Part 21
De suiker wordt tot den vierden graad, dus à la plume, gekookt, getableerd en daarna de kleurstof er door geroerd. Men kan er, desverkiezende, ook eenigen reuk of smaak aan geven, door bijvoeging van vanille, citroenolie, rozenwater of eenige andere stof.
Het "tableeren" van de suiker beteekent: de suiker, zoodra ze vloeibaar is en opborrelt, met een hout zoolang tegen de zijde van den ketel te wrijven, totdat ze wit wordt. Steeds moet het witgeworden stof losgemaakt en onder de suiker geroerd worden. Met deze behandeling wordt zoolang voortgegaan, totdat al de suiker wit is en de verlangde dikte heeft.
Is de suiker voldoende gekookt en de kleur- zoowel als de geurstof er door gemengd, dan giet men ze in papieren vormen, met opstaanden rand, over, laat ze daarin bekoelen en snijdt vervolgens de borstplaat rond of vierkant, naarmate de te maken figuren.
Om het papier van de borstplaat te verwijderen, bevochtigt men het, van onderen, met een vochtig gemaakte spons.
Gemakkelijker nog is het, de suiker bij kleine beetjes door een trechter te laten loopen op een marmeren plaat, evenals men hoopjes maakt. Telkens wordt dan de trechter-opening met den houten stop gesloten. De borstplaat spreidt zich dan van zelf plat, met afgeronden rand.
722. BORSTTABLETJES.
Dezelfde bestanddeelen, zes druppels citroen, kruidnagel- of venkelolie.
Bereiding:
Dezelfde als hierboven, No. 721; men roert de olie door de suiker, waarna deze, als ze vloeibaar is en opborrelt, "getableerd" wordt. Koud geworden, maakt men er tabletjes van in kleine blikken plaatjes met omgebogen randje. Men kan de suiker ook, als hierboven, door een kleineren trechter laten loopen.
723. MARSEPEIN.
Een pond gepelde zoete amandelen, 1/2 ons bittere amandelen, 1 pond fijngeraspte broodsuiker, de geraspte schil van 1 djeroek-nipis.
Bereiding:
De amandelen worden vermengd en met een weinig water goed fijn gewreven, waarna men er de suiker en de geraspte schil doorheen werkt. Dit mengsel doet men in een ketel en roost het bij een matig vuur. Als het van den ketel losgaat en aan den natten vinger, dien men erop drukt, niets hangen blijft, dan is de marsepein goed. Men neemt dan het mengsel uit den ketel, maakt het tot kleine stukken en laat het koud worden.
Vervolgens kneedt men de stukken wederom samen, maakt er figuren van, die men op ouwel, in den heeten oven, bakt.
724. MARSEPEIN-HARTEN.
Dezelfde bestanddeelen als No. 763, suikerglazuur, geconfijte fransche vruchten.
Bereiding:
Het marsepein-deeg of mengsel, dat reeds geroost is en, dat men, nadat het koud is geworden, wederom samengekneed heeft, rolt men op een plank of een marmeren steen uit, iets dikker dan een penneschacht.
Men snijdt dan, van papier, een hart (of eenig ander figuur), legt dit op het uitgerolde deeg en snijdt hiervan figuren volgens het opgelegde model. Van het overgeschoten deeg maakt men een vingerbreeden rand, plakt dezen op de figuur, knijpt daarin, met de vingers, plooien en strijkt wat water tusschen het deeg en den rand.
Men bakt deze harten, in een matig verwarmden oven, lichtgeel. Als ze koud zijn, belegt men ze met geconfijte fransche vruchten, waarover men suikerglazuur doet.
725. MARSEPEIN- (CHOCOLADE).
Dezelfde bestanddeelen, zonder bittere amandelen, maar met 1 1/2 ons aangemaakte chocolade. Eiwitglazuur.
Bereiding:
Als onder No. 724; de chocolade met het amandeldeeg vermengen, roosten en, als het marsepein koud is geworden, figuren er van maken; deze bakken in den oven en, als ze bekoeld zijn, met eiwitglazuur bestrijken.
