Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918
Part 5
Pionier-bivak 18 Mei-3 Juni. Na vertrek van het laatste échelon der Idenburg-rivier-colonne op den 18en Mei wordt met alle hens begonnen prauwen te repareeren en nieuwe te maken. Geheel bruikbare prauwen waren er niet meer; vier stuks konden echter hersteld worden, hetgeen door de Biaksche Papoea's geschiedde; het personeel der gouvernements-marine zorgde voor het breeuwen en pekken der boorden, zoodat alle Dajaks aan het prauwenmaken konden blijven en zes stuks nieuwe per week afleverden.
Den 20en Mei komt de tijding, dat drie van de vier prauwen van bovengenoemd laatste échelon in en nabij de Edivallen zijn verongelukt en dat een aanvulling van vier prauwen moest worden gezonden. Juist waren er vier gereed, die aan de Idenburg-rivier-colonne worden afgestaan.
Tevens werd ons meegedeeld, dat de 40 Dajaks, die allen met onze colonne mede zouden gaan, aangezien de Idenburg-rivier-colonne alle beschikbare kettingjongens-stuurlieden en prauwenmakers had meegenomen, niet bij één der colonnes mochten worden ingedeeld, alvorens 60 prauwen gereed waren.
Twee mandoers-dwangarbeider (= kettingjongens) waren de eenige overgebleven stuurlieden, zoodat werd afgezien van het medenemen per eerste échelon van dwangarbeiders; zij zouden ons in de versnellingen maar last bezorgen. Wellicht zou het gouvernementsstoomschip eene aanvulling roeiers meebrengen.
De stoomsloep en de motorboot, die in Batavia-bivak lagen, zouden voorloopig met de Idenburg-rivier-colonne medegaan.
Voor de hand lag nu, dat alle aandacht werd geschonken aan het al of niet mogelijk zijn van het door de versnellingen naar Batavia-bivak brengen der groote motorboot, die zich nog in Pionier-bivak bevond.
Indien dit gelukte, dan waren wij ook zonder roeiers verzekerd van een voldoenden vivresopvoer van af Batavia-bivak naar boven. Stroeve en ik besloten het maar te wagen; lukte het niet, dan waren wij nog even ver. Onze colonne-commandant, kapitein Schultz, keurde ons plan goed en 3 Juni 1914 vertrokken wij ten 8 uur 's morgens van Pionier-bivak met de motorboot en 15 prauwen.
De sterkte der colonne was: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. leerling-verkenner, 1 inl. korporaal, 10 inl. fuseliers, 4 bemanning motorboot, 33 Dajaks, 30 Biaksche Papoea's en 6 dwangarbeiders, totaal 87 man.
De Dajaks zouden alleen medegaan tot Batavia-bivak, dus om behulpzaam te zijn bij het door de vallen brengen der motorboot.
Het is zeer laag water in den Mamberamo en daardoor staat er betrekkelijk weinig stroom, zoodat de "tulband" zonder eenige moeite wordt gepasseerd.
Ten 12 uur 30 min. komen wij voor een versnelling, die zonder hulp niet te passeeren is; het prauwtransport wordt ingewacht en eerst ten 3 uur zijn alle prauwen present. Dit eerste moeilijke punt wordt zonder fout genomen en ten 4 uur bivak gemaakt, even beneden de Marinevallen.
Terwijl een ieder bezig is, verschijnt heel rustig uit het oerwoud aan den rivierkant, vlak bij onze bivakplaats, een Papoea, boog en pijlen in de eene, een buitengewoon groot kapmes in de andere hand. Zonder vrees te toonen, komt hij naderbij; 't is een reus, nog nooit had ik zoo'n ontzaggelijk grooten, goed geproportioneerden kerel gezien. De Dajaks werden er stil van en hurkten in een halven cirkel om ons heen; het kalme, bedaarde, zelfbewuste optreden van dezen wilde maakte duidelijk indruk op hen. Nadat wij hem eenige geschenken hebben gegeven, roept hij eenige stamgenooten, die zich tot nu toe in het bosch hadden schuil gehouden. Een van deze, een jongeling van een jaar of zestien, is door een pijlschot zwaar aan den rug gewond. De reus beduidt ons, dat dit door lieden, wat meer landwaarts in wonende, moet zijn geschied. Dit zijn dan waarschijnlijk dezelfde lieden, die de colonne Schultz in April overvielen en een Dajak vermoordden.
