Nieuw Guinee En De Exploratie Der Meervlakte De Aarde En Haar V

Chapter 9

Chapter 93,778 wordsPublic domain

9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.

10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.

In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6 1/2 maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hem terug te roepen.

De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.

Den 25en December brengt het G. ss. "Albatros" ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.

De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.

Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.

_Bevolking_. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.

De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.

_Kleeding en versierselen_. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.

De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes. Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.

Door den oorlel, eenige tot een driehoekig gebogen casuarispennen, de driehoek wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.

Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.

De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.

Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.

_Wapens_. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.

_Voedingsmiddelen_. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.

Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.

De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.

Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.

_Vaartuigen_. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rond gat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.

Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.

Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef. [34]

_Jacht_. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.

Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.

_Vischvangst_. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.

Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero's) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero's gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.

_Werktuigen_. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea's fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.

_Huizen_. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.

In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.

VII.

De Exploratie der B-rivier.

Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per "Albatros" werd aangebracht.

In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.

Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote "gebouwen" verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto's waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.

Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen "sierboom", dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein "zootje" oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (·) thans onder-officiersverblijf.

Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2e foto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)

De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond, een vroolijke gladdakker [35] of street-terrier en zijn kameraad, een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken; beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige waterloopjes door het bivak.

Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenige kippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het "kip" was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel "bij toeval" door dwangarbeiders geweest zijn.

Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.

De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea's, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.

Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo'n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea's gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.

Een dergelijk geval strekt wel tot leering.

De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.'s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.

De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.

Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.

Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:

_Indekking_. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.

_Vivres_. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo's nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele "schatting" alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.

_Geneesmiddelen_. Veel "buikdrank", [36] kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van 1/2 liter.

_Diversen_. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema's.

Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.

Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.

Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.

Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1 onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea's onder Oscar, den "onderkoning."

Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.

Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.

Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.

Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.

Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen "kait" genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de "Petite Illustration"; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.

Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.

Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.

Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?

Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3 1/2 dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.

Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.

Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.

Nadat ook alle Papoea's voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea's.

Toen werd den 26en October de tocht begonnen.

Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.

Tusschen Dajaks en Papoea's was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea's in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea's in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.

Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.

Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea's de kleinste en minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht; dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen "boos", en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.

Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had een grapje het gewenschte resultaat.