Nieuw Guinee En De Exploratie Der Meervlakte De Aarde En Haar V

Chapter 6

Chapter 63,865 wordsPublic domain

Voor het eerst wordt sinds eenige dagen wederom aanraking met de bevolking verkregen; het zijn vriendelijke, vroolijke lieden, van wie wij een groote hoeveelheid sago en brood vruchten ruilen. Sagopalmen en broodboomen komen langs den oever in groote complexen voor. Het geruilde voedsel vormt een aangename toevoeging aan het eentonige menu van rijst met gedroogde visch of deng-deng (gedroogd vleesch.) Ook de jacht levert vrij veel op; de zandbanken zitten vol met eenden, terwijl in het bosch kroonduiven en gewone duiven in menigte voorkomen. De rivier zelf levert prachtige visch.

's Middags vanuit het bivak wederom bergpeilingen om de Zuid; 's avonds een stersobservatie, teneinde de juiste plaats te bepalen.

22 Juni. Zonder verdere bijzonderheden wordt de Opvaart voortgezet.

23 Juni. De rivier wordt soms vrij smal met feilen stroom, dan weer breed, ondiep, met vele zandbanken en eilandvorming. Ten 2 uur 30 min. wordt bivak gemaakt nabij een nederzetting; terwijl de colonne het bivak bouwt, gelukt het Stroeve en mij aanraking met de bewoners te verkrijgen, die door het geven van geschenken op hun gemak worden gesteld.

Totaal hebben wij vanaf Bataviabivak nu langs de rivier 250 K.M. afgelegd.

24 Juni. De zandbanken en ondiepten maken het lastig, de rivier op te varen, zoodat wij besluiten op een geschikt punt het hoofdbivak in te richten. Een eerste vereischte is, dat het bivak ten allen tijde, ook met lage waterstanden, met de motorboot bereikbaar zal zijn, zoodat deze alleen zonder prauwen de communicatie met Bataviabivak kan onderhouden en vivres met alle andere noodige behoeften opvoeren. Ten 11 uur 30 min. vinden wij reeds een geschikte plek op den Noordelijken oever en dadelijk, wordt een begin gemaakt met openkappen van het bosch. Tot vijf uur wordt flink doorgewerkt en vele groote boomen zijn reeds gevallen en opgeruimd door ze in de rivier te doen vallen of rollen, waarna de stroom ze meevoert. Een tijdelijk nachtverblijf wordt opgeslagen.

's Avonds krijgen wij uitzicht op het machtige Centraal-Gebergte, dat over een sector van bijna 180° te zien is. Meer dan 150 hooge en markante toppen kunnen worden gepeild. 's Nachts wordt met groote nauwkeurigheid de plaats op lengte en breedte bepaald. Onze tijdmeters en horloges hebben vanaf Bataviabivak zeer mooi geloopen en geven zeer betrouwbare standen.

's Middags waren Papoea's, die, op het geluid van het boomen vellen, zich op een zandbank even boven het bivak verzameld hadden, na lang beraad op de vlucht gegaan. Dat was niets, die zouden wel terugkomen.

Dit Hoofdbivak wordt door ons Motorbivak gedoopt; de rivier is hier ongeveer 1200 Meter breed; er bevinden zich zandbanken in, doch met hoog water zijn deze geheel onder.

25 t/m 30 Juni. Er wordt voortgegaan het terrein geheel schoon te maken; verder in het oerwoud worden stammetjes gekapt voor het bouwen der barakken; een ploeg verzamelt en splijt rotan om als bindmateriaal te dienen. Palmbladeren worden tot atap-dakbedekking gevlochten enz., enz.

Den 26en Juni wordt de motorboot teruggestuurd naar Bataviabivak onder dekking van 1 eur. sergeant + 4 karabijnen [24], met opdracht, daar te wachten tot de rest der Rouffaerriviercolonne onder den kapitein Schultz zou zijn aangekomen.

Het laat zich reeds aanzien, dat dit Motorbivak een goed bivak zal worden. Het terrein is mooi droog; de rivier stroomt er vrij kalm langs, zoodat er goede gelegenheid is om te baden. Verder is het geheel blootgesteld aan bestraling der zon, wat voor een pas opengekapt terrein een eerste vereischte is; geen enkele boom was blijven staan.