726. PRALINES.
Drie pond fijne poedersuiker, 2 gram vanillepoeder, 1 pond fijne chocolade poeder en 2 ons poedersuiker; amandelolie.
Bereiding:
Drie pond fijne suiker tot grooten draad (au grand lissé) gekookt, daarna op een met amandelolie bestreken plaat gegoten. Op die plaat, zes à acht minuten, met een houten spaan goed dooreengewerkt, zoodat de suiker wit en vast wordt. Daarna de vanillepoeder, met een heel weinigje water, er doorheen gewerkt, zoodat de suikermassa weêr zacht en kneedbaar wordt.
Nu smelt men de twee ons suiker, roert hier de chocoladepoeder door, vormt van de eerstbereide massa balletjes, ter grootte van hazelnootjes, en overtrekt deze met de warme chocolade, door ze met een theelepeltje even in de chocolade te dompelen en daarna op een wit blikken plaat te leggen en ze, verspreid, te laten drogen.
727. SUCRE D'ORGE.
(Van chocolade).
Fijne witte suiker tot breuk ("au casse") gekookt, poeder chocolade, amandel- of slaolie.
Bereiding:
Van de tot breuk gekookte suiker giet men een weinig op een met olie bestreken plaat, roert er met een mes, dat ook met olie bestreken is, zacht gewreven poeder chocolade door en trekt dit mengsel, met een glad gepolijsten ijzeren haak, zoolang uit, tot het slap is. Men trekt twee vingersbreede reepen en rolt deze om een met amandelolie bestreken stok. Laat ze vervolgens koud worden.
728. SUCRE D'ORGE.
(Van vanille).
Dezelfde bestanddeelen als No. 727, in plaats van chocolade vanille-aftreksel als beschreven in No. 719, onder vanille bonbons.
Bereiding:
Dezelfde als hierboven; men mengt het vanille-aftreksel door de breuksuiker; volgt daarna het bovenstaand recept, No. 727.
729. ULEVELLEN.
Een of twee pond suiker tot groote breuk ("au caramel") gekookt, amandelolie.
Bereiding:
De "au caramel" gekookte suiker op een met amandelolie bestreken plaat doen en met een, met olie bestreken, mes in vierkante stukjes snijden. Men laat ze koud worden en wikkelt ze in stukjes papier.
Wil men gekleurde, geurige ulevellen maken, dan voegt men door de breuksuiker de kleur- en geurstof, en kookt de suiker daarna op nieuw tot groote breuk.
Vervolgens snijdt men de suiker in kleine vierkante stukjes, die, als ze koud zijn geworden, in papiertjes worden gewikkeld.
730. GELEI-ULEVELLEN.
Caramel suiker, frambozen- of abrikozen-gelei.
Bereiding:
De caramel suiker wordt op de marmeren plaat in twee vierkante stukken gesneden, één stuk met de gelei dun besmeerd en daarop het andere stuk gelegd.
Vervolgens snijdt men deze dubbele suikerplaat met het mes in kleine vierkante stukjes, die men, als ze koud zijn geworden, in stukjes papier wikkelt. Marmeren plaat en mes worden eerst, als voren, met amandel- of slaolie bestreken.
GEBAKKEN.
731. AMANDEL BANKET.
Een half pond fijngestampte amandelen, 1/2 pond bloem, 6 eieren, 1 pond droge witte suiker, nog 1/2 pond witte suiker, 1 lepel fijne kaneel, 1 theelepel kruidnagelgruis, een dito geraspte notemuskaat, 1 kopje gesmolten boter, beschuitkruim, boter. Van de 6 eieren het wit tot sneeuw geklopt.
Bereiding:
De zes eierdooiers slaat men met het pond droge suiker goed wit, daarna doet men hier de fijngemaakte specerijen en het halve pond suiker bij, vervolgens de fijngestampte amandelen en eindelijk het meel en roert dit goed door elkander. Nu voegt men hier het geslagen eiwit en de gesmolten boter bij en roert ook dit samen nog eens goed door.
