Nietzsche's Philosophie

Part 9

Chapter 93,593 wordsPublic domain

Het ideaal van het leven, zooals Nietzsche het zich voorstelt, komt in die dagen eenigszins het ideaal van den positivist nabij. Hij neemt aan, dat zich in de eerste dertig levensjaren van elk sterveling in zekeren zin eene evolutie herhaalt, die de geheele menschheid wellicht dertig duizend jaren heeft gekost. In zijne kinderjaren is de moderne mensch godsdienstig; dan verliest hij het geloof in God en de onsterfelijkheid en vindt hij gedurende eenigen tijd zijn steun in de strengere bekoring der metaphysica, doch ook deze bevredigt hem weldra niet meer en wordt hem gaandeweg slechts een aesthetisch geloof, eene warme vereering van de kunst. Ten slotte laat de wetenschappelijke geest zich meer en meer gelden en drijft den mensch tot een nauwkeurige studie van geschiedenis en natuur, en in den man der wetenschap, "den vrijen geest", die zich van alle illusie en vooroordeel heeft losgemaakt, ziet Nietzsche gedurende eenigen tijd het schoonste type der hoogstaande menschheid. De vrije geest is een "intellectueel pessimist" en moet eene sterke, moreele gezondheid bezitten om zich niet tot wanhoop en nihilisme te laten gaan, want niet ongestraft kan de mensch den sluier der dwaling, die hem van alle kanten omringt, verscheuren en de werkelijkheid in de oogen zien. "Het geheele menschelijk leven is diep in dwaling verzonken en het individu kan het uit die put niet verlossen zonder door en door vijandig gestemd te worden tegen zijn verleden, zijne tegenwoordige drijfveeren bespottelijk te vinden en met smaad en verachting neer te zien op de hartstochten, die ons doen hopen op de toekomst en op een toekomstig geluk." [74] Hij kan evenwel, zoo hij een moedig en energisch temperament bezit, in zijne wetenschap zelve de beweegredenen vinden om niet aan wanhoop toe te geven: pessimistische kennis bevrijdt hem n.l. van de zorgen, die den alledaagschen mensch vervolgen en, waar hij geen belang meer stelt in datgene, dat waarde heeft voor alle anderen, geniet hij te meer en te vrijer van het aanschouwen der dingen; vrij van alle vrees is het hem een genot boven de menschelijke beweging, boven gewoonten, vooroordeelen en wetten te zweven; hij leeft uitsluitend om zijne kennis te verrijken en vindt zijne grootste belooning in het begrijpen in en om zich van de noodzakelijke wetten der wereld-evolutie en wellicht een voorgevoel te hebben van wat de toekomst van het menschelijk geslacht beduidt. "Meent gij, dat zulk een leven met een dergelijk doel te moeilijk en van alle bekoring ontbloot is? Welnu, dan hebt gij nog niet ondervonden, dat er geen honig zoo zoet is als de honig der wetenschap en dat de drukkende wolken der droefheid als de zware borsten zijn, waaruit gij de versterkende melk zult putten. Wanneer dan de ouderdom komt, zult gij het begrijpen waarom gij de stem van die natuur zijt gevolgd, en hoe die natuur de wereld door het genoegen leidt. Het leven, welks toppunt de ouderdom is, heeft nog een tweede toppunt in de wijsheid, die de uitstraling van eene bestendige vreugde is en beide, wijsheid en ouderdom zult gij vinden op den top van uwen laatsten opgang, want zoo heeft de natuur het gewild. Dan slaat de ure,--berust er in--dat de nevel des doods nadert. Moge dan uwe laatste beweging een oprichten naar het licht en uw laatste zucht een zegelied der wijsheid zijn!" [75]