4 Juni. 's Morgens tegen 8 uur komen wij bij de Marinevallen aan, die, nadat beide oevers zijn onderzocht en de doorgangen opgelood, langs den rechteroever worden gepasseerd. De plaats, waar de stoomsloep en de kleine motorboot aan den linkeroever passeerden, ligt minstens 10 meter droog boven den waterspiegel, terwijl zich aan dien oever werkelijke vallen vertoonen.
Ten 1 uur 's namiddags komen wij langs den rechteroever der rivier even beneden de Edivallen aan; dadelijk wordt een aanvang gemaakt met de prauwen te ontladen, om alle bagage langs den wal bovenstrooms van de versnelling te dragen. Het ziet er hier leelijker uit dan bij de Marinevallen. De linkeroever, waarlangs de boot getrokken moet worden, kan alleen worden bereikt door dwars door de kolken heen over te steken, hetgeen met dit trage, slecht bestuurbare vaartuig zeer gewaagd is. Want even uit het roer loopend, zou de motorboot tegen de steenen te pletter slaan. Na met Stroeve alles lang en breed te hebben besproken, komen wij tot het besluit, dat wij in ieder geval naar den overkant moeten.--Wij steken van wal en komen behouden over, al scheelde het geen paar meters.
De Dajaks brengen nu de trekkrachten,--fuseliers, Papoea's en dwangarbeiders,--naar den linkeroever; telkens steken de Dajaks over om een nieuw menschenvrachtje te halen en zonder ongelukken komt dan ook de geheele colonne aan. Met Dajaks en Papoea's bij één troep had men altijd nogal wat te stellen met den naijver tusschen beide volkjes; in dit terrein en voor dit werk waren de Dajaks in handigheid en bruikbaarheid verre de meerderen; in kalmer water roeiende, leggen zij het echter op korten en langen afstand tegen de Biakkers af. Stroeve en ik plaagden het Dajaksche hoofd Anji Poei wel eens en zeiden dan tegen hem: "Die Papoea's, die kunnen best roeien."
Nu waren de Dajaks in hun element; met een prauw vol menschen staken zij voorzichtig over; wanneer zij echter leeg terug gingen, roeiden zij stroomop en gingen door de zwaarste kolken en versnellingen terug. 't Was een schitterend gezicht en wij stonden dan ook met steeds klimmende bewondering telkens de naar de overzijde afstekende prauwen gade te slaan. De brave Anji Poei, die vlak naast ons stond, zag ons enthousiasme en met een fijn glimlachje zei hij tegen ons: "Die Papoea's, die zijn toch wel handig."
Hij had groot pleizier, toen wij hem zeiden, dat het van ons maar een grapje geweest was en antwoordde: "Van mij is het ook maar een grapje."
De twee manillatrossen van 11 c.M. hadden reeds veel geleden van het schavielen langs scherpe rotshoeken, zoodat ik den indertijd door mij in Etappepost II achtergelaten tros van 12 cM. liet halen en met één van 11 cM. liet uitbrengen.
Eindelijk is alles klaar, de motor wordt aangezet, wij steken af. Op het oogenblik, dat de boot in den fellen stroom giert, weigert de motor. Met een ruk komt de dunne tros het eerst stijf en breekt, de boot komt dwars op den stroom. Daar de trekkers aan den wal den zwaren tros niet kunnen houden, drijft de boot dwars weg, totdat deze tros, die gelukkig om een rotsblok belegen is, stijf komt en houdt. Elk ander vaartuig zou in deze positie zijn omgeslagen; deze zeer stabiele boot, die als een blaas op het water ligt, helde slechts een weinig.
