Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918
Part 2
Als gids voor de opvaart hadden wij de oude kaart van den Luitenant ter Zee Kerkhoven van 1884, welke ook zijnen opvolgers als leiddraad had gediend en die, waar noodig, door hen was gecorrigeerd. De groote rivier toch verlegt zich in die jaren, doch het is minder dan men wel zou verwachten en het bepaalt zich in hoofdzaak tot de lage en ondiepe modderbanken bij de eilanden. Evenals zulks bij het opvaren van alle rivieren gebeurt, houdt men in krommingen den buitenbocht, omdat die het diepste is; de binnenbocht is ondiep. Drijvend zwaar hout raakt daardoor gemakkelijk vast, zoodat men er groot gevaar voor stooten heeft. In binnen- of buitenbocht, kan men zich van verre gezien, nooit vergissen; de eerste toch is in breeden band omzoomd door glagah, een meer dan manshoog uitgepluimd oevergewas. Dit glagah is het wilde suikerriet, doch alleen een hoogst enkele dikke stengel is saprijk en zoet genoeg om de moeite van het uitkappen te loonen.
Den tweeden ochtend zagen wij de eerste heuvelrijen van het Van Rees-Gebergte in de verte, den derden dag voeren wij er tusschendoor tot wij in den avond van den vierden dag op weinig na de plaats van het oude Pionierbivak bereikten.
Bij Scholten-eiland, den derden dag, deed zich de moeilijkheid van den stroom duchtig voelen. Men is hier even voorbij den rand van het heuvelland en heeft wel niet met een stroomversnelling te maken, maar toch is het rivierbed, hoewel breed, op sommige plaatsen zeer ondiep door uitgebreide banken van rolsteenen, welke ook bij lagen waterstand deels droogvallen, zoodat de stroom er sterk is en het water er kolkt.
Door de talrijke draaikolken ter plaatse luisterde de slechts zes mijl loopende "Valk" moeilijk naar het roer; op een gegeven moment werden eenige kolken den roerganger de baas; het schip liep zooals men zegt "uit het roer" en werd door den stroom tegen den steilen rotswand geworpen. Wij dachten, dat de schok hevig zou zijn, doch dit viel mee; de oever liep hier onder water blijkbaar hellend af en wij kwamen vrij zacht aan. Het duurde evenwel eenige uren eer wij ons los gemaakt hadden, door ons af te halen aan een zijwaarts uitgebracht werpanker. Het behoeft wel geen betoog, dat het uitbrengen van dit anker met stalen tros in gesleepte sloepen bij dezen zwaren stroom hoogst bezwaarlijk was; toen het anker eindelijk gevallen was, hield het niet in den grond, zoodat het gelicht en opnieuw, doch verder, uitgebracht moest worden. De tweede maal hield het; toen wij los waren scheelde het een klein beetje of wij waren opnieuw geboeid geraakt, doch ditmaal op de overliggende grintbank; wij liepen evenwel vrij, dicht langs Scholten-eiland.
Een voorbeeld van de kwade gevolgen, die zulk vastloopen kan hebben, hadden wij ettelijke maanden later, toen wederom de "Valk" bij dalenden waterstand vastraakte op een verlegden modderhoek bij Kerkhoven-eiland. Het schip had toen voor eenige maanden vivres in. In Pionierbivak waren wij ongeveer juist op het einde van onzen voorraad, de afstand was omtrent 95 K.M. en deze toestand duurde een kleine week; toelichting overbodig.
's Avonds om een uur of 5 ging het schip voor anker onder den lagen oever, waar goede ankergrond (modder) was en de stroom gering. De sloepen werden gestreken en het heele échelon naar den overwal gebracht, waar op een gunstig plekje bivak werd gemaakt. Het was toch noodzakelijk, dat ieder onder zijn klamboe sliep; om die allen te spannen, daarvoor was aan boord geen plaats. In het eerste bivak waren veel muskieten; wij waren hier nog in de lage moerassige vlakte, die zich vòòr het heuvelland tot de zee uitstrekt; de volgende bivaks ondervonden in dat opzicht reeds den goeden invloed van het heuvelland. Want wij hebben later steeds opgemerkt: waar de vlakte verdwijnt, verdwijnt ook de muskiet. [7]
Door de opvaart dien eersten dag door het muskietenterrein, zat ook het schip vol muskieten. Ofschoon dan ook ieder onder de klamboe sliep, waren er overdag en des nachts toch nog genoeg prikken ontvangen, om een behoorlijk aantal geïnfecteerden (malaria) te krijgen.
