Nieuw Guinee En De Exploratie Der Meervlakte De Aarde En Haar V

Chapter 3

Chapter 33,801 wordsPublic domain

Een mooi voorbeeld van een versnelling geven onze afbeeldingen van den Edival, waarbij het geheele golvende gedeelte den steenbank weergeeft; men ziet er stroomafwaarts. De tweede foto geldt voor lagen waterstand; duidelijk ziet men aan den witten bovenrand der rotsen, hoever de gemiddelde waterstand is. De eerste geldt voor hoogen bandjirstand; de op beide foto's met een kruisje gemerkte steenen zijn identiek.

Stroomopwaarts gaande kan men met vrucht van de "neeren" gebruik maken; dikwijls zijn zij vrij sterk en voeren ons gemakkelijk in de binnenzijde der versnelling, die daarna "genomen" wordt, zooals wij later nog uitvoerig zullen zien.

Dat wij met onze groote prauwentransporten geregeld in 4 dagen van Pionierbivak naar Batavia-bivak kwamen, een afstand van 75 K.M., is uitsluitend te danken aan handig gebruik maken van de sterke "neeren"; dat was dus ± 20 K.M. per dag, zeer veel in een rivier met zulke sterke versnellingen. De terugtocht duurde 8 uren, d.i. 1/5 van den opvaarttijd.

Wij vertrokken in den morgen, een mooien morgen, van Pionierbivak met de groote motorboot en twee prauwen, gesleept; vivres voor 3 dagen. Van het komende riviergedeelte tot de Marine-vallen bestond een schetskaartje, vervaardigd door den toenmaligen Luitenant ter Zee Rambonnet, commandant van Hr. Ms. Edi tijdens diens opvaart met de "Pionier" in 1909. Ons doel was, terwijl wij het karakter der rivier in oogenschouw namen, de motorboot zoover mogelijk te brengen, haar zoo noodig boven te laten, daar toch haar bestemming Bataviabivak was.

In den zijarm achter Havik-eiland kwamen wij moeizaam vooruit; het verval is hier vrij groot, de stroom sterk. Daarna schoten wij harder op; men houdt steeds vlak onder den oever, daar is de stroom gering; hieruit volgt tevens, hoe gemakkelijk men beslopen en bepijld kan worden. Bij het nemen der versnellingen, alleen met eigen motor-beweegkracht, dus zonder hulp van trektouwen, moesten wij wel in den vollen stroom op. Toen deze meer dan 5 1/2 mijl [12] werd, was hiermee ons eindpunt bepaald; dit was op ongeveer 1/3 van den afstand tot de Marine-vallen.

Waren we in dat opzicht teleurgesteld, ook om een andere reden viel de dag ons niet mee: de motor toch gaf aanleiding tot bezorgdheid.

Een motor heeft een koelpomp, die rivierwater ter afkoeling pompt langs de heete wanden der cylinders. Voor onze pomp (en ook later voor die van onze andere motorboot) bleek het rivierwater funest; doordat het zooveel slib bevatte, werd de goede werking der pomp gehinderd en raakten de pijpen verstopt.

Toen ons het euvel den eersten keer overkwam, waren we juist in het volle van een breede versnelling; de pomp gaf geen water meer, de motor werd heet. De machinist vroeg te stoppen; "nog een oogenblikje" werd er gezegd, "even uit den stroom onder den wal." Pang, pang, deed de motor. Stoppen, doch twee scheuren in de cylindermantels. Onverantwoordelijk? Ja, maar wie had dat verwacht! Tot onze groote verlichting bleken alleen de mantels gescheurd; water liep er zelfs niet uit; de cylinders waren heel, de motor kon draaien. Het was een waarschuwing eens en voor altijd; de pomp werd hierna nooit meer uit het oog verloren, doch wat dikwijls hebben we haar uit elkaar moeten nemen en hoeveel geduld heeft ze ons gekost? Eventueelen lateren explorateurs, die een modderrivier met motorbooten denken te bevaren, kan niet genoeg op het hart gedrukt worden: een sterke koelpomp, ongevoelig voor rivierslib.