Van af 1882 echter begint de toon van Nietzsche's werken onmerkbaar te veranderen; wel zet hij tot het einde toe den strijd voort tegen de meeningen van zijn tijd en zoo draagt een zijner laatste werken, Götzendämmerung, den beteekenisvollen bijtitel: Wie man mit dem Hammer philosophirt en komen in de Genealogie der Moral en in de Antichrist somtijds ongehoorde aanvallen op het Christendom en op diens ascetisch ideaal voor, maar tusschen het oorlogzuchtig trompetgeschal, de kreten van woede en haat en de uitingen van bitteren spot door klinken nu de lyrische, geestdriftvolle tonen van een zegelied. Na vele jaren van ziekte en lijden, waarin hij van den eenen dag op den andere leefde in voortdurende afwachting van den dood, herademt hij en droomt hij weer van betere dagen. "Dit boek, zeide hij, sprekende van Die fröhliche Wissenschaft, dat in 1882 geschreven was, is slechts de vreugdekreet, die op lange dagen van ellende en onmacht volgde, het is de juichende zang van de wederkeerende krachten, het herlevend geloof in een morgen en een overmorgen, het plotseling besef en voorgevoel van een toekomst, die zich voor mij opende, van aanstaande avonturen, ruime zeeën en nieuwe doeleinden, waarnaar ik streven kon, waarin ik gelooven kon." [76] Hij ontkwam aan de heerschappij zoowel van de ziekte, die den horizon van zijn leven verduisterde, als van zijn onhandelbaren trots, die niet buigen wilde voor smart en zichzelf dwong het hoofd op te houden krachtens het fiere grondbeginsel, "dat een zieke het recht niet heeft pessimist te zijn." [77] Nu gevoelde hij de vreugdevolle opwinding van herwonnen gezondheid en het was hem als eene zonnige lente na een strengen winter. Die gemoedsstemming stond hem niet toe zich langer tevreden te stellen met het ideaal van den "vrijen geest", zooals hij het in zijn Menschliches beschreven had; want dien "vrijen geest" ontbrak het aan vreugde; het leed had hem eenigszins somber gestemd en hij had zich nog niet geheel losgemaakt van den geest der traagheid, van "dien hoogen, almachtigen demon, dien men als den meester der wereld beschouwt" [78]; hij kon nog niet "dansen" en zich vrij en vroolijk op den stroom van het leven bewegen. Dan ontwaakt in Nietzsche's denken een nieuw visioen van de toekomst en zijne kunstenaarsverbeelding toovert hem de schitterende figuur van den profeet Zarathustra voor, van den man, die, na een tienjarig verblijf in de woestijn, "waarin hij opging in het genot van zijn denken en zijne eenzaamheid", zich tot de menschheid begeeft om haar den godsdienst van den "Uebermensch" en den leer van het "Eeuwig Wederkeeren" te verkondigen, den man, die in zijn eenzame grot de zuiverste exemplaren der verhevene, maar lijdende menschheid, de "menschen van het groot verlangen, van de diepe verachting en van de grootste walging", die eenmaal plaats moeten maken voor den "Uebermensch", om zich heen vereenigt, hen van hun pessimisme geneest door hun het visioen der toekomst voor oogen te houden en ten slotte sterft op het oogenblik, dat hij den hoogsten graad van wijsheid bereikt en dat de zon van zijn bestaan in het zenith staat, op het groote "middaguur" den zegepraal van zijn leer met zijn dood bekrachtigende.

Het is ons doel in de beide volgende hoofdstukken een kort begrip van Nietzsche's philosophie te geven door eerst het negatieve gedeelte van zijne leer te verklaren, zijnde de kritiek over den hedendaagschen mensch en over diens overtuigingen en gevoelens, en daarna het positieve gedeelte: den godsdienst van den "Uebermensch" en van het "Eeuwig Wederkeeren". Ik weet, dat deze wijze van te werk gaan aan ernstige tegenwerpingen bloot staat, en wel in de eerste plaats, omdat Nietzsche's ideeën, onder systematischen vorm verklaard, een dogmatischen schijn verkrijgen, dien zij eigenlijk niet hebben en ook niet bedoelen. Zeker is het althans, dat Nietzsche's denken van 1878 tot 1888 niet onveranderd is gebleven; hierboven toonde ik aan, dat er tegen 1882 een groote keer in kwam en zonder moeite zou men tusschen de tijdruimten van 1878 tot 1882 en die van 1882 tot 1888 nog andere meer of minder belangrijke afwijkingen kunnen aantoonen. Daarbij is Nietzsche geen schoolphilosoof en wil hij het ook niet zijn. De waarheid op zichzelve is hem geheel onverschillig; het is hem niet te doen om stellingen te bewijzen door logische argumenten en nog minder om een fraai samenhangend, goed geordend systeem ineen te zetten en evenmin geeft hij zich de moeite de meeningen, die hij als fout beschouwt, door beredeneering te weerleggen. Zijn wijze van procedeeren is steeds dezelfde; hij zegt: "Mijn gevoel doet mij in dezen of genen mensch of menschengroep ontaarde of verachtelijke wezens zien of wel in een of andere theorie of meening een ziekelijk beginsel vinden en ik strijd er tegen zooals men tegen een natuurlijke plaag of eene ziekte strijdt. Wanneer het dan waar is, dat ik een levensbeginsel vertegenwoordig en mijn tegenstanders daarentegen een stervensbeginsel, komt mij noodzakelijk de overwinning toe; in het tegenovergesteld geval moet ik niet minder noodzakelijk vallen en daar ik slechts één ding wil, den triomf van het leven, zal ik mij zoowel over mijne overwinning als over mijne nederlaag kunnen verheugen; al het overige is mij onverschillig."

Is het dus niet onvoorzichtig een "systeem" van Nietzsche te vormen, zooals men er een van Kant of Schopenhauer vormt, terwijl men opmerkt hoe weinig plaats de logische waarheid innam in zijne overwegingen?