Men bakt dit in een springvorm of in een anderen gebaksvorm, dien men met boter bestreken en met beschuitkruim bestrooid heeft, lichtbruin in een heeten oven. Het gebak wordt warm uit den vorm overgestort en koud aangesneden.
732. AMANDEL BROOD.
Een half pond gestampte amandelen, 3 3/4 ons gestampte beschuit, 1 pond droge fijne poedersuiker, 12 eierdooiers en 12 eiwitten tot sneeuw geklopt, 2 theelepels fijne kaneel, 1 eetlepel rozenwater, 1 eetlepel brandewijn, 1/2 theelepel zout, boter, fijngestampte beschuit.
Bereiding:
Men vermengt de amandelen met de kaneel, het rozenwater en de gestampte beschuit, slaat de eierdooiers tot wit schuim en roert dit door het mengsel. Wanneer dit goed is geroerd, doet men er den brandewijn door en werkt dit deeg nog eens goed door elkaar.
Het laatst mengt men er het geslagen eiwit en het zout door.
Nu neemt men een vorm, bestrijkt dien met boter en bestrooit hem verder met beschuitkruim, doet hier het beslag in en bakt dit in een heeten oven.
Men kan ook amandelbroodjes maken door het beslag in kleine vormpjes te doen. Overigens op dezelfde wijze behandeld als hierboven.
733. AMANDELBROEDER.
Dezelfde bestanddeelen als hiervoren No. 732, maar zonder kaneel, rozenwater en brandewijn.
Bereiding:
Als hiervoren No. 732, doch het beslag in een broedervorm, die met boter besmeerd en met beschuitkruim bestrooid is. Eerst van onder, dan van boven vuur. De broeder wordt lichtbruin gebakken en warm uit den vorm overgestort.
734. ANANAS-BEIGNETS.
Twee rijpe ananassen, 1/4 pond bloem, 2 eieren, 2 theelepels slaolie, een d.L. bier, 1/2 lepel zout, brandewijn, suiker, kokende slaolie of kokend vet.
Bereiding:
De ananas wordt aan zeer dunne schijven gesneden en deze een half uur in brandewijn met suiker geweekt. Hierna maakt men het beslag: in de bloem maakt men een kuiltje, waarin de geklutste eieren, de slaolie en het zout gedaan worden. Dit wordt tot deeg door elkander gekneed, waarna men er het bier bij beetjes doorheen werkt, zoodat het zulk een dun beslag wordt, dat men de schijfjes ananas er in kan wentelen en deze vervolgens in de kokende olie of het vet lichtbruin kunnen gebakken worden.
735. ANANAS PANNEKOEKJES.
Een pond meel, 2 ananassen, 2 kopjes melk, 2 lepels gesmolten boter, 1 theelepel zout, 4 eieren, 2 kopjes bier, kaneel, suiker, boter.
Bereiding:
Het meel wordt aangeroerd met de melk, daarna doet men er de gesmolten boter, het zout en de vier hardgeklopte eieren door. Vervolgens lengt men deze massa met het bier aan en beslaat het als pannekoekdeeg. Men bakt nu de pannekoekjes en doet in elk een à twee schijfjes ananas, vouwt de koekjes dicht en braadt deze dan aan beide kanten lichtbruin. Ze worden warm voorgediend, met suiker en kaneel.
736. ANANAS PROL.
Een oudbakken broodje of dunne sneedjes oud brood, 8 eierdooiers, 3 lepels suiker, 3 kopjes melk, 1 ananas, 2 lepels gesmolten boter, fijne kaneel, suiker, boter.
Bereiding:
De acht dooiers klutst men stevig met de suiker, doet er de gesmolten boter en melk bij en weekt hierin de sneedjes brood. Men doet daarna deze geweekte sneedjes, laag om laag, afwisselend met de ananas, die in schijfjes is gesneden, in een vuurvaste schaal, welke met boter is besmeerd. De bovenste laag moet brood zijn.
Over deze prol strooit men fijn kaneel en doet er nog bovenop een paar lepels boter bij.
Bak dit in den oven gaar, met van onder en boven vuur, tot het er lichtbruin uitziet.