De opvarenden van de "Valk" die, om het zoo maar eens uit te drukken, wel de lasten, doch niet de genoegens der Exploratie voelden, waren dan ook over de "groote rivier", die haar kwaden naam binnen de drie dagen eer aandeed, slecht te spreken. Toen wij voor Pionierbivak lagen, begonnen wij reeds koortsleiders te krijgen. Van het échelon van ± 70 man gingen er ± 25 aanstonds weer met de "Valk" stroomafwaarts, geëvacueerd; twee dagen nadat het schip vertrokken was, waren alle drie de officieren ziek en lagen zij om beurten te bed. Onder de equipage van de "Valk" was ook menig ziektegeval voorgekomen en bij latere opvaarten van hetzelfde en andere Gouvernements-vaartuigen deden zich overeenkomstige gevallen voor. Wel merkwaardig niet of in geringe mate bij het stokerspersoneel, zoodat men zich onwillekeurig afvraagt of de hitte der vuren een gunstigen invloed heeft op de niet ontvankelijkheid voor infectie.
In het kort volgt hier de dienst der Gouvernements Marine, voor zoover die met de Exploratie verband hield. Die dienst was verdeeld over drie stoomschepen: de "Valk" en de "Albatros", beide van ongeveer 800 ton en de "Zwaan", die een 200 ton kleiner was. Die schepen waren beurtelings gedurende twee maanden ter beschikking van den Commandant van het Exploratie-Detachement. Wij richtten het zoo in, dat er ongeveer elke maand een verbinding met Ambon bestond, waarlangs ons vivres, uitrustingsmaterialen en de mail bereikten; daar tusschendoor had deze verbinding met Manokwari en het permanente bivak Kwawi plaats.
Ontmoetingen hadden wij niet vele bij het opvaren. Hier en daar passeerden wij kampongs. Zij lagen geheel anders dan aangegeven was op de oude kaart van Kerkhoven van 1884, wat ook geen wonder is, gezien het ambulante karakter der Papoea's.
Eén hutje kwamen we voorbij, waar een man en een vrouw ons, half verscholen in het geboomte, begluurden; ik vroeg me af, wat er wel moest omgaan in dit paar der wildernis bij het zien voorbijtrekken van zooveel onbekends, zooveel angstwekkends. Later, eenige uren boven Scholten-eiland, kwamen wij voorbij een dorp van een twaalftal hutten, waar de bevolking ons in groote verbazing, doch zonder vrees bekeek. Een groote zware kerel in een prauwtje kwam zelfs tot vlak langs het schip en riep ons onverstaanbare woorden toe. Men vergete niet, dat deze stammen het opvaren kunnen gezien hebben van de "Havik", van de Expeditie Franssen Herderschee en van die van De Wal. Enkele versierselen, als kralen en beenen armringen ontbraken ook hier niet; dit waren òf ruilartikelen afkomstig van de genoemde expedities, òf ze waren van af de Noordkust uit de handen van vogeljagers van stam tot stam gewandeld en hier terechtgekomen. [8]
Nog zij vermeld, dat ter hoogte van dezen kampong veel sagoboomen gezien werden. In verband met het feit, dat de kampong een half jaar later verlaten was, maar zich nieuwe kampongs gevestigd hadden op, bij onze eerste opvaart, onbewoonde plaatsen, komt men tot de conclusie, dat het nomadenvolk een deel van het jaar de sagostreek bewoont, zich voor langen tijd voedsel (sago en gerookt varkensvleesch) verschaft en dan, voorzien van levensmiddelen, voor geruimen tijd zijn zwerversleven hervat.
Bij het beschrijven van een kampong vol Papoea's mogen de honden niet vergeten worden. Mager, schurftig, huilerig en laf, zijn ze desondanks de onafscheidelijke metgezellen der wilden. Hoort of ziet men ergens in de wildernis een hond, dan kan men er zeker van zijn, dat menschen in de buurt wonen; omgekeerd kan men bij menschen steeds honden verwachten. Merkwaardig is het, dat noch ik, noch één mijner metgezellen, ooit een Papoea-hond hebben hooren blaffen. Deze honden kunnen niet anders dan huilen en janken. Reeds door Lorentz was dit opgemerkt aan de Humboldt-baai; hij veronderstelde, dat men hier met een afzonderlijk ras te doen zou hebben.