Daar Stroeve, die op den wal bij de trekkers stond, het gevaarlijke der positie dadelijk had gezien, hadden de menschen, die door het breken van den tros voor het meerendeel onzacht van de been waren geraakt, in een oogwenk den dikken tros weer in handen en uit alle macht werd getrokken. Maar de motor bleef weigeren, wij schoten geen duim op; de boot dobberde nu echter veilig met zijn neus in den stroom. Hoe de trekkers ook werden aangevuurd, de boot bleef aan het rotsblok hangen. Eindelijk, na circa 5 minuten was er eenige beweging te bespeuren; dat gaf nieuwe kracht en centimeter voor centimeter gingen wij vooruit. Het Dajaksch hoofd Anji, die zich bij mij op de boot bevond, stond dansende en gillende zijn menschen aan te vuren; langzamerhand gaat het vlugger en ten 4 uur zijn ook de Edivallen gepasseerd. Wij steken over naar den rechteroever en maken bivak in Etappepost II. De Dajaks brengen nu alle prauwen door de versnellingen heen en ten 7 uur is de geheele colonne met alle vaartuigen behouden in Post II. 's Avonds is de stemming in het bivak bijzonder opgewekt; tot laat in den nacht hoort men Dajaks en Papoea's zingen, begeleid door het sombere bruisen van de vallen.
5 Juni. Rustdag in Post II; een prauw met drie zieke Dajaks terug naar Pionier-bivak met bericht aan den kapitein Schultz, onzen colonne-commandant, van het voorloopig slagen.
6 Juni. Passeeren de kleine Edivallen; de verdere dag verloopt kalm; alleen de circulatiepomp van den motor weigert herhaaldelijk en telkens moet worden gestopt. Ten 12 uur, tijdens eetrust, komt een prauw van boven, waarin onze collega, luit. t. zee Langeler der Idenburg-rivier-colonne, die op weg is naar Pionier-bivak.
7 Juni. De waterstand blijft laag en de rivier levert nergens ernstige moeilijkheden op. Ten 11.30 uur gaat Stroeve in een prauw met 7 van de beste Dajaks vooruit naar Bataviabivak om een nieuwen manillatros te halen en tevens van de gelegenheid gebruik te maken, de Batavia-versnellingen eens te bekijken. Tegen den middag namelijk begint de rivier er al bedenkelijk uit te zien; en wij zijn nu nog een heel eind beneden Etappepost IV.
Kon ik in April bij hoogen waterstand met de kleine motorboot en de stoomsloep zonder veel moeite Post IV bereiken, nu is hier geen sprake van. Na het vertrek van Stroeve, wordt de boot nog door een zware versnelling heengebracht, waar wij rond vier uur over doen.
De Dajaks verrichten schitterend werk en onder hen blinkt Tamantojan, dezelfde, dien ik reeds op den 13en April vermeldde, weer uit. Vroeg men aan de Dajaks: "Wie roeit van jelui het beste?" Zonder aarzelen zeiden allen: "Tamantojan". Vroeg men achtereenvolgens aan hen, wie van hen het beste zwom, vischte, dook, boomen klom, kon hardloopen, kon springen enz., telkens weer was het: "Tamantojan". 't Was dan ook een juweel; met het vroolijkste gezicht van de wereld haalde hij de onmogelijkste braniestukjes uit.
8 Juni. Hoewel Stroeve 's morgens vroeg reeds werd terugverwacht, kwam de prauw ons pas ten 12 uur tegemoet en weldra vernam ik dat gisteren de prauw, hoewel bemand met de beste Dajaks, 's avonds ten 7 uur eerst Post IV had bereikt. Voor dag en dauw vertrokken, was hij ten 11 uur te Bataviabivak aangekomen en dadelijk teruggekeerd. Stroeve had eenige hoop, dat het kon gelukken, de boot door de Bataviaversnellingen te krijgen, maar dan zou het minstens een week duren. De Dajaks, die waren meegegaan, toonden zich minder optimistisch gestemd, maar daar in dezen tijd veel hooger water niet te verwachten was, besloten wij de motorboot er aan te wagen en het tot elken prijs te beproeven.
