Nieuw Guinee En De Exploratie Der Meervlakte De Aarde En Haar V

Chapter 8

Chapter 83,885 wordsPublic domain

Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselier en een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.

De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.

Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.

9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van "kapal" (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.

Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?

10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.

12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.

Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.

Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.

Een gejuich van "sekarang hidoep" [32] gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.

Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der "Albatros", wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naar Ambon."

Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.

Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.

Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.

Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35' OL. en 3° 15' ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.

Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten de colonne te splitsen. 's Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.

Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.

Sterkte der colonne: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.

Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.

21 October. 's Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.

Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.

22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.

23 October. Als gisteren. 's Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook 's nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. 't Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.

Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.

In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.

Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn "Prauwbivak" in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. 't Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.

Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.

Als alles klaar is, laat ik 's middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.

26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.

Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.

Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5 1/2 KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.

27 October. 's Nachts harde regen.

7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.

28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.

Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1 1/2 meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.

Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.

Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.

Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.

30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, 's Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft een bezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.

31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.

1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.

2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.

3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.

Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.

Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.

Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak--Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.

4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.

5 November. Geen uitzicht.

6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.

's Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.

Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.

7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn, [33] 10 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bivak met water in de nabijheid.

Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.

8 November. Transport loopen tusschen A en B.

9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1 1/2 KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschen depôts A en B transport geloopen.

10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1 1/2 KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.

11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.

Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.

12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.

Nacht en dag zware regen.

13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.

Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).

14 November. 's Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.

Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.

Legden vandaag ± 2 KM. af.

15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.

Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen 's nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.

16 November. 's Nachts zeer koud; ondanks den wollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.

's Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie's. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.

De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.

Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.

In het kort was de werkwijze als volgt:

Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivere astron. richting en der magn. variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.

Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. 1/4 O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.

17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.

Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.

Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.

De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.

's Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.

18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.

19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.

Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.

20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)

't Is een steile klim en 't valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.

Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.

Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.

Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.

21 November, 's Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.

Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.

Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.

Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.

22 November. 's Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.

Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte. In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.

De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.

Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.

23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.

24 November. Peilingen.

25 November. Terug naar Hoofdbivak.

26 November. In vivresdepôt B.

27/28 November. In depôt A.

29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.

't Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.

1-3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.

4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.

5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.

6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, 's Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.

7-8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.