Wij treffen het prachtig met het weer; elken morgen en avond hebben wij zicht van het Centraal-Gebergte en wij schieten met het peilingswerk goed op.

Reeds den tweeden dag krijgen wij bezoek van Papoea's, die met 50 en 60 tegelijk gewapend aan komen zetten; het kost heel wat moeite om onze eigen menschen goed aan het werk te houden, want deze kerels, die vlak bij Motorbivak hunne kampongs hebben, brengen veel sago, pisang en andere lekkernijen mede.

Den 30en Juni is de bivakbouw reeds zoover gevorderd, dat wij ons klaar gaan maken om met de prauwen door te gaan. Het peilingswerk is hier geheel gereed en de bivakdekking, die achtergelaten zal worden, kon kalm het bivak verder voltooien, om de colonne Schultz te ontvangen.

1 Juli. 's Morgens wordt eerst nog een observatie genomen ter verifieering der tijdmeters, ten 9 uur 30 min. wordt vertrokken met 7 prauwen.

Sterkte: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. verkenner, 7 inl. fuseliers, 30 Biaksche Papoea's, 7 dwangarbeiders, totaal 47 man.

Als bivakdekking worden achtergelaten een inlandsch korporaal en vier fuseliers, met opdracht het bivak verder af te bouwen.

Wij passeeren vele nederzettingen, waarvan wij vele mannen herkennen, als zijnde reeds op bezoek in Motorbivak geweest. Overal bij de huizen pisang-tuinen. Aan den oever veel pinang- en niboeng-palmen en een menigte broodboomen; langs de rivier zien wij bijna geen sago meer. Voor het eerst wordt hier op de zandbanken fijn grint aangetroffen; de rivier is hier ongeveer 500 meter breed.

Van uit het bivak, dat ten 2 uur 30 min. gemaakt wordt, wordt in noord-noord-westelijke richting bergland gepeild op naar schatting 40 KM. afstand; dit moeten toppen van het Van Reesgebergte zijn, die de meervlakte aan de noordzijde begrenzen.

2 Juli. De rivier vormt vele eilanden, zoodat het kiezen van den goeden arm dikwijls moeilijkheden oplevert, want wij mogen geen belangrijke zijrivier voorbijvaren.

Tegen den middag komen wij aan den mond van een flinke, 200 à 300 m. breede linker zijrivier, die grintbanken bevat en zeer helder water afvoert. Wij besluiten deze linker-zijrivier A eerst samen op te gaan, om te zien of het de moeite waard is de colonne te splitsen.

Deze rivier is zeer dicht bevolkt; overal huizen en tuinen; spoedig krijgen wij vriendschappelijke aanraking met de bewoners en ruilen sago, trossen pisang en ketella voor kleine stukjes blik of een enkele kraal. Heele drommen gewapende mannen snellen in den looppas vooruit, over de banken, onder het geroep van oewà-oewà-oewà-wà-wà, om dan plotseling als op commando keert te maken en als één massa weder op ons los te stormen, 't Leek vrijwel op een soort krijgsdans, dus hielden wij een oogje in het zeil en waren op eventueel omkeeren van hunne stemming voorbereid.

's Middags wordt bivak gemaakt op een 20 meter breede, droge strook aan den oever; daarachter begint een diep sagomoeras.

's Nachts zware regen, de rivier bandjirt sterk en wij hebben handenvol werk om geen prauwen te verliezen.

3 Juli. Gisteren hebben wij reeds gezien, dat de zijrivier A voldoende groot is om de colonne in tweeën te splitsen. Wij willen echter eerst nog bij de samenvloeiing een nauwkeurige plaatsbepaling nemen en de voornaamste toppen, die wij van uit Motorbivak peilden, hier ook nemen, zoodat wij dan reeds een vrij aardig overzicht krijgen van den loop van het bergland en van de richting der ketens.

Ten 8 uur zijn wij reeds ter plaatse en bouwen tegelijk met het bivak op eiken oever in een hoogen boom een stellage, van waaruit wij een goed uitzicht om de zuid hebben. De inl. verkenner wordt met een prauw, 2 fuseliers en 8 Papoea's uitgestuurd om nog een grooten zijtak te verkennen; dit blijkt echter geen zijrivier, maar een arm van de hoofdrivier te zijn. 's Avonds astronomische plaatsbepaling.