Als "schip" hield de groote motorboot zich best in de versnellingen. Op een gegeven oogenblik raakten we in een kolk, de boot helde, de rivier zoog aan het schroefgedeelte. Het was een vrij unheimische gewaarwording, doch het bleek van geen belang; al draaiende kwamen wij vrij, doch één der gesleepte prauwen had het te kwaad gekregen en was volgeslagen, gekanteld en gaf aanleiding tot het verlies van eenige dwangarbeiders-eigendommen. De menschen werden opgepikt en zoo spoedig mogelijk werd op een rustig plekje de prauw weer recht gelegd en leeg gehoosd.

In den namiddag waren we weder thuis in ons groote dorp. Hadden we dan al opnieuw tot onze teleurstelling moeten ondervinden, dat onze motorboot geen hardlooper was en hadden we dan al met schade onze eerste pomp-ervaring opgedaan, we hadden de groote rivier gezien en hoe zij zich een bed, rijk aan natuurschoon, uitgeschuurd heeft door het Van Reesgebergte, welks ketens N.W.-Z.O. loopen.

Waar ons als leeken telkens en telkens de eigenaardige veranderingen in de oorspronkelijke ligging van den bodem opvielen, moet een geoloog hier wel een dankbaar arbeidsveld vinden. De mijningenieur Van Gelder maakte in 1909/10 de Expeditie Franssen Herderschee mede; bij ons Detachement was geen geoloog van professie; doch de eenige maanden later gearriveerde 1e Luitenant Feuilleteau de Bruyn, die een geologischen cursus had gevolgd, maakte eenige uitvoerige beschrijvingen.

Dezer dagen kregen wij ook af en toe bezoeken van Papoea's van omwonende of, beter gezegd, van toevallig tijdelijk in de buurt zijnde stammen. Door ons zooveel mogelijk op hun gemak gebracht, overwonnen zij weldra hun schuchterheid; hoewel altijd een open oogje houdende voor een gelegenheid tot eventueel noodigen terugtocht. Den eersten keer vooral waren zij met groot enthusiasme ontvangen; hier begon ons ethnografisch werk!

Na hen met diverse ruilartikelen in de meest rooskleurige stemming te hebben gebracht, begonnen wij zooveel mogelijk van hen te plukken. Vooreerst woorden. Door de Regeering van Nederlandsch-Indië worden gedrukte woordenlijsten, in een klein boekje vereenigd, uitgegeven, om mee te nemen bij elke expeditie of exploratietocht in onzen Archipel, ten einde op systematische wijze, waar de gelegenheid zich voordoet, taalgegevens te verzamelen. Omringd door een kring van onze bezoekers noteerden wij de woorden, die wij machtig konden worden. Vragen werden natuurlijk niet begrepen, doch al wijzende en met gebaren en vooral met heel veel geduld kwamen wij toch een heel eind. De Papoea's hadden vrij veel vermaak in dit geval en waren ten zeerste voldaan, als wij de goede uitspraak van een woord te pakken hadden; hun goedkeuring, i.a. elke sterke bevestiging, drukten zij uit door even kort de voorhoofdhuid op te trekken, om zoo te zeggen in dezelfde gevallen, waarin wij een kort knikje geven.

Het opschrijven der woorden vervulde hen niet met vrees, zij keken er met belangstelling naar; uit verschillende dingen kon men merken, dat zij reeds vroeger met blanken hadden omgegaan. Kralen en een enkele afgesleten parang waren ook reeds in hun bezit. Terwijl een aantal zich met ons occupeerde, snuffelden anderen rond, doch werden stevig in de gaten gehouden, daar wij wel begrepen, dat de verleiding groot was. Af en toe merkte men, dat er iets nieuws en "leuks" ontdekt was aan een levendig "èh, èh!", een veelbeteekenend lachen tegen elkaar, herhaaldelijk optrekken van het voorhoofd en met de vlakke hand slaan op het zitvlak.

Verschillend waren hun gelaatstrekken; heel anders dan het passieve, dat men in Indië i.a. bij den inlander aantreft. Hier had men met een vrij volk te doen, dat nooit geleerd had zijn gewaarwordingen te verbergen. Vrees, wantrouwen, verlegenheid, verrukking, vergenoegdheid, allen toonden het ons beurt om beurt. Daar waren domme, goedige gezichten; daar waren vlugge, intelligente trekken.