Men kan het eiwit ook nog tot schuim slaan en over de prol heenstorten en het daarna in den oven bakken.
737. BAISERS.
Acht eiwitten, geklopt, 4 ons witte suiker, de schil van één djeroek-nipis geraspt, 1 lepel oranjebloesemwater, fijne witte broodsuiker, schrijnspapier, (Zie aanhangsel). Roomvla.
Bereiding:
De eiwitten slaat men tot sneeuw, waarna men vier ons suiker, die vooraf vermengd is met de geraspte schil en het oranjebloesemwater, door de sneeuw klopt. Is dit mengsel niet stijf genoeg, dan doet men er één druppel azijn-essence op en klopt het dan weêr goed op. Nu neemt men schrijnspapier en doet er, met een lepel, hoopjes van het schuim op. Men bakt dit, in een matig verwarmden oven, lichtgeel en doet er fijne broodsuiker op. Dit gebak moet meer drogen dan bakken.
Zijn deze gebakjes gereed, dan neemt men ze voorzichtig, met een mes, van het papier af, holt ze van onderen uit, doet er roomvla in en plakt er dan twee tegen elkander aan. Bij gebrek aan schrijnspapier neemt men een vel wit postpapier, dat vooraf goed met boter is bestreken.
738. BANKET- OF BOTERLETTERS.
Feuilletée-deeg en het volgende vulsel: 1 pond amandelen, 1 pond witte suiker, 5 eieren, geraspte djeroekschil, naar smaak, en een weinig water.
Bereiding:
Vulsel: Men klopt drie eieren goed dooreen, vermengt dit met de suiker, de fijngestampte amandelen en de geraspte djeroekschil en werkt dit, met een weinig water, tot een goed kneedbaar deeg, zoo, dat men er later, met het uitgerolde feuilletée-deeg, letters van kan maken.
Het feuilletée-deeg (No. 704) wordt dun uitgerold, daarna in lange reepen gesneden; op het midden van iederen reep doet men wat van het vulsel, vouwt dan den reep dicht en geeft er den vorm van de begeerde letter aan. Men bestrijkt de letters met de geklopte dooiers der twee overgebleven eieren en bakt ze daarna, in een warmen oven, bruin, of lichtbruin.
739. BITTERKOEKJES.
Vier ons zoete en 1 ons bittere amandelen, 2 pond witte suiker, 15 eiwitten en schrijnspapier.
Bereiding:
De amandelen worden zéér fijn gestampt, daarna met de suiker en de tot schuim geslagen eiwitten goed dooreengemengd.
Men moet dit zoo stevig dooreen roeren, dat men er koekjes van kan vormen, door, met een lepel, op schrijnspapier kleine hoopjes te gieten, welke dan, in een heeten oven, lichtbruin worden gebakken.
N.B. Heeft men een gebakspuit, dan wordt deze gebruikt en spuit men de hoopjes op het schrijnspapier. Men neemt de koekjes, als zij gaar zijn, nog warm van het papier af.
Over de gebakspuit zie men het laatste gedeelte van het aanhangsel.
740. BOLLEN.
(Zoete of warmbollen).
Een pond meel, legèn, 1/2 kopje lauwe melk, 3 eieren en 3 dooiers van eieren, 4 eetlepels witte suiker, 2 eetlepels gesmolten boter, zout.
Bereiding:
Drie eieren met en drie zonder het wit worden geklopt met twee eetlepels legèn, tot het goed schuimt. Hiermede roert men het meel aan, kneedt dit dan goed dooreen en doet er nog vijf lepels legèn, de suiker en de boter door. Men laat dit nu een paar uren rijzen en maakt daarna kleine bollen, die men wederom twee à drie uren rijzen laat, alvorens ze te bakken. De bollen worden eerst alleen met van onder-, daarna alleen van boven vuur, op een plaat gebakken.
741. BOLLE DE BOCOS.
Vijf en twintig eierdooiers, 1 pond witte suiker, 1 pond meel, 3 geraspte klappers, het tot schuim geklopte eiwit, 1 lepel anijszaad of een paar druppels anijsolie (adas), 1 wijnglas rozenwater, een weinig zout.