Nadat dit ook aan Anji Poei was meegedeeld en deze was gerustgesteld omtrent het dragen der verantwoordelijkheid, wanneer de boot verloren ging, werd voortgegaan. Langzaam en heel onzeker schieten wij op.
9 Juni. 's Nachts is het water ongeveer een meter gestegen, hetgeen hier wel niet veel, doch in ieder geval iets beteekent.
Ten 6 uur 's morgens vertrekken wij; de prauwen worden achtergelaten; aan één stuk wordt, zonder te eten of te rusten, doorgewerkt tot 5 uur 's middags, waarna langs den oever naar de prauwen wordt teruggekeerd. 't Is een zware dag geweest; de eene versnelling is nog niet gepasseerd, of men staat voor de volgende; den geheelen dag heeft de motor niet gedraaid, uit vrees de schroef op steenen stuk te slaan. Waar de versnellingen te zwaar bleken, werd de boot over of tusschen de steenen doorgetrokken. Hierbij waren bijzonder aardige tafereeltjes; de groote boot onder een flinke helling tegen een versnelling opgetrokken aan een dikken tros, terwijl alle Dajaks, tot het middel in het water, als mieren om een dooden kever, aan de boorden der boot trokken en duwden.
Later hebben Stroeve en ik er veel spijt van gehad, geen foto's hiervan te hebben gemaakt, (wij hadden n.l. beiden een toestel), doch op den dag zelf hebben wij er geen oogenblik aan gedacht.
10 Juni. Het laatste deel der Bataviaversnellingen wordt genomen en ten 1 uur komen wij onder een vroolijk hoerah in Bataviabivak aan.
11 Juni. De Dajaks keeren in 4 prauwen naar Pionierbivak terug; Anji Poei had wel verzocht om den tocht, het binnenland in, met ons mee te mogen maken met zijn wakker troepje, doch dit mocht ik niet toestaan in verband met den prauwenaanmaak, hoezeer het mij speet. Met zulke kerels kun je alles probeeren en uitvoeren.
Het was nu bewezen, dat ten allen tijde de mogelijkheid bestaat, krachtvaartuigen naar boven te brengen. De stoomsloep en de kleine motorboot werden bij hoog, de groote motorboot bij laag water naar Bataviabivak getransporteerd. Hoog water is echter te verkiezen, mits men een boot heeft, die voldoende vaart loopt; d.w.z. tien mijl of meer. De groote motorboot, die maar 5 3/4 mijl liep, kwam zelfs bij hoog water op eigen kracht niet voorbij gewone hoeken in de rivier.
Dat men over voldoende handig personeel--in dit geval Dajaks--moet beschikken, spreekt van zelf.
Wanneer men over een snelle motorboot of glijboot beschikt--vaart 20 mijl of meer--ben ik er van overtuigd, dat men het traject Pionierbivak-Bataviabivak zonder hulp aflegt. Aan eenige bijzondere eischen, wat aangaat vorm, geringe kwetsbaarheid der schroef en goede bestuurbaarheid, zou moeten worden voldaan.
In Bataviabivak aangekomen, werd dadelijk aangevangen, alles gereed te maken voor den Grooten Tocht. De motor wordt nagezien, prauwen gerepareerd, levensmiddelen en andere behoeften gepakt en in de prauwen geladen; alléén de motorboot laadde 3 1/2 ton bagage (3500 K.G.), evenveel als 10 groote prauwen, welke 60 roeiers noodig hadden, terwijl de boot aan 4 man ruim voldoende had.
