Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918
Part 10
Welk kinderlijk volkje, die Papoea's! Pleizier om de minste kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar, doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen "obat" kregen, onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea's mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen lekkeren obat.
Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over 't algemeen bijzonder gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen, dat kop of boorden scheuren kregen.
Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd; natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.
Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!
De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den schildwachtdienst, 1 1/2 uur lang van 6 uur af tot 5 uur 's morgens. Ik verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.
Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig en wantrouwend geworden.
De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen, telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur 's avonds tot 5 uur 's morgens. Dit was wel een onrechtvaardige bezwaring tegenover de andere "rassen", doch ik wist er niets beters op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea's vatten zoo'n dienst als een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.
Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken, kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij eenigszins bezorgd maakte voor het "in-elkaar-vallen" van den leider, doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.
Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea's: den 27en met de Tori Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.
De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen, blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen ook de mannen verder.
Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant, om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3 November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven, wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al eens voorgedaan.
De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken; de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij hadden een roer dat mocht gezien worden.
Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November: boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch, nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken; het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten, de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al, hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.
Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage, die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot gehaald en in de goedang geborgen.
Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.
De bezetting van "Vivresbivak" was twee man. Die konden om de beurt wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te verzetten.
Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet, de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker een opluchting moet zijn geweest.
In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.
De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven, halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een verhang van 1 1/2 M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een oversteek met niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.
Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken, er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken: de vivres waren op.
Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!
De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.
Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog rustig, lang kon het niet meer duren. Dat de kentering ophanden was, bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.
Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen, 12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20 beste Papoea's, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van "Vivresbivak" nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs, die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van weken zouden geven.
Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van "Vivresbivak" waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening over den vluggen voortgang als ikzelf.
Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het "bekken" gevuld.
Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10 prauwen, hierbij alle Papoea's, dat deze menschen in de wolken waren, behoeft wel geen betoog; ook het "geraamte" verheugde zich, hij zag het leven weer gloren!
Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.
Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.
Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks, gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van den pekvoorraad.
Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist 30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.
Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee mooie lange prauwlichamen kwamen den 20en klaar, benevens twee stel breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende; op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.
Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.
Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig, kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel, bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November kwam de eerste losbarsting.--Wat ik nog niet vertelde, was dat naast Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval, die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.
De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: "orang kaloewar, orang kaloewar!" [37] en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....
Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.
In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen wij weer door.
Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom, die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar, doch best bruikbaar.
Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen; niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.
Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna aan iets anders.
Zoo werden dan 's morgens op 23 November de prauwen te water gelaten en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres "bij den man"; zoo konden wij het 45 dagen uithouden.
Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.
Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist zooveel voorraad, dat, als ik na 1 1/2 maand terugkwam, ik mijn prauwen maar had vol te laden om er opnieuw voor 1 1/2 maand op uit te kunnen gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen, wij moesten dus daarop voorbereid zijn.
Den 26en November waren wij in "Splitsingsbivak", d.i. aan de monding der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het grootste nut bleken nu de "Kaits"; wat hadden wij daar een plezier van!
Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren, dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.
In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen de boomen bevestigd.
Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier; een blik op de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier geen vlakte kende.
Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in 's hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.
Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 × 4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1 1/2 M. boven den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.
Sago werd weinig gezien; "op het land leven", zooals tijdens de vorige patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.
Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag; den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.
Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.