4 t/m. 6 Juli. De observatiestellingen komen gereed, doch 's morgens en 's avonds hebben wij zwaren regen, zoodat wij niets opschieten: den 5en Juli wederom geen uitzicht.

Den 6en begint hetzelfde, doch tegen den middag klaart het op, 't zonnetje breekt door; dit geeft hoop voor den avond tegen zonsondergang.

Ten twee uur 's middags worden Stroeve en ik gewaarschuwd, dat een groot aantal gewapende Papoea's zich verzamelen op een zandbank even boven het bivak. Er bleken reeds ongeveer 100 man te zijn; telkens kwamen nog meer prauwen vol krijgers aan. Voortdurend wordt door hen gezamenlijk de krijgsdans uitgevoerd. Ons bivak wordt gealarmeerd; ongewapende roeiers in het midden geplaatst met alle zeven soldaten er bij, terwijl Stroeve en ik den aanval meer naar voren zouden afwachten. Toen dan ook na circa een kwartier de 150 man sterke troep den aanval begon, vond zij ons gereed en werd zij gemakkelijk afgeslagen.

Tegen zonsondergang prachtig uitzicht op het gebergte, zoodat wij met het peilingswerk gereed komen. Morgen zullen wij ons splitsen in 2 colonnes, Stroeve zal de zijrivier A opgaan, ik de hoofdrivier.

7 Juli 1914. Het eerste vertrekt 's morgens Stroeve met 3 prauwen uit het "Splitsingsbivak." Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 3 inl. fuseliers, 12 Papoea's, 4 dwangarbeiders, totaal 20 man.

Daarna vertrekt mijne colonne in 4 prauwen. Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea's, 3 dwangarbeiders, totaal 27 man.

Ten 8 uur 30 min. steekt de laatste prauw af; de hoofdrivier buigt om de zuid en blijft den geheelen dag in zuidelijke richting loopen. Langs den geheelen oever nederzettingen en tuinen; op enkele plaatsen wordt aanraking met de bevolking verkregen en broodvruchten, suikerriet en sago geruild. Ten 12 uur 30 min. breekt de rivier door een heuvelketen heen en zijn wij op den rand der groote meervlakte. In de rivier bevinden zich reeds groote grintbanken. Ten 2 uur wordt bivak gemaakt.

8 Juli. 's Morgens vertrokken, hebben wij reeds spoedig te kampen met stroomversnellingen. De rivier-, oevers zijn heuvelachtig; de stroom zelf is minstens 1000 meter breed, wordt echter door grintbanken en eilanden dikwijls in vier of meer takken verdeeld. Op de steenbanken bevinden zich al brokken van 1/2 Meter. Het is opvallend, hoe snel het karakter van de rivier veranderd is. In de versnellingen vinden wij geen nederzettingen aan de oevers meer. Het water is nog altijd bruin en zanderig, het typische Mamberamowater. De begroeiing van den oever verandert eenigszins, glagah (riet) komt niet meer voor; behalve broodboomen, pandanus en pinang, treffen wij in het oerwoud op de heuvelhelling ook een soort naaldboomen en groote boom varens aan. Bij het bivak, dat wij op den achtermiddag maken, vind ik, op de jacht zijnde, een goed beloopen Papoeapad op den rechteroever.

9 Juli. 6 uur 30 min. vertrek; aan één stuk door versnellingen; 8 uur hebben wij een prachtig uitzicht op het Hooggebergte en blijkt, hoe dicht wij dit reeds naderen. Een grintbank wordt als observatiepunt gekozen en theodolietmetingen verricht. Tevens worden panoramaschetsen gemaakt.

Recht in het zuiden is een zwaar, diep ravijn, dat als het ware den ongeveer 3000 M. hoogen O-W. loopenden bergketen loodrecht snijdt. Dit moet vrij zeker de bedding der Rouffaerrivier zijn, zoodat deze dan zijn oorsprong op de Carstenstoppen zal hebben, in aanmerking genomen den grooten waterafvoer op dit punt.

Ten 1 uur wordt een linkerzijrivier B gepasseerd, die helder water afvoert en reeds bij de uitmonding grintbanken en versnellingen vertoont. Deze rivier zal voor later bewaard worden.

De Papoearoeiers doen hun best, maar zijn in dit versnellingterrein niet in hun element. Zeer langzaam gaan zij vooruit.