12 Juni. Vertrek van Bataviabivak. Sterkte der colonne: 2 luitenants-ter-zee, 1 leerling-verkenner, 1 europ. sergeant, 1 inl. korporaal, 15 inl. fuseliers, 4 bemanning motorboot, 30 Papoea's (Biakkers) en 8 dwangarbeiders, totaal 62 man.
_Doel_. Zoo ver mogelijk opvaren der Rouffaerrivier met de motorboot. Aldaar een bivak maken. [22] In één prauwcolonne de rivier verder verkennen. Bij den eersten grooten zijtak splitsen in twee colonnes. Onderweg zoo veel, zoo vlug en in verband met den beschikbaren tijd zoo nauwkeurig mogelijk vastleggen der bergtoppen, zoodat een overzicht wordt verkregen over het geheele in kaart te brengen terrein, waarna kan worden bepaald, welke landtochten noodzakelijk en het meest productief zullen zijn. Na afloop der verkenning met de plannen voor de tochten terugkeeren naar Motorbivak, waar de colonne-commandant, kapitein Schultz, circa half Juli met de rest der colonne zal aankomen van uit Pionierbivak.
_Levensmiddelen_. Gewone magazijnsvoorraad, 5000 volle rations, dus toereikend voor ruim 80 dagen. Deze voeding werd aangevuld met, _nooit_ vervangen door opbrengst van jacht en vischvangst en door geruilde voedingsmiddelen der bevolking als sago, pisang, ketella.
Tegen beri-beri werd per dag verstrekt 0.2 kg. kadjang idjoe en 0,03 kg. javaansche suiker. Verder prophylactisch, 0.2 gram chinine per dag tegen de malaria.
_Instrumenten_. Voor de plaatsbepaling en karteering was de uitrusting als volgt: 2 tijdmeters (marine), 3 observatiehorloges, 5 chronomètres torpilleurs, 1 theodoliet, 2 boussoles tranche montagne, 1 prismacirkel met stand, 3 sextanten, 2 kookthermometers en 1 hoogtebarometer.
Verder voor den leerling-verkenner: zakkompassen, Smalkalder patentboussoles en een patentniveau.
12 Juni. Onder fellen regen wordt 's morgens van Batavia bivak vertrokken; het eentonige laagland heeft een nog triestiger aanzien dan gewoonlijk; om drie uur 's middags wordt Kalong-eiland gepasseerd en de Van der Willigen-rivier opgegaan; ten 4 uur wordt bivak gemaakt, een slecht modderig bivak met myriaden muskieten. Dezen eersten dag beginnen wij met vijf koortslijders.
13 Juni. Zonder bijzonderheden vervolgen wij den tocht tot 4 uur 's middags; tegen twaalf uur wordt het ontzaggelijk warm op het water, hetgeen afmattend op de roeiers werkt.
14 Juni. De rivier bandjirt; het water is sterk gestegen, de stroom is fel en er wordt zeer veel drijfhout afgevoerd, waaronder complexen van eenige boomen. 't Opvaren dient omzichtig te geschieden.
Ten 11 uur loopt één der prauwen uit het roer en slaat stuk tegen een boomstam. De inzittenden worden gered, doch de bagage, tenminste het gedeelte, dat niet drijft, gaat verloren, o.a. zeven stormlantarens. De prauw blijkt zoodanig beschadigd, dat van meenemen geen sprake meer is.
Bij het redden van de roeiers onderscheidde zich wederom de mandoer der kettingjongens Si Joesan, een Atjeher, die reeds bij een der tochten op de Noordkust (Biri rivier) met groot levensgevaar een sergeant uit de branding haalde, voor welk feit hem de helft van zijn nog uit te dienen straf werd kwijtgescholden, in casu twaalf jaren.