Bereiding:
Het meel braadt men even (droog) lichtbruin en laat het koud worden. De geraspte klappers worden nog eens fijngemalen; daarna klopt men de vijfentwintig dooiers goed wit en doet er de suiker bij. Dit wordt nu goed met het grootste gedeelte van het lichtbruin gebraden meel vermengd. Daarna klopt men door het geslagen eiwit den klapper, het overige meel, het anijszaad, het rozenwater en het zout. Vervolgens voegt men dit laatste beslag bij het eerste en roert goed door elkander. Men stort het daarna in een met boter bestreken gebaksvorm over en laat dit in een, niet te warmen, oven gaar bakken.
Van dit beslag bakt men ook kleine bolles de bocos.
742. BOTERBROOD.
Een pond boter, 1 pond fijne broodsuiker, 1 pond meel, eenig gewasschen en weêr gedroogd anijszaad, 3 of 4 eieren, een weinig zout, eiwitglazuur (No. 711).
Bereiding:
Men maakt van de bovengenoemde ingrediënten een beslag, dat men uitrolt; daarna steekt men er, met een bierglas, ronde broodjes of koekjes uit, die men op een met boter bestreken plaat, boven een matig vuur, gaar bakt. Als ze gaar zijn, neemt men ze nog warm van de plaat. Als ze koud zijn geworden, glaceert men de broodjes met een sterk eiwitglazuur, waardoor men nog twee eierdooiers heeft geklopt. Om het glazuur te laten opdrogen, zet men deze broodjes nog een oogenblikje in den oven.
743. BOTERBIESJES.
Een pond meel, 3/4 pond suiker, 1/2 pond boter, 1 lepel rozenwater, 1 theelepel fijne kaneel.
Bereiding:
Het meel wordt met de suiker en de boter dooreen gekneed, daarna het rozenwater er doorheen gemengd, met de kaneel. Vervolgens rolt men dit deeg, niet te dun, op de plank uit (1/2 cM dik), en snijdt er schuine reepjes of biesjes van twee à drie cM. van. Deze worden in een heeten oven, met onder en boven vuur, gaar gebakken.
744. BOTERKOEKJES.
Twee en een half ons gesmolten boter, 4 eierdooiers en 4 heele eieren, 2 1/2 ons bloem, 1 1/2 ons fijne witte suiker, 1 geraspte djeroekschil, 1/2 theelepel zout, boter.
Bereiding:
Men klutst de dooiers en de heele eieren goed dooreen; daarna roert men er de gesmolten boter door met de suiker. Dit roert men nu langzaam door het meel en voegt er de geraspte schil en het zout bij. Dit deeg kneedt men goed door elkander en maakt er balletjes van, die men plat drukt en er vervolgens figuurtjes en vormen aan geeft. Deze worden op een met boter bestreken gebaksplaat, in een heeten oven, lichtbruin gebakken.
745. CAKES.
Twee ons boter, 2 ons witte suiker, 2 ons bloem, 1/2 ons krenten, 1/2 ons rozijnen zonder pit, 1/2 ons fijngesneden sukade, 1/2 theelepel potasch, 4 geklopte eieren, rhum.
Bereiding:
De boter wordt met de suiker in een pannetje gesmolten; nog lauw, roert men er de geklopte eieren met de potasch door, vervolgens de bloem, met de krenten, de rozijnen en de sukade. Nu neemt men vormpjes, die met boter worden bestreken en voor 3/4 met het beslag worden gevuld. Deze worden in den heeten oven gebakken. Om het smakelijk te hebben, doet men in ieder vormpje en over elk gebakje een theelepel rhum, alvorens men ze in den oven doet.
746. CANOOS.
(Engelsch-Indisch gebak).
Groote, gave aardappelen, melk, boter, zout, peper, notemuskaat.
