Nieuw Guinee En De Exploratie Der Meervlakte De Aarde En Haar V

Chapter 7

Chapter 73,888 wordsPublic domain

De dagen gingen langzaam voorbij; 's morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.

De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht 's morgens vergoedde ruimschoots alles.

Den 1en September was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene plekken, ladangs. [25] Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.

De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.

Den 5en September zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt 's morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenblik en met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.

De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1e Prauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die 's morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.

Bij aankomst in 1e Prauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.

Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.

Den 6en September kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?

Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.

Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was [26]; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant Ilgen [27] tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier het werk af te maken.

Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.

Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moeten worden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea's lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.

's Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.

De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea's, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.

Den 10en September '14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.

De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.

Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.

Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatiepunt 4 [28] beklommen worden.

15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts 1/2 K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.

9 October. 's Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.

Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo'n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea's, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. 't Werd gelukkig gezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.

Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: 's morgens een standbepaling in Motorbivak; 's middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.

In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.

Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: "prauwen in aantocht." En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.

Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.

Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.

Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.

Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van het Kon. Ned. Aard. Gen. verschenen en ontleend aan het journaal van Ilgen: [29]

Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.

Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.

De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn, ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echter misrekend en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik [30] de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.

Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,--schrijft Ilgen in zijn journaal verder:

5 September. "Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.

De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur 's middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en ons _vlug_ naar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook 's nachts doorroeien.

Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.

Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.

Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.

Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.

6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille 's avonds aan boord zijn.

Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.

Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.

Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.

Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.

7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.

Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea'sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.

Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk, die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt [31], hadden wij bij den aanvang der patrouille vernomen, dat op den linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara's was, en dat vroeger het "Strandbivak" daar was opgeslagen. De luit. ter zee Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.

Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.

8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.

Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.

Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.

Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.

Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea's uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.

Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.

Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.