10 Juli. De rivier blijft breed met groote grintbanken, tot zij zich 's middags tegen 2 uur plotseling versmalt van 800 M. tot 100 à 150 M.

Dit is het punt, waar de rivier uit het gebergte treedt; de stroom wordt feller en de oevers steil, vaak loodrechte bergwanden, en het laat zich aanzien, dat aan den prauwentocht spoedig een einde zal komen, 's Avonds en 's nachts een astronomische plaatsbepaling.

11 Juli. De ware plaats wordt uitgerekend en de bergpeilingen der laatste dagen op de kaart bijgewerkt. Voor de roeiers is het vandaag rustdag.

12 Juli. Wij vorderen nog enkele K.M. om de zuid; de versnellingen worden echter voor de Papoea's te zwaar, zoodat ik besluit op een geschikt punt het Prauwbivak in te richten. Op een plek, waar langs de steile helling een helder stroompje naar beneden stort, wordt het woud opengekapt en een voorloopig bivak betrokken. Dit heldere water kwam goed te pas, want het water der hoofdrivier is modderiger dan ooit en heeft bijna een chocoladekleur. De rivier is hier ongeveer 60 M. breed.

13 Juli. Bivak verder openkappen en in orde brengen.

14 Juli. Ten 6 uur 30 min. vertrekken in 3 prauwen, terug naar Motorbivak--hetgeen in één dag te halen zal zijn--: 3 inlandsche fuseliers en 13 Papoea's, totaal 16 man, met bericht aan den Colonne Cdt. van het verloop van de verkenning.

Als bivakbewaking blijven over: 1 luitenant ter zee, 1 inl. verkenner, 1 inl. fuselier, 5 Papoea's en 3 dwangarbeider, totaal 11 man.

's Morgens wordt door mij de omtrek verkend, om een geschikt observatiepunt te vinden. Op de helling van een 1300 M. hoogen top, die zich vrij dicht bij den oever bevindt, wordt een boom gevonden, waarin een stelling kan worden gemaakt. Er kan dan om de Zuid en West uitzicht worden verkregen.

De Papoea's en dwangarbeiders maken het bivak verder gereed.

15 Juli. De Papoea's bouwen de boomstelling. Verdere bivak werkzaamheden. Het wemelt hier letterlijk van paradijsvogels; den geheelen dag hoort en ziet men hen; soms vliegen zij met vijf of zes tegelijk door het bivak.

16 t/m. 18 Juli. De boomstelling is gereed, doch er is voortdurend slecht zicht en de toppen komen niet uit de wolken.

19 Juli. Prachtig uitzicht. Het peilingswerk komt 's morgens geheel gereed; op ± 20 KM. om de Z.Z.W. ligt een naar ruwe meting klein 3000 m. hooge top op den linkeroever der rivier. De bergkammen, waarlangs deze top het vlugst te bereiken zal zijn, kan ik prachtig zien en het blijkt mij dat de beste plaats voor het begin der klimpartij is hooger de rivier op, voorbij de eerstvolgende linker zij-rivier. Het is echter de vraag of dit punt met prauwen bereikt kan worden.

20 Juli. Juist gereed zijnde om met een leege prauw en de 5 Biakkers de rivier hooger-op te gaan verkennen, komt van benedenstrooms een prauw in zicht en weldra is het 7 prauwen sterke transport onder een eur. sergeant en met ongeveer 45 man in het Prauwbivak.

Er was een schrijven van den kapitein Schultz, waarin deze mij schreef, met dit transport voldoende menschen en vivres te hebben gezonden, om zoo noodig den tocht dadelijk voort te zetten; doch indien mogelijk, eerst zelf nog in Motorbivak terug te komen om met hem en Stroeve over de te maken tochten besprekingen te houden. Nu, haast was er heelemaal niet; alles was volledig verkend en op een paar dagen kwam het niet aan.

21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea's en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.

Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.

4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.

Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.

Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.

De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.

22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.

Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.

Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.

Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.

Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.

De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.

24 Juli. 's Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren 's middags in Splitsingsbivak.

25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.

Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.

28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.

29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.

30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea's varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.

Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.

1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.

Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt 's middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.

3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.

De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.

7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.

Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.

10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.

14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.

17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.

19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.

20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)

22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.

23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26en Augustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.

Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en het Van Reesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.

Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.

Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.

Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.

Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.