In den morgen van 5 December tegen een uur of tien kwamen wij voor de Otken-rivier. Deze is een kleine rechterzijrivier van den Mamberamo. Een 1000 M. deze rivier op, lag het Pionierbivak van Franssen Herderschee en De Wal.
Zoodra het schip het anker had laten vallen, werd een prauw te water gelaten, want onmiddellijk moest vastgesteld worden of het Oude Pionierbivak geschikt was voor dit zeer groote Detachement; zoo niet, waar alsdan het hoofdbivak zou komen.
Het bleek, dat het Oude Bivak te klein was. Het was wel een fraaie gelijke plek gronds, maar voor een Detachement van b.v. 500 personen (vrouwen en kinderen en later te werven Dajaksche en Papoesche roeiers meegerekend), bij lange na niet groot genoeg. Er waren geen sporen te zien van vroegere barakken. Alles was tot halve manshoogte begroeid met onkruid en struikgewas. Bij den oever vonden wij een uitstekend stuk hout, dat bij latere opgraving tot één der vier prauwen bleek te behooren, die in 1911 door de Expeditie De Wal achtergelaten en ingegraven waren om eventueelen lateren opvolgers van nut te kunnen zijn. Die prauwen bleken verrot na twee jaren tijds; wij hadden er niets meer aan.
Wij staken nu de Otkenrivier over en na eenig wandelen en zoeken bepaalde Kapitein Oppermann, dat het nieuwe Pionierbivak zou komen in den hoek tusschen Otken-rivier en Mamberamo. Het land was hier mooi vlak en 4 M. boven het rivierniveau. Een tweehonderd meters naar binnen was een 4 M. hoogere rug, breed circa 100 M., die landinwaarts evenwijdig aan de Otken-rivier liep. Voorloopig zou onderdak gemaakt worden aan den rivieroever; het eerste werk zou daarna zijn, het hoofdbivak te bouwen op den hoogeren rug, meer naar binnen.
Een beekje, uitkomend in de Otken-rivier, gaf vrij helder water, dat na filtreeren en koken zeer goed drinkbaar was.
Zoo was dus de grond voor het Groote Bivak gelegd. Zoo spoedig mogelijk werd eerst het onderdak voor den nacht gemaakt, waarna militairen en dwangarbeiders hun persoonlijke eigendommen konden opbergen. Vervolgens werd een kleine aanlegsteiger gemaakt, waarna met de ontscheping van materiaal begonnen werd. Onze groote motorboot en de motorboot van de "Valk" met onze roeisloepen voeren af en aan.
Den volgenden dag, 6 December, vertrok de "Valk". Wij oogden haar na, tot ze om de groote bocht verdween, na nog eenmaal lang haar fluit te hebben laten hooren. Daarna waren we alleen, doch er was genoeg te doen om ons bezig te houden.
III.
De eerste maand in Pionierbivak.
Zooals men zich herinneren zal, was de eerste taak voor het Detachement van den Mamberamo het inrichten van "Pionierbivak", doch voor één Detachement. Na verkenning van het Batavia-bivak [9] zou dit laatste ingericht worden als algemeen uitgangpunt, met woonplaats voor beide Detachementen. Laat mij aanstonds zeggen, dat, toen de bouw van Batavia-bivak nog maar kort aan den gang was, het reeds duidelijk werd, dat Pionierbivak hoofdbivak moest blijven, Bataviabivak alleen een hoofd-vivres-depôt; de redenen zullen later vermeld worden.
Naast de genoemde taak stond het zoeken van aansluiting aan de vroegere verkenningen van de Apauwar en in het Waropèn-gebied, maar dit stelden wij voorloopig uit, daar men geen twee dingen tegelijk kan doen; voor een groote marschpatrouille toch heeft men veel menschen noodig en dat was juist, wat ons ontbrak.
Ons woonbivak aan den rivieroever bestond uit een officiershuis, één barak voor militairen, één voor dwangarbeiders, een goedang of opslagplaats, een ziekenhuis en een keuken.
Het schoonkappen van het terrein had zich bepaald tot alles, behalve het zware hout. Langs de barakken liepen gegraven sloten, die het terrein zooveel mogelijk draineerden, wat met het oog op de elkaar snel opvolgende regens wel noodig was. De paden door het bivak waren bevloerd met korte dwarslatjes; later werd grint gehaald, dat bij lageren waterstand gemakkelijk van de banken te krijgen was en de daarmee aangelegde paden waren netter en meer soliede. Om het bivak heen stond een houten hek; daarachter was naar alle zijden wildernis.