Bereiding:
De aardappelen worden goed schoongewasschen, in de schil gelaten en in een pan-penggorèngan of in den oven gepoft, (niet in het vuur); als men denkt dat ze gaar zijn, haalt men ze er uit en snijdt ze overlangs in de schil, zoodat de schil nog gaaf blijft en men het binnenste er voorzichtig uit kan halen (drukken). Dat binnenste wordt nu met boter, melk, peper, zout en notemuskaat tot een papje gemaakt en hiermede de uitgehaalde aardappelschillen opgevuld.
Men vouwt de schil dicht, bestrijkt deze met boter en roostert ze op een zacht vuur in den oven. Men kan ook de gevulde schillen in een basi-kasar, met boter besmeerd, braden. Men keert ze dan, nu en dan, om, opdat ze aan beide zijden bruin worden.
Men moet ze warm voordienen.
747. CITROENBANKET.
Een pond meel, 1 pond suiker, 8 eieren, 1/2 ons fijngesneden sukade, geraspte schillen van 1 of 2 djeroeks-nipis, zout.
Bereiding:
Het meel, de suiker, de acht geklutste eieren, de sukade, geraspte schillen en het zout mengt men goed door elkaar tot een deeg. Dit wordt uitgerold, daarna er kleine koekjes van gestoken, die men op een gebaksplaat, in den heeten oven, lichtbruin bakt.
748. COLOMBIJNTJES.
(Of moscovische gebakjes).
Een half pond meel, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, 12 eierdooiers, geraspte djeroekschillen, 8 geklopte eiwitten, een weinig zout. (Voor de moscovische gebakjes voegt men er een ons vermengde sukade, rozijnen, krenten en snippers bij).
Bereiding:
Men vermengt de suiker met de twaalf geklutste eierdooiers en het djeroekraspsel; daarna roert men er het geslagen eiwit door. Het meel maakt men met de boter aan, roert er langzaam het eierbeslag doorheen, zoodat het meel niet klontert; dit beslag doet men nu in met boter bestreken colombijnvormpjes, die voor 3/4 worden gevuld en daarna in een matig verwarmden oven worden gebakken.
Voor de moscovische gebakjes roert men er, 't laatst, het mengsel der sukade, krenten en rozijnen door, eer zij in de colombijnvormpjes gaan.
749. COURONNES.
Zeven eieren, het wit en het geel apart geklopt, 2 kopjes water, zout, boter, sla- of klapperolie, suiker, 15 lepels meel.
Bereiding:
Het meel vermengt men met het water; daarna roert men er de geklopte dooiers en vervolgens het wit door, zoodat dit beslag iets dikker wordt dan pannekoekenbeslag.
Nu giet men hiervan, met een lepel, verschillende figuren in de braadpan, waarin kokend heete klapperolie en boter.
Men eet deze gebakjes warm, met fijne witte suiker.
750. DUITSCHE KOEK.
Een half pond meel, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, 6 eierdooiers, 6 geslagen eiwitten, citroenolie of 1 geraspte djeroek-nipis schil, gelei.--De bovenste laag van dezen koek: 8 eiwitten, 3/4 pond suiker, 1/2 stokje vanille.
Bereiding:
Men smelt de boter en roert er de geklutste eierdooiers door, daarna de suiker, vervolgens het meel. Nu roert men door de zes geslagen eiwitten de citroenolie en vermengt dit met bovengemaakt deeg. Dit deeg wordt in een met boter bestreken springvorm, laag om laag, gebakken; tusschen elke laag doet men gelei; de bovenste laag moet deeg zijn, dat met het volgende beslag wordt gedekt:
De suiker wordt met het stokje vanille fijngestampt en daarna met de acht eiwitten tot schuim geklopt.
Deze koek bakt men, in een matig verwarmden oven, licht geel.
751. EIGENGEMAAKTE KOEKJES.
Vier ons bloem, 3 ons fijne suiker, 3 ons boter, 2 eieren en 2 eierdooiers, een weinig zout; gesnipperde amandelen of kanaries, water.
