasteitje nog wat rhum en steekt dit aan.
773. MELK-SPRITS.
Een halve liter melk (3/4 flesch), 1 pond meel, 6 eieren waarvan 3 met en 3 zonder het wit, slaolie of boter, zout.
Bereiding:
Men kookt de melk en roert er het meel door. De eieren worden geklutst en er vervolgens ook doorgeroerd, zonder dat zij schiften. Dit deeg doet men nu in een spritsen-spuit, spuit er gebakjes uit, die men, in de kokende olie of boter, licht geel braadt. Heeft men geen spuit, dan kan men de spritsen evengoed met een lepel gieten.
774. MOSCOVISCH GEBAK.
Zie Colombijntjes. Dezelfde bestanddeelen en bereiding. (No. 748).
775. NAPOLEON GEBAK.
Drie kwart pond bloem, 1 1/2 pond suiker, 12 eieren, de geraspte schil van 1 djeroek-nipis, gelei, vanillevla, stukjes sukade, zout, boter.
Bereiding:
De eierdooiers worden met de suiker geklopt, tot ze wit zijn, daarna wordt het geklopte eiwit er, lepel voor lepel, bijgedaan en meêgeklopt. Ook het meel wordt er in kleine hoeveelheden, met de geraspte djeroekschil bijgevoegd. Dit beslag moet men geruimen tijd roeren, waarna het in met boter besmeerde springvormen bruin wordt gebakken, in lagen. Zijn ze koud, dan wordt tusschen de verschillende lagen gelei gedaan. De bovenste laag bedekt men met vanillevla, die men met 1/4 stang agar-agar heeft verdikt. Op de vla rangeert men stukjes sukade.
776. NEURENBERGER SPEKKOEK.
Een pond bloem, 1 pond boter, 1/4 pond suiker, 2 eieren; daarna 3/4 pond witte suiker, 3/4 pond fijngestampte amandelen, de schil en het sap van 2 djeroeks-nipis, 1 ei, 2 theelepels fijne kaneel, 1/4 pond fijngesneden sukade.
Bereiding:
Van de bloem, boter, suiker en twee eieren maakt men een deeg, dat men goed kneedt, uitrolt en tot twee ronde koeken vormt. Deze koeken worden in twee afzonderlijke, met boter bestreken, vormen even gebakken. Vervolgens mengt men al de volgende bestanddeelen goed door elkander, neemt een koek uit den vorm, legt op den anderen koek de amandellaag en hierboven op wederom den uitgehaalden koek. Bak nu alles samen op in een matig verwarmden oven of in een penggorèngan met onder en boven zacht vuur, tot de koek er licht bruin uitziet en gaar is.
777. NOUGAT OF NOGA I.
Drie ons suiker, 2 ons amandelen, ruim 1/2 lepel boter, 1 djeroek-nipis.
Bereiding:
De amandelen doet men even in kokend water, pelt ze en hakt ze fijn. Daarna kookt men de suiker met de boter in een ijzeren pan, tot ze een dikke bruine stroop wordt. Hierbij worden de gehakte amandelen gevoegd en roert men alles samen om, onder het verder koken. Als de massa dik wordt, stort men die uit op een met boter bestreken blikken plaat of op een met boter bestreken marmeren steen. Men drukt ze zoo dun mogelijk uit met een djeroek-nipis en maakt van de koude massa figuren.
778. NOUGAT OF NOGA II.
Drie ons suiker, 1 ons amandelen, 1 lepel azijn, boter, 1 djeroek-nipis.
Bereiding:
De suiker wordt met de azijn gekookt tot ze bruin wordt; de amandelen worden gebroeid, gepeld, over de helft doorgesneden en bij de suikerstroop gedaan.
Men roert alles goed om en volgt de verdere bewerking als hierboven.
779. OBLIGUES, OUBLIEËN.
Twaalf eieren, het wit tot schuim geklopt, 1/2 pond suiker, 1 pond bloem, 2 eetlepels fijne kaneel, 1/4 pond boter, een weinig water of melk.
Bereiding:
De eierdooiers klutst men met de suiker wit, doet er het meel in, roert er het eiwitschuim door, met de kaneel en de boter, die men eerst gesmolten heeft; is dit beslag te dik, dan roert men er wat water of melk door. Men bakt dit beslag in het oublie-ijzer; voor elke oublie rekent men een lepel beslag. Men bakt ze vlug en haalt ze met een ruk van het ijzer af, waarna ze, heet, worden opgerold.
780. OMELETTE SOUFFLÉE I.
Vier eieren, 4 volle lepels witte suiker, de geraspte schil en het sap van een halve djeroek-nipis.