De officiersbarak was vrij eenvoudig: een houten geraamte, van achteren, op zijde en van boven met atap gedekt. Het naar twee zijden schuin afloopende dak was van voren 2, van achteren 1 3/4 M. hoog; de diepte was 3 M. Hier stonden onze veldbedden, twee tafels, enkele stoelen en onze koffers. Daar de barak aan de rivierzijde open was, mocht de door den Westenwind aangevoerde regen daar gaarne vrij in spelen. Eenig voorstaand geboomte werkte wel beschermend, doch ik weet zeker dat al mijn goed bedorven zou zijn door vocht als mijn met ijzer beslagen tropenkoffers niet zoo ondoordringbaar gebleken waren. De opening naar achteren was wellicht in dat opzicht voordeeliger geweest, doch wij prefereerden licht en het vrije riviergezicht met als nadeel den regen boven het omgekeerde. Om niet steeds met de voeten in den weeken grond te zitten, hadden wij onze barak met gegolfde ijzeren platen bevloerd; dit was zeer doelmatig; alleen veroorzaakte het gekras van de kopspijkers onzer schoenen op het ijzer gewoonlijk meer onaangenaam lawaai dan gewenscht was.
De barakken voor militairen en dwangarbeiders waren overeenkomstig; de bevloering was hier tevens ligplaats, dus dunne boomstammetjes naast elkaar, hoe gelijker hoe liever; twee palm boven den grond. Onderofficieren en verkenner sliepen onder hetzelfde dak, doch hadden veldbedden.
De goedang had een vloer en een beschermend dak en daartusschen waren onze voorraden: vivres, geneesmiddelen, verlichting, gereedschappen, aanmaakmateriaal voor prauwen, enz.
Het ziekenhuis was de reeds vroeger genoemde groote wegneembare tent; gemiddelde hoogte ruim 2 M.; vrij ruim. Dit was het doktersdepartement met vele potjes en flesschen en zelfs met een kleine operatie-tafel.
In de keuken werd in een paar groote ijzeren potten de rijst gekookt; het was een eenvoudig afdakje, waar ook onze filtersteenen stonden. De laatste bestaan uit een poreuse kalkmassa en zijn zeer doelmatig; ze zijn geelwit van kleur.
Boven de rivier werden van den oever uit en gelijk met dezen bruggen gebouwd, op wier uiteinde overdekte W.C.'s en mandikamers kwamen alles van de meest primitieve constructie, doch stevig.
De kleine aanlegsteiger werd vervangen door een grooten met verschillende trappen in verband met variabelen waterstand (het totaal verval over een jaar bedraagt toch 7 M.); die steiger hield zich goed tot het einde der Exploratie, hoewel de bandjirs dikwijls met stroom en boomstammen moeite genoeg deden om hem omver te halen.
Intusschen was een ploeg bezig met het schoonkappen van den vroeger genoemden 4 M. hoogeren rug. Ook hier bleef het zware hout staan voor de per volgende boot verwacht wordende Dajaks. De rug bleek nogal grillig van vorm en hoe meer wij met den huizenbouw naar achteren vorderden, hoe meer wij moesten goochelen met de ruimte. Maar het ging best. Hier verrezen in den loop der maanden barakken, als zooeven genoemd, doch ruimer en geriefelijker, hoog (minstens 1 1/2 M.) boven den grond; een ruime goedang en een ruim ziekenverblijf.
Het werk der officieren was in hoofdzaak toezicht houden en "er achter heen zitten". Daar wij twee zeer ijverige Europeesche onderofficieren hadden, nam dat niet veel tijd in beslag en wij verlangden naar de volgende boot, die ons een groote uitbreiding van menschenmateriaal zou brengen.
De avonden waren gezellig. Men had dan gemandied, gegeten, men had lectuur en den grammofoon. De lectuur was een algemeene erfenis van alle goedkoope romans, die bij het exploratie-detachement van Zuid-Nieuw-Guinee door de opvolgende explorateurs verwerkt waren geworden, een vrij belangrijke hoeveelheid. De grammofoon was first rate, met talrijke goede, groote platen. Wij lieten hem elken avond draaien door een onzer jongens, die daartoe afgericht was en hij heeft ons nooit verveeld. Het was de grootste band, die ons aan de beschaving bond en, met gesloten oogen luisterend, lieten wij ons leiden waarheen de muziek ons bracht.