15 Juni. Op den voormiddag zien wij een prauw met 5 Papoea's, die voor ons wegvluchten; telkens verdwijnen zij met hun vaartuigje in het riet, dat zich aan de binnenbochten in groote velden uitstrekt (glagah = wild suikerriet). Later volgen zij ons en onder de eetrust, omstreeks 12 uur, komen zij op onze herhaalde uitnoodiging en het toonen van geschenken naderbij. 't Blijkt een ongunstig volkje te zijn, diefachtig en wantrouwend. De versiering wijkt niet af van die bij Batavia bivak.
16 Juni. Na een half uur te hebben gevaren, weigert de circulatiepomp van den motor; reeds alle vorige dagen hadden wij herhaaldelijk moeten stoppen. Na een grondig onderzoek bleek ons (Stroeve en mij, aangezien de twee Inlandsche motoristen het reeds eenige dagen hadden opgegeven), dat het wit-metaal der circulatiepomp geheel afgesleten was en daardoor de pomp geen ijdel meer verwekte. Goede raad was duur. Na veel moeite gelukte het uit rivierzand een vorm te maken en van de reservekrukasmetalen der machine nieuwe te gieten. Een klein tekort aan gietmetaal werd aangevuld met soldeertin, dat wij in groote hoeveelheden bij ons hadden. Bij het beproeven deed de pomp het prachtig en gaf bij den uitlaat zelfs vrij koel water. 's Middags om vier uur is de boot weder geheel gereed; wij blijven echter in dit bivak en gaan niet meer verder vandaag.
De eerstvolgende maal in Bataviabivak teruggekeerd, hebben de motoristen alle reserve-witmetalen verzameld en vast vooruit nieuwe reservedeelen voor de pomp gegoten, zoodat wij later nooit meer last van warmloopen van den motor hadden.
17 Juni. 's Morgens prachtig uitzicht op een hooggebergte in het Zuiden; vrij zeker dezelfde toppen, die zeer vluchtig door de colonne Franssen Herderschee werden bepaald. De meest markante toppen worden gepeild en een panoramaschets vervaardigd; tegen 8 uur verdwijnen deze toppen dan in den regel in de wolken, om 's avonds tegen zonsondergang weer te voorschijn te komen.
Zien tijdens het varen twee prauwen met vier mannen er in, die echter niet naderbij durven komen; wederom wordt tijdens de eetrust aanraking met hen verkregen; zij blijken dol te zijn op kapmessen; als geschenk brachten zij een pas geschoten kroonduif mede.
Ten 2 uur 's namiddags bereiken wij de samenvloeiing van de Rouffaer- en Van Daalenrivier en varen de eerste op. Duidelijk opvallend is hier het heldere water der Van Daalenrivier tegenover het zandige, bruine, echte Mamberamo-water der Rouffaerrivier.
Deze laatste wordt nog een uurtje opgevaren en ten 3 uur maken wij bivak op een punt, geschikt om 's avonds een astronomische plaatsbepaling te nemen.
Nauwelijks bezig met kappen, verschijnen twee groote prauwen met 5 en 8 mannen er in, die ons dadelijk in het bivak komen opzoeken. Zij dragen snor en baard en in het geheel geen versierselen in het haar. Op het voorhoofd zes varkenstanden: 2 stel van drie boven elkaar, met de ronding naar boven; door een koordje van plantenvezel worden de tanden onderling op afstand en op het voorhoofd vastgehouden, links en rechts op het voorhoofd één stel.
Allen hebben eenige banden om de lendenen van varenvezel; de meesten dragen geen schaambedekking; enkelen hebben de op de benedenrivier ook gebruikelijke schouder- en borstbanden van witte en bruine vruchtenpitjes. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een beenen sprongetje in de vorm van een V, dat schuin naar voren en boven wijst en waarvan de punten ongeveer ter hoogte van de oogen komen.
Zij zijn bewapend met pijl en boog en hebben een geknoopt net als draagtasch op den rug hangen.