Bereiding:
De dooiers worden met de suiker een kwart uur lang geklopt, daarna doet men er de schil en het sap van de djeroek-nipis bij, vervolgens het stijfgeklopte eiwit. Dit wordt nu luchtig door elkander geklopt.
Deze massa bakt men in een vuurvasten met boter bestreken schotel, gedurende een half uur, in een taartenpan, met onder en boven vuur. Als men de omelette er uit wil halen heeft men bij voorbaat voor een heet gemaakte deksel gezorgd, waarmede de schotel overdekt wordt, daar anders de omelette, bij den minsten tocht neêrslaat.
Deze omelette kan verder gebruikt worden met confituren, dan wel met rhum.
781. OMELETTE SOUFFLÉE II.
Zes eieren, 1/2 stokje vanille, 1 1/2 ons suiker, 1 eetlepel maïzena of 8 fijngestampte bitterkoekjes, boter.
Bereiding:
Het binnenste van het stokje vanille wordt uitgehaald en met de suiker, de maïzena en vijf eierdooiers goed door elkaar geklopt. Daarna roert men er nog het heele ei en het tot schuim geklopte wit der vijf overige eieren bij. Men smelt nu een paar lepels boter in een omelette pan, doet er het beslag in eens in en bakt het in een goed warmen oven. Als de omelette van boven lichtbruin wordt, haalt men ze er uit en zet ze weer op het vuur, vouwt ze dubbel en stort ze op een schotel. Men bestrooit ze met poedersuiker en dient ze zoo voor.
782. ONTBIJTKOEK.
Een kwart pond meel, 2 ons geraspte javaansche suiker, 1/2 theelepel fijngestampte kaneel, 1 theelepel geraspte notemuskaat, evenveel kruidnagelgruis, de geraspte schil van 1/2 djeroek-nipis, 1/2 theelepel fijne peper, eenige snippers en fijne sukade, slaolie, zout, 6 eieren.
Bereiding:
De dooiers klutst men, met de suiker, voegt er daarna het geklopte eiwit bij, met het meel en roert vervolgens de specerijen er door. Wanneer dit beslag gereed is, bestrijkt men een vorm met slaolie en stort dit nu in den vorm. Men bakt ze eerst met een weinig vuur boven en veel vuur onder, gedurende 3/4 uur.
783. PANNEKOEKEN.
Een pond bloem, 6 eieren, 1 1/4 flesch melk, boter, 1/2 lepel "baking powder" of legèn (een paar lepels), zout.
Bereiding:
De eierdooiers worden goed geklopt, vervolgens met het meel vermengd en met de melk aangeroerd. Daarna voegt men er het geklopte eiwit en de "baking-powder" door. Men bakt dit beslag, nadat men het een half uurtje heeft laten rijzen, in een pannekoekspan, met heete boter.
Men kan, desverkiezende, deze pannekoeken vullen met ham, fijngesneden gehakt, stukjes gebraden spek of gelei, enz.
784. PAUL KRÜGER-KOEK.
Een half pond suiker, 1 ons boter, 1/2 pond gestampte beschuit, 1/2 pond meel, 4 eieren, ingelegde vruchten of manisans, oranjeglazuur.
Bereiding:
De eieren worden met de suiker geklopt, waarna men er de boter en het meel bijvoegt, daarna de beschuitkruim. Wanneer men dit goed tot een deeg heeft gekneed, rolt men dit uit, snijdt er een rond geheel uit, zoo groot als een bord en maakt van het verdere deeg een opstaanden rand er om heen. Daarna bakt men dezen vorm, op een met boter bestreken gebaksplaat, licht bruin, in den oven. Is de koek gaar, dan vult men hem met de ingelegde vruchten en maakt hierover van het restantje deeg kruiselingsche reepen. Dit gebak doet men vervolgens nog eens in den oven en haalt het er uit als de reepen gaar zijn. Men glaceert den koek met oranje- of citroen-glazuur.
785. PARIJZER WAFELEN.
Twee en een half kopje melk, 1 1/2 pond meel, 2 geklutste eieren, 1/4 pond boter, fijne kaneel en poedersuiker, een weinig zout.
Bereiding:
Het meel en de boter worden ter dege samengekneed; daarna roert men er de geklutste eieren door, vermengt dit goed, roert er nu zachtjes zooveel melk bij, dat men het deeg tot balletjes kan verwerken, ter grootte van een klein kippenei. De balletjes wentelt men in droog meel, daarna rolt men ze met den deegrol tot kleine ovalen van een cents dikte en maakt hiervan eenigen bij elkander, die men met acht of tien te gelijk op een breed wafelijzer doet en ze aan beide kanten boven een arèngvuur licht bruin bakt. Zijn ze gaar, dan trekt men ze van het wafelijzer af en strooit er suiker met kaneel over. Dit gebak wordt op de kermissen in Europa als een goedkoope versnapering voor kinderen, overal verkocht à een cent het stuk.... "Parijsche wafelen! Eén cent maar!"
786. POFFERTJES ZONDER GIST.
Anderhalf kopje meel, evenveel melk, 3 eieren, een kop vol gesmolten boter, 1 wijnglaasje cognac, boter, zout.
Bereiding:
De drie eierdooiers worden stevig geklopt, waarna men er het meel met de melk, de gesmolten boter, het zout, de cognac en de drie tot schuim geslagen eiwitten door roert. Dit beslag wordt in een met flink boter bestreken en goed heeten poffertjespan gebakken. Men bakt de poffertjes onmiddellijk nadat men het deeg bereid heeft.
787. RIJSTEBROOD.
Twee kopjes koude gekookte rijst, 1 kopje melk, 2 eierdooiers, het geslagen wit er van, 1 lepel suiker, 1 lepel gesmolten boter, 1 theelepel zout, 1 kopje meel, 2 theelepels "baking powder".
Bereiding:
De twee kopjes rijst zeeft men fijn, roert er de gesmolten boter door, klopt de eierdooiers, een voor een, en mengt ze door de rijst. Dit rijstbeslag roert men nu verder met de melk, 't zout en de suiker aan, doet er, 't laatst, het geslagen eiwit en de "baking powder" door en laat dit dan samen een half uur rijzen.
Men bakt dit in den heeten oven als brood, in een goed met boter bestreken tulband- of broodvorm, dien men voor 3/4 vult.
788. SCHUIMPJES.
Een half pond geschilde droge amandelen, het wit van 7 of 8 eieren, 4 1/2 ons broodsuiker.
Bereiding:
De amandelen met de suiker en 't eiwit in een mortier stampen; men voegt er, naar behoefte, nu en dan, suiker en eiwit bij, tot de massa een taaie pap wordt. Deze pap wordt verder met de hand tot deeg gekneed en er figuren aan gegeven. Op een vel wit papier de figuren doen en deze in een matig verwarmden oven bakken.
Men kan deze schuimpjes rood, bruin, geel en oranje kleuren en er de volgende smaken aan geven, door de geuren: bergamot of oranjebloesem voor witte, citroenolie voor gele, rozen- of kaneelolie voor roode en rose, saffraan voor oranje, chocolaad- en vanille voor bruine schuimpjes.
789. SPIKKELAAS.
(Of Sint-Nicolaas gebak).
Negen ons bloem, 7 ons bruine suiker, 6 1/2 ons boter, potasch ter grootte van een duivenei (ammonium bicarbonum), 1 theelepel kruidnagelgruis, een dito fijne notemuskaat, 1/2 theelepel fijne kaneel, 1/2 theelepel citroenolie, 1/2 theelepel zout, boter.
Bereiding:
Boter met de suiker en de potasch vermengen. Dan het meel hierdoorheen kneden. Is dit goed gekneed, doet men er de citroenolie met de specerijen door. Dit deeg wordt eenige keeren op de plank uitgerold en weêr samengevouwen; daarna wordt het, voor 't laatst, uitgerold ter halve vingerdikte en snijdt men er figuren van, of men gebruikt de Sint-Nicolaas-plank, waarin figuren zijn uitgehold.
Tegenwoordig heeft men bij de bakkers Sint-Nicolaas gebak-rolmachines, waarmede men duizende koekjes (figuren) in 't uur rolt. (Voor de plank, zie aanhangsel).
Deze figuren worden op een met boter bestreken plaat gedaan en met onder en boven vuur gebakken, tot ze gaar en hard zijn.
790. SULTANES.
Twee ons suiker, 1 ons meel, 9 eieren, geraspte djeroek-nipis-schil, boter.
Bereiding:
De negen eieren klutst men in een groote kom, roert er de suiker, vervolgens het meel, daarna de geraspte djeroek-schil door, terwijl men het dan nog eenigen tijd doorroert en vervolgens kneedt. Men rolt daarna dit deeg op een plank uit, maakt er kleine langwerpig-vierkante koekjes van en bakt ze op een met boter bestreken papier in een matig warmen oven gaar.
791. TIPSY CAKE I.
Een kopje fijne bloem, 12 eieren, 1 1/2 kopje witte suiker, bitterkoekjes (1 1/2 ons), 6 lepels kirsch of curaçao, gelei, boter, zout, vanille vla, vruchten op brandewijn.