Onze dokter amuseerde zich met de fotografie, waarin hij een meester was. Zijn donkere kamer was voorloopig een roode klamboe, waar hij 's avonds met alle ingrediënten inkroop.
Meteorologische waarnemingen behoorden tot mijn departement; elken dag, om 7, 2 en 9 uur werden opgenomen: barometerstand, temperatuur, bewolking, richting en kracht van boven- en benedenwind; elken morgen 7 uur de regenval en de stand van het rivierwater; voor het laatste was een peilschaal geplaatst tegen den grooten steiger. Deze observaties zijn altijd door geschied; bij mijn afwezigheid door den dokter, die permanent bivak-commandant was. Zij geven in elk geval voor een vol jaar het betrouwbaar verloop van twee met elkaar verbandhoudende belangrijke dingen: den regenval en den waterstand. Wij weten te goed de bezwaren van den regentijd en de moeilijkheden der bandjirs om niet gaarne gebruik te maken van den gunstigen tijd en het is een voordeel, dat men thans met juistheid zeggen kan in welke maanden het reizen in Nieuw-Guinee gemakkelijk en opwekkend is en in welke maanden men met veel zorg en moeite weinig vorderingen maakt.
Voor ons was voorloopig de regentijd nog weggelegd: zware wolken dreven onafgebroken uit het Westen, aan regen geen gebrek; het was kil en het landaanzicht naargeestig. 's Morgens hingen dikke nevels over de rivier, welke ten tien ure waren opgetrokken; 's avonds kwamen veelal sterren door en op den middag af en toe het zonnetje.
Van nu aan wies de rivier steeds en einde Januari vreesde men, dat het bivak zou onderloopen; gelukkig kwam het niet zoover. De stroomsnelheid voor Pionierbivak was in Januari 4 à 5 mijl; in Augustus 2 1/2 à 3 mijl.
De natste en meest moeitevolle maanden zijn van begin November tot eind Februari; de beste Mei tot September; in dien drogen tijd is het reizen bepaald een genot en smaakt men elken dag de grootste voldoening over den afgelegden weg, maar in den regentijd: ho maar!
Dat de natte tijd niet gunstig was voor den gezondheidstoestand is duidelijk. Toch hadden wij geen ernstige reden tot klagen. Onze benedenstrooms opgeloopen malaria-infectiën waren door de kinine weldra overwonnen; het bivak-zelf (heuvelland) was muskietenvrij; daarna bepaalde het ziekenrapport zich tot de bekende vrij-van-dienst-gasten en eenige meer hardnekkige koortslijders, die van tijd tot tijd werden geëvacueerd. Van beri-beri bleven wij voorloopig verschoond en het totaal aantal lijders daaraan gedurende de geheele expeditie was gering; over de prophylaxe tegen deze ziekte heb ik vroeger reeds gesproken. De malaria-prophylaxe was 0.4 gr. kinine elken 4en en 5en dag.
Was het bivak muskietenvrij, een andere lastige bezoeker moet hier even vermeld. Dit was een insectje, dat leek op een vlieg en op een bij; het was wat kleiner dan onze kamervlieg, de wetenschappelijke naam er van is mij onbekend. Men had twee soorten, donkergele en zwarte. Zij waren meer dan vervelend. Met het rijzen van de zon kwamen zij opzetten, snel nam hun aantal toe. Soms waren gezicht en handen bedekt met dit ongedierte, dat er zonder kwaad te doen rustig overheen wandelde. Men joeg ze ijverig weg en meestal waren zij dan goed genoeg om even op te vliegen, doch zetten zich weer op een ander plekje neer. Waarom sloeg men ze dan niet dood? Omdat ze dan zoo geweldig vies roken; dit was juist hun veilige bescherming. Een geduldschepper waren ze; gelukkig kwam de plaag niet alle dagen voor.
Den 22en December verscheen opnieuw de "Valk", doch voor dien tijd maakten wij eenige verkenningstochten.
In den omtrek van het bivak hier en daar rondvarende, hadden wij boven Havik-eiland een linker zij rivier ontdekt. [10] Deze zag er nog al forsch uit en werd het eerste doel voor een marsch.