Een van deze mannen, met een bijzonder ongunstig uiterlijk, wordt door Stroeve herkend als de aanstoker van relletjes bij zijne eerste verkenning. Wij laten hem duidelijk merken, dat wij hem herkend hebben en toen hij daarna demonstratief met gespannen boog den krijgsdans gaat uitvoeren, wordt aan de anderen, die voor dit ophitsen niet geheel ongevoelig zijn gebleven, de uitwerking van een karabijnschot getoond. Dit, gepaard gaande met het zien van onze kleederen en het ons in het geheel niet bevreesd toonen voor hun pijlen, houdt hen ervan terug, om op den krijgsdans van onzen vriend in te gaan, die dan ook stilletjes afdruipt.
's Nachts na zonsondergang behoeft men nooit bang te zijn voor een overval, want in het donker durven de Papoea's, bevreesd als zij zijn voor geesten, niet door het bosch. Zijn zij om den een of anderen reden genoodzaakt 's nachts door het bosch te gaan, dan nemen zij flambouwen mede en maken zooveel mogelijk lawaai om de kwade geesten te verdrijven. Dan hoort men hen vanzelf aankomen.
Dezen avond en nacht blijft de hemel bewolkt, zoodat wij geen sterren kunnen observeeren.
18 Juni. Passeeren 's morgens een menigte Papoea's, die zich allen aan den oever bevinden; zij voeren op het zien van onze colonne gezamenlijk hunne krijgsdans uit; het krijgsgeschreeuw en alarmgeroep is den geheelen dag niet van de lucht. Telkens wordt hun doordringend oehoe-oehoe uit de verte beantwoord en herhaald. Goed opletten is nu geraden, daar wij met het oog op geringen stroom stijf den oever aan de binnenbocht moeten houden.
Het alarmgeroep wordt door onze krijgslustige, dappere Biakkers telkens met gejoel beantwoord.
De rivier houdt hetzelfde aanzien en blijft nog goed bevaarbaar.
's Avonds astronomische plaatsbepaling.
19 Juni. Dezen dag passeeren wij de nederzettingen der Papoea's, die in begin Mei de colonne Stroeve bepijlden en waarvan er één werd neergelegd. Het oerwoud langs de rivieroever is vol van onheilspellende geluiden en de houding van de zich vertoonende mannen zegt ons, dat zij niet veel goeds in den zin hebben. Tegen den avond wordt bivak gemaakt, dicht bij een groote nederzetting, waarvoor ongeveer 15 groote prauwen liggen.
Het bergland komt om de Zuid tegen zonsondergang prachtig helder te voorschijn, zoodat wij belangrijke peilingen kunnen nemen.
20 Juni Hoe hooger wij de rivier opkomen, hoe dichter bevolkt zij is; bij elken omgevaren hoek of bocht zien wij weer nieuwe huizen, dorpen en tuinen; menschen laten zich den geheelen dag niet kijken, doch de smeulende vuurtjes in de huizen doen ons zien, dat hunne bewoners eerst kortelings verdwenen zijn. Waarschijnlijk, of liever vrij zeker, wordt ons kort bezoek aan een kampong door vele oogen bespied.
De gezondheidtoestand der roeiers blijft uitstekend: sporadisch komt een koortsgeval voor. De laatste vier dagen hadden wij eiken nacht harde regenbuien en wie een flinke tropenbui heeft meegemaakt, begrijpt dat wij dan handenvol werk hadden, om de volgeladen prauwen lens [23] te houden.
21 Juni. Aan den oever wederom vele kampongs; huizen, kleeding en versierselen worden primitiever. De mannen loopen geheel naakt: zij hebben eenige koorden om het middel van varenvezel of rotan. De vrouwen dragen een kleine schaambedekking; beide seksen dragen kort hoofdhaar; de mannen zonder uitzondering baarden. Hoofdversierselen zijn voor vrouwen zoowel als voor de mannen dezelfde; het reeds vroeger genoemde V-vormige beenen sprongetje door de neusvleugels en een tot driehoek gebogen zwarte casuarispen door de oorlel.