Bereiding:
De zachte boter wordt met wat water wit geroerd, daarna de twee eieren geklutst en daarbij gemengd; vervolgens de dooiers. Het meel en de suiker worden met wat zout vermengd en met bovenstaand beslag tot een deeg gekneed. Daarna rolt men dit deeg uit, steekt er 1 cM. dikke koekjes uit, die men met de gesnipperde amandelen bestrooit, daarna met wat geslagen eierdooiers bestrijkt en in den oven licht bruin bakt.
752. EVENVEELTJES.
Een kopje meel, 1 kopje gesmolten boter, 1 kopje melk, 5 tot schuim geklopte eieren, een weinig zout en een weinig suiker. Fijne kaneel en suiker.
Bereiding:
Het meel wordt met de boter, de melk, de geklopte eieren, het zout en de suiker vermengd, en verder goed geroerd als een poffertjesdeeg. Men bakt ze in een poffertjespan of in kleine vormpjes, die eerst met boter bestreken zijn, in den oven, licht bruin. Men dient deze gebakjes voor met suiker en kaneel.
753. FANCY-GEBAK.
Vier eieren, 1/2 pond meel, 1/2 pond gesmolten boter, 1/2 pond suiker, 1/2 pond krenten, rhum.
Bereiding:
De eieren worden goed geklutst en met de gesmolten boter aangeroerd--daarna het meel, de suiker, de krenten en de rhum er door gedaan. Men bakt vervolgens dit beslag, in een met boter bestreken springvorm, in een heeten oven, licht bruin. Men kan er een of ander gelei of vla bij gebruiken.
754. FLENSJES MET VLA.
Twee kopjes meel, 15 eierdooiers, 4 lepels gesmolten boter, 3 kopjes melk, 1 kopje water, zout naar smaak.--Vla.
Bereiding:
Van bovenvermelde ingrediënten maakt men beslag, als voor pannekoeken, doch iets dunner. Vervolgens bakt men er flensjes van, die men met wat gelei vult, oprolt, in een gebakschotel doet en eindelijk met vla overgiet.
755. FLEURONS.
(Halve maantjes).
Feuilletée deeg, geklopte eierdooiers.
Bereiding:
Het deeg wordt uitgerold ter halve cM. dikte; daarna steekt men er halve maantjes uit, die met eierdooiers worden bestreken en, in een zeer warmen oven, aan beide kanten bruin gebakken worden. Deze fleurons worden met pikante ragoûtsausen voorgediend.
756. GATEAU VOLATILE.
Twaalf eieren, 2 lepels madéra, 1 lepel meel, 1 flesch melk, 1 lepel suiker, een weinig kaneel en geraspte notemuskaat, een weinig zout, boter.
Bereiding:
De dooiers en het wit worden apart tot schuim geklopt, daarna achtereenvolgens de melk, de madéra, het meel, de suiker, de specerijen en het zout met de geklopte dooiers vermengd; het laatst voegt men er het geslagen eiwit bij. Dit beslag wordt in een met boter bestreken gebakschaal (basi-kasar) gedaan, hierover wat fijne kaneel gestrooid, en met onder en boven vuur in een penggorèngan gebakken.
757. GAUW EN LEKKER.
Vijf kopjes bloem, 5 kopjes gekookt water, 5 geklopte eierdooiers, 5 geklopte eiwitten, 3 kopjes gesmolten boter, 1 theelepeltje zout, 1 lepel rozenwater, 1 à 2 lepels suiker, boter.
Bereiding:
Bij de tot schuim geklopte eierdooiers voegt men het meel, het water, de gesmolten boter, het zout, het rozenwater en de suiker. Dit wordt goed door elkaar geroerd, waarna men er het geslagen eiwit doorheen mengt. Met dit beslag vult men de met boter bestreken vormpjes 3/4 vol, bakt ze eerst van onder, en, als ze beginnen te rijzen, ook van boven met vuur gaar.
758. HONIGKOEK.
Een pond meel, 1 pond fijne suiker, 1 theelepel fijngestampte kruidnagels, evenveel kaneel en foelie, 1/2 flesch honig, 6 lepels geraspte javaansche suiker, 1/2 ons fijngesneden sukade, 1 bitterglas brandewijn, gruis van kandijsuiker of goela-batoe.
Bereiding: