Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918

Part 11

Chapter 113,900 wordsPublic domain

Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid, hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield, aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans, terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.

Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien, besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend, die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven 4000 M. en met lagere complexen er tusschen.

Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie andere.

Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen "grijpen". Daarom gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen, die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.

Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd, doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt; het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in 't gebruik zoo afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.

Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het "pana, pana!" [38] in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.

Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen, die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen; of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder gewonden waren afgekomen.

Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden, dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode strepen versierd; als "verf" dient hiertoe een roode krijtsoort, die ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.

Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.

In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.

Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen in de meening van: "ga in 's hemelsnaam van ons weg!" en verdwenen. Ik naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in, o.a. een stukje van het roode krijt.

Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.

Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900 KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM. [39]

Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor; eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn, het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht der Kaiserin-Augusta-rivier.

Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen "Mamberamo".

Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder dan den keten 3700-3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde, besloot ik tot terugkeer.

Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivak aan den voet van den heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat, het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in elk geval prachtig.

Ook het systeem "geen onderofficier, geen verpleger" beviel mij best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het "dokteren" i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.

Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen zieke, niet eenmaal ging de flesch met "buikdrank" open. Maar de menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de boomstelling stond.

Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te hebben, volkomen beloond.

Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake; eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en, na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen; zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1 1/2 dag eten! Op toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later; een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt, op 600 KM. van het hoofdbivak!

Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren, door de "geduldvliegjes" die behagelijk over onze huiden heen en weer wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid, die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen, door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk, vrij!

Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting, dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.

Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein, doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op was zeer steil en smal, op 't laatst klommen wij als katten. Doch wij waren 's avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog), met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond of pas verlaten.

Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het verblijf van Papoea's: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook, die vooral in den avond menigvuldig werden.

In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer; wel interessant, maar toch wat angstig!

Wij bleven hier drie dagen.

Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we "aanraking" hadden. En niet vriendschappelijk! Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea's. Toen ze ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid al onze "bullen", tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok, vervulde die "losse huid" hen met de grootste verbazing; ook mijn hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo; wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook dat Papoea's altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan; doch wellicht zijn de onderlinge verhoudingen milder dan wij ons voorstellen.

Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren wij uit zicht.

Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420 M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.

En nu was het afgeloopen. Op 29 December 's morgens vroeg, verliet ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen, verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin [40], vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd, merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen, hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.

Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad, maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch hadden gehad.

De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.

Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren, was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie beëindigd was.

Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel, die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.

Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig gevoel wegens het "onontdekt" blijven van den tegenover mij liggenden grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier, die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.

En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.

Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan het niet ontkennen.

2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang vond, doch alle vivres waren weg.

Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in 2 1/2 maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was Pionierbivak nog bewoond?

Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.

4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren menschen in Prauwenbivak.

Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles voor vertrek gereed gemaakt.

Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt, mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken; allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem spoedig te beurt vallen.

Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan, was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen, een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.

Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: "saja hidoep!" [41] Doch voorloopig was het stil in de prauwen.

Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den 8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en Januari kwam ik in Pionierbivak.

Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging 's nachts door; mijn menschen berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil, kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn, die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!

Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in Batavia-bivak geslapen werd!

En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag, de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart van vreugde; het was weer ruim 2 1/2 maand sinds ik het comfort van het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.

Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En aan het vertellen kwam geen einde.

Slot.

De exploratie van Nieuw-Guinee was hiermee dus beëindigd; zij had veel gekost, veel geld, veel inspanning en vele menschenlevens.

Moet men nu teleurgesteld uitroepen, als men hoort, dat geen rijke goudvelden gevonden, geen steenkolenlagen of petroleumbronnen tot nu toe met succes geëxploiteerd zijn: "Waartoe zóóveel verspild aan een land zonder toekomst?" Immers neen. Om te beginnen is het een verblijdend iets, dat Nederland, hetwelk tot 1907 sinds 80 jaren een kolonie van 12 maal zijn eigen oppervlak bezat, zonder het binnenland noemenswaard te kennen, in 8 jaren tijds een goede overzichtskaart verkreeg.

Tevens wijzen verschillende feiten bij het uit den aard der zaak zeer vluchtig geologisch onderzoek tijdens de militaire exploratie er op, dat op meerdere plaatsen petroleum gevonden kan worden. Op de Noordkust werd jodium en petroleum ontdekt; steenkool werd gevonden in West-Nieuw-Guinee.