Verschillende "kleedingstukken" werden door hen gaarne afgestaan tegen begeerlijkheden uit onzen ruilvoorraad, waarin het practische oog parangs en bijltjes voor liet gaan, hoewel een mooie kralenketting toch ook niet te versmaden was. Tabak werd bovenal gaarne aanvaard; daar waren zij met recht dol op, deze Papoea's verbouwden zelf geen tabak. Toch komt de plant voor, daar, waar men haar het minst zou verwachten, nl. in het verste binnenland. Of de plant geïmporteerd is, weet ik niet, doch zeker is dat men kan zeggen, dat ze over een groot deel van Nieuw-Guinee bekend is. Het verging sommigen onzer bezoekers, zooals het kleine jongens vergaat, die voor het eerst een trekje doen: zij werden onpasselijk; de meesten evenwel hielden zich goed en vonden het rooken verbazend voornaam.

Vervolgens kwamen de heeren voor den fotograaf. Dames waren er niet, die bleven de eerste maanden veilig opgeborgen. Onze afbeelding geeft de twee krachtigsten onder onze bezoekers, den linkschen brutaal en zelfvoldaan, den rechtschen ongerust en verlegen. Beiden hadden rijkelijk de cascado-huidziekte; beiden waren overvuil en roken op 5 M. afstands alleronaangenaamst; dit is zonder overdrijving; beiden bewogen zich over het water, doch waarschijnlijk nooit er in. Het hoofdhaar mag een centimeter of vijf lang geweest zijn; het was doorvlochten met een cirkelend weefsel van rottankoord, wat aan den haartooi het aanzien van een pruik of hoedje gaf; des avonds wordt het haar geenszins "losgemaakt", dit gebeurt nl. nooit, dus maakt uw consequenties!

Om den hals of om het voorhoofd veelal een kransje, zoo al niet van kralen, dan van bamboevruchtjes; vaak ook een zakje van gevlochten melindjoe [13]-touw, een netje a.h.w., waarin eenige eetwaar als sago en een stukje varkensvleesch. Om het middel een touw van melindjoe-bast, een oneindig aantal malen om de heupen gewonden; deze meer beschaafde bezoekers hadden er als schaambedekking een doekje doorheen bevestigd, maar ook dit partijtje gaat nooit los. Een dergelijke menigvuldige omwinding, doch van de onderarmen, zagen wij bij andere stammen in deze buurt. Rond de bovenarmen en onder de knie vaak een ring van rottan of fijne boomvezels. Sommigen droegen ook "bretels".

Een onzer foto's toont al deze kleedingstukken. Daarin heeft men:

1. haarkransen van casuarisveeren, 2. kamvormige haartooi van houtjes, 3. armring, 4. halsring van bamboevruchtjes, 5. bosje pijlpunten voor kinderschiettuig, 6. "bretels", bestaande uit een buikband en twee schouderbanden, 7. buikbanden van gevlochten fijne rottan, 8. voorhoofdstooi van varkensribben, 9. drinkwaterflesch (kalebas), 10. "oneindige" buikgordel met "staartje", 11. fleschje (kalebas) voor kalk voor den sirihpruim, 12. halszakjes van boomvezels.

Men lette ook op het beentje, dat beide mannen dragen door het middenschot van den neus; dit is een matige versiering: wij kwamen later in het verre binnenland bij stammen, die te dezer plaatse de beide slagtanden van het wilde varken droegen, wat hun een woest en krijgshaftig aanzien gaf.

De kleur der Papoea's is zeer donker bruin; op de plekken der huidziekte wordt die kleur iets lichter. Eenigen hadden mondkost bij zich: sago, klappers, papaja's en laboe. De sago in groote klompen van 1/2 L. inhoud, een groot blok fijn meel; later zal over de sagowinning uitvoeriger gesproken worden. Klappers komen hier weinig voor; de palmen zijn dan afkomstig van de Noordkust, waar ze wel in grooten getale (geïmporteerd) voorkomen; men krijgt den indruk, dat de kokospalm geen inheemsche boom op Nieuw-Guinee is, in het diepe binnenland hebben wij hem nergens gezien. Papaja en laboe zijn op de Soenda-eilanden welbekend; waarschijnlijk ook op Nieuw-Guinee geïmporteerd.