De Mamberamo was kalm, we waren (met de twee prauwen) spoedig aan den mond der zijtak en daar de regenval eenige dagen vrij gering was geweest, stond er niet veel water in de kleine rivier. Een paar kilometer konden wij haar met de prauwen nog volgen; daarna werd ze te ondiep, we stapten uit en trokken de prauwen in het oeverriet, de glagah.
Nu werd de bedding verder gevolgd.
Grillig en veranderlijk was het landschap als geen ander; we verkenden de rivier ruim 20 KM., tot het avond werd en bivaktijd; we waren toen tot een 200 M. gestegen, het laatste gedeelte snel, daar we den oorsprong naderden en dus tegen de heuvels begonnen op te kruipen. Hoe hooger men kwam, hoe schilderachtiger. Frisch, helder water leschte den dorst en koelde het voorhoofd; het was voor mij een verrukkelijke tocht en een heerlijke lichaamsbeweging na de lange dagen van rust. Het nut? Wij brachten een riviertje mede en eenige aangepeilde toppen. Nut hadden we gehad, als we hier den hoogen scherpen top beklommen hadden en van dien af het landschap aangepeild; doch eerstens waren we daar niet voor uitgerust en tweedens was die royale wijze van werken nog niet voldoende tot mij doorgedrongen; reeds in den aanvang [11] heb ik gezegd, dat men exploreeren leeren moet en er is tijd voor noodig om te komen tot het onderscheiden van zeer nuttig en minder nuttig werk.
Ten 5 uur bivak gemaakt, ten 6 uur na de genietingen van een frisch bad, schoone kleeren en een kroes chocolade in de beste stemming. Zelden heb ik zoo'n opgewekten bivakavond meegemaakt; het weer was fraai, de lucht helder; het geruisch van het water, het gegons van de myriaden beestjes in het bosch, de kookvuurtjes rondom, het was alles nieuw; hier genoot ik voor het eerst het boschleven met zijn volkomen gevoel voor vrijheid, onafhankelijkheid, zooals ik het zoo menigmaal genoten heb, zooals ik er nog dikwijls naar mag terugverlangen.
Dan 's morgens wordt men wakker door het schemeren van den komenden dag en door het eerste geroep van de vogels. Ik kende ze spoedig, die verschillende geluiden; elken vogel herkent men aan zijn slag; boven allen uit klinkt het geroep en gefluit van den paradijsvogel, een lang telkens herhaald wijsje.
Als het dag wordt: uit de klamboe, in de kleeren; de dwangarbeiders pakken reeds; we eten haastig een bordje bras ketan met javaansche suiker, dan op marsch.
De prauwen worden op hun plaats gevonden; des avonds zijn we in Pionierbivak terug. Dat was een leuke marsch!
Onze volgende beweging was gericht op de beproeving van onze groote motorboot in de versnellingen.
Laat mij eerst verklaren wat een versnelling is. Een versnelling ontstaat daar, waar de aanvoer van water meer is dan de afvoer-capaciteit van de bedding verdragen kan; i.a. dus in bergterrein, waar de grond hard is. In wat wij als "vlakte" kennen, is meestal de grond zacht genoeg om de rivier bij overmatigen wateraanvoer in staat te stellen, door uitschuring haar bed te verbreeden; in bergterrein gewoonlijk niet. Er ontstaat daar dus, òf permanent, òf alleen in tijden van zwaren regenval, een meer of minder groot niveauverschil en het water stroomt er veel sneller dan boven of beneden dit punt. De versnelling vormt zich daar, waar het rivierbed smaller of ondieper wordt; zij brengt veelal met zich op eenen of beide oevers banken van rolsteenen; er vormt zich een goot, waarin het water met groote snelheid loopt, kolkt en draait. Groote versnellingen brengen groote en diepe draaikolken met zich mede. Deze zijn niet stationnair, maar verplaatsen zich langzaam stroomafwaarts, waarbij zij zich uitputten. Op de oude plaats ontstaat dan weer een nieuwe kolk. Aan de binnenzijde der versnelling, i.a. dus langs den oever beneden het versnellingspunt ontstaat een "neer", d.i. een terugstroom.
Beneden de versnelling krijgt men een staande golving van een vier, zes krachtige golven; stroomafwaarts roeiende moet men daar met groote vaart doorheenschieten, want in den kortsten tijd neemt men reeds veel water over.