Bereiding:
De eierdooiers en de eiwitten worden afzonderlijk geklopt; daarna wordt de bloem met de geklopte dooiers vermengd, en vervolgens het geslagen eiwit hierdoor geroerd. Nu wordt een schotel of een springvorm met boter bestreken en met beschuitkruim bestrooid en hierin de helft van het beslag gedaan, dat men even in den oven licht bruin laat bakken. Is dit gerezen, dan wordt de vorm uitgehaald en over het gebak de bitterkoekjes, die in kirsch geweekt zijn, gerangeerd. Hierop een laagje gelei gestreken en daarna het restant beslag, waarna de vorm weêr in den oven gaat en men alles gaar laat bakken.
Daarna haalt men het gebak voorzichtig uit den springvorm. Men presenteert er vanillevla bij, zoomede vruchten op brandewijn, die men om het gebak schikt.
792. TIPSY CAKE II.
Twaalf colombijntjes, 8 eieren, 1 flesch melk, 1 glaasje rhum, 1 glas maraschino, suiker naar smaak, 1 wijnglas madéra, boter, frambozengelei.
Bereiding:
De colombijntjes worden over de lengte middendoor gesneden en de helften met gelei bestreken. Daarna gaan zij in een met boter bestreken vuurvasten schotel. De dooiers worden geklopt, suiker en vanille er bij gevoegd; de melk gekookt en hier langzaam de dooiers door geroerd. Deze vla giet men over de colombijntjes, voegt er de rhum, maraschino en madéra bij en bedekt daarna dit geheel met het geslagen eiwit. Men bakt dit, gedurende een kwartier, in een matig verwarmden oven.
793. THEEBANKET.
Het beslag van bitterkoekjes, (keukenkleursel) karmijn of chocolade.
Bereiding:
Men bevochtigt de gebaksplaat, legt hierop een met boter bestreken vel wit papier en giet, met een lepel, hoopjes of figuurtjes van het beslag op het papier. De figuurtjes worden met suiker bestrooid. Wil men de figuurtjes gekleurd hebben, dan doet men vooraf eenig gewenscht kleursel in het beslag.
Men bakt ze in een middelmatig verwarmden oven.
794. THEEBROODJES.
Drie ons meel, ruim 1/2 ons suiker, 1 1/4 ons boter, 14 eierdooiers, 1 glaasje rhum, een weinig zout, wit papier of ouwel.
Bereiding:
Alle ingrediënten worden bij elkander tot een deeg gekneed, daarna uitgerold, met een glas er kleine koekjes of broodjes uit gestoken en deze met geslagen geel van eieren bestreken. Men bakt ze in een matig verwarmden oven.
795. THEERANDJES.
Anderhalf pond meel, 3/4 pond honig, 3/4 pond fijne suiker, 4 theelepels kruidnagelgruis, evenveel fijne kaneel, 2 theelepels fijngestampte foelie, 1 kopje zéér fijn gesneden snippers en sukade, 3/4 theelepel zout, boter.
Bereiding:
Alle bestanddeelen worden met elkander vermengd, (een weinig fijne sukade apart gehouden) tot een deeg gekneed, daarna op de plank uitgerold en met fijne sukade bestrooid. Hiervan snijdt men langwerpig-vierkante koekjes, van een vinger dikte en bakt ze op een met boter bestreken en met meel bestrooid bakblik, in een matig verwarmden oven, licht bruin.
796. TULBAND.
Vier ons bloem, 2 ons krenten, 1 1/2 ons rozijnen, 1/2 ons sukade, 3 eieren, 2 1/2 kopje melk, zout, boter en een kopje gesmolten boter, 1 kopje legèn, 1 geraspte djeroek-nipis-schil, 1 theelepel fijne kaneel, suiker, beschuitkruim.
Bereiding:
De eieren worden, met zout, geklopt, daarna de bloem en de melk er door geroerd. Dit wordt flink beslagen en, onder aanhoudend roeren, de gesmolten boter, kaneel, sukade, rozijnen, krenten, djeroek-schil, de legèn en de suiker (naar smaak) er door gemengd. Is dit alles goed door elkander gedaan, dan laat men het een half uur rijzen.
Nu wordt een tulbandvorm met boter bestreken en met beschuitkruim bestrooid, en hierin het gerezen deeg gedaan. Men bakt dit in een matig verwarmden oven, tot het gaar is en van boven bruin ziet.
797. VANILLE-BAISERS.
Een pond droge witte poedersuiker, 6 eiwitten tot sneeuw geklopt, een stokje fijngestampte vanille.
Bereiding:
De sneeuw wordt met de suiker en de vanille stijf opgeslagen; daarna doet men dit beslag in een peperhuis van sterk papier, waaruit men van onderen bij kleine hoeveelheden koekjes uitperst op een vel wit papier. Men droogt en bakt deze koekjes in een matig warmen oven.