Op de foto's ontbreken pijlen en bogen. Deze hadden zij dan ook neergelegd, toen hun schuchterheid overwonnen was. De bogen zijn van niboeng-hout, de pezen van rottan koord, lengte 2 M. De pijlen zijn even lang, van licht riet van 3/4 à 1 cM. dikte; de punt is er apart aan gebindseld en van bamboe of niboeng-hout. Bijna alle pijlpunten zijn van weerhaken voorzien, het indringingsvermogen is enorm, doch de zuiverheid van het schot niet groot en boven 20 M. klein te achten. Omtrent het al of niet vergiftigen van pijlen heb ik geen zekere gegevens. [14]

Waren onze bezoekers zonder veel moeite voor den fotograaf gehaald, voor den grammofoon waren ze bang. De psychische uitwerking was toch aardig om te volgen: eerst het gezang gehoord, nieuwsgierig er heen, voorzichtig genaderd, verrukt geluisterd, toen er achter gekeken; niets gezien, angstig geworden, afwerend met de handen gewenkt; wij stopten toen den grammofoon, waarna de rust wederkeerde.

De macht van het geweer was een enkelen bij herinnering bekend. Hij wees op het geweer, wees op een vogel, maakte een beweging van aanleggen, deed langgerekt en smartelijk "oooh!" en viel daarna een oogenblik neer. Hij had er blijkbaar grooten eerbied voor en wij probeerden dan ook maar niet hem of zijn metgezellen er mee te verschrikken.

Na eenige uren werd afscheid genomen; het genoegen was aan beide partijen.

Na de tweede helft der maand kreeg de koorts mij weer te pakken.

Den 18en December bleef ik om deze reden achter, toen kapitein Oppermann, vergezeld van onzen dokter, er opnieuw op uittrok. Noord-oostelijk van ons bivak lag een NW.-ZO. loopende heuvelrug, dien wij reeds van uit de rivier gezien hadden, naar schatting 400 à 500 M. hoog. Op onze eerste groote patrouille, die wij ons voorstelden te maken naar het Apauwargebied, als de "Valk" ons van meer menschen zou hebben voorzien, hadden wij dien rug over te trekken, wilden wij oostwaarts vorderen. Bovendien verwachtten wij van af den kam een ruim uitzicht naar het zuiden te hebben.

Om deze twee redenen dan werd tot het beklimmen van den rug nu reeds besloten, welks kam in éénen dagmarsch werd bereikt. De kapitein richtte er een klein bivak in en liet er kappen op twee verschillende punten. Uit deze punten kreeg men goed uitzicht naar het Zuiden, doch daar het kappen met de parangs niet zeer vlug ging, kwam er van het goede uitzicht voorloopig niet veel terecht. Vòòr er resultaten kwamen, verscheen de "Valk."

Dat was den 22en. Om een uur of tien in den morgen klonk het ongewone geluid van een stoomfluit over de rivier. Men hoorde van alle kanten opgewekt: "kapal datang!" [15] Na een kwartier verscheen zij om den hoek, de "Valk", en bracht het heele kamp in een vroolijke stemming. Daar verscheen Europa, al was het voor een korten tijd.

Het schip bracht veel vivres, veel materialen en ± 150 fuseliers en dwangarbeiders, bovendien 40 Dajaks. De Militaire Commandant van Ambon was aan boord om het Pionierbivak en de zaken aan den Mamberamo te inspecteeren.

Waren tot nu toe onze handen gebonden geweest door gebrek aan personeel, thans kon het mes van alle kanten snijden en kwam er aan het "gemodder" een einde. Een onzer stoomsloepen was meegekomen; hierdoor kwam de groote motorboot vrij om bij komende gelegenheid naar Batavia-bivak te worden gebracht.

Een kleine patrouille werd onmiddellijk uitgezonden om Kapitein Oppermann op de hoogte te brengen van de aankomst van den Majoor Gooszen; het bleek evenwel, dat de stoomfluit tot aan den heuvelkam was doorgedrongen en reeds denzelfden middag verschenen de Kapitein en de Dokter beneden.

IV.

Onze Dajaks.

Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.

In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.

Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was f 1.- per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.

In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.

Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.

Aan kleeding hebben zij niet veel "om het lijf." Een hoofddoek om het lange sluike haar, een "tjidako" om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.

Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.

Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aan te geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: "Gampang sadjah." [16] De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den "goeden" tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.

Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.

Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.

Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer 1/4 slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.

De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.

Elke Dajak heeft zijn "Rücksack." Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.

Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea's, maar het blad is wat smaller.

Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea's; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.

Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, "wij werken hard genoeg." En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij "het bijltje er bij neerlei."

Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.

Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein "raseerden"; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerden zij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.

Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: "Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak".

Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.

Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op 3/4 kg. daags, terwijl ons marschrantsoen 1/2 kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.

Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het "regiment" trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.

Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.