Zoo ik er dan toch toe overging, in plaats van Nietzsche's werken stuk voor stuk te beschouwen, een algemeen overzicht te geven van de voornaamste vraagstukken, die hij behandelde, en van de oplossingen, die hij er aan gaf, is dat in de eerste plaats omdat Nietzsche herhaalde malen op dezelfde vraagstukken terugkwam; eerst gaf hij het probleem vluchtig aan, om het daarna weer op te nemen, het te onderzoeken en er zich in te verdiepen, totdat hij er een besliste oplossing voor gevonden had. Door nu zijne werken elk afzonderlijk te ontleden, loopt men kans telkens weer aan de uiteenzetting van dezelfde onderwerpen te beginnen. En daarenboven, wat voor mij trouwens de voornaamste reden is, al schat Nietzsche de logica niet hoog en al hecht hij niet aan het zoeken naar de waarheid op zichzelf, zoo wil dat geenszins zeggen, dat zijn denken onsamenhangend en onlogisch was--verre van dien. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat Nietzsche wel degelijk een systeem van nauw samenhangende denkbeelden heeft uitgedacht en dat hij het alleen niet onder systematischen vorm heeft gebracht, omdat zijn gezondheidstoestand hem dwong zijne gedachten te uiten in den vorm van aphorismen, die hij uit het hoofd en al loopende, zonder schrijven, kon opstellen, terwijl het hem om zuiver materieele redenen onmogelijk was de uitvoering van groote werken te ondernemen. Het is trouwens opmerkelijk, dat de werken uit het laatste gedeelte van Nietzsche's leven van eene veel nauwkeuriger bewerking getuigen dan die van 1872 tot 1882: Zur Genealogie der Moral is ondanks de uitwendige verdeeling in aphorismen wel degelijk een "verhandeling", en zoo zou ook Der Wille zur Macht, te oordeelen naar het eerste gedeelte, dat alleen afgemaakt werd, een veel systematischer werk zijn geworden dan al de vorige. Ik meen dus Nietzsche's denken niet verkeerd voor te stellen door het onder den van zelf eenigszins kunstmatigen vorm van eene soort philosophisch leerstelsel weer te geven, ook al heeft hij zelf die wijze van verklaring nooit gekozen. Ik zal trouwens trachten mijnen lezers door menigvuldige citaten eene sprekende voorstelling te geven van dat werk zoo vol kleur en leven en zoo vrij van alle schoolsche pedanterie, waarin men bij elke bladzijde gevoelt, dat de schrijver hart en ziel gelegd heeft in de studie der vraagstukken, die, volgens zijn schilderachtige uitdrukking, een borstelige huid vol stekels hebben, weinig geschikt om geaaid en gestreeld te worden.

HOOFDSTUK IV.

NIETZSCHE'S SYSTEEM.

NEGATIEF GEDEELTE: DE MENSCH.

I.

Elk tijdperk, elke beschaving bezit, wat Nietzsche noemt, zijne "waardetafel", wat zeggen wil, dat het de hierarchie der waarden erkent, de eene zaak boven de andere stelt en de eene daad boven de andere verkiest; zoo staat, om een voorbeeld te noemen, naar het oordeel van dat tijdperk waarheid boven dwaling en gaat een daad van medelijden boven een wreede daad. De bepaling van die waardetafel nu, en in het bijzonder het vaststellen der hoogste waarden, is het hoofdfeit der wereldgeschiedenis, omdat die rangschikking der waarden de bewuste of onbewuste handelingen van elk individu bepaalt en ons oordeel over die handelingen rechtvaardigt. Het vraagstuk der waardebepaling staat dus voor den wijsgeer bovenaan en Nietzsche heeft er zijne beste krachten aan gewijd. De slotsom zijner overpeinzingen was als volgt: de waardetafel, die door de hedendaagsche Europeesche beschaving erkend wordt, is verkeerd opgesteld en moet van onderen tot boven herzien worden; men moet beginnen met het "omwerken van alle waarden" (Umwerthung aller Werthe), bijgevolg moet men de orientatie van ons geheele leven veranderen en de hoofdbeginselen, waarop al onze meeningen berusten, wijzigen. Tegen het einde van zijn bewust leven zag Nietzsche's verbeelding, die door de steeds toenemende duisternis, die hem omringde, of wellicht ook door de nadering van de crisis, waarin zijn verstand ten onderging, ten hoogste overspannen was, in die philosophische revolutie het uitgangspunt van eene ontzaglijke omwenteling der menschheid. "Ik zweer u, zoo schreef hij aan Brandes op 20 Nov. 1888, dat de gansche aarde over twee jaren in stuiptrekkingen zal terneerliggen. Ik ben een noodlot.... Ich bin ein Verhängniss." [79]

De moderne mensch plaatst aan het hoofd zijner waardetafel een zeker getal absolute waarden, die hij boven alle bespreking acht en die hem tot maatstaf voor de waardeering der werkelijkheid dienen. Onder die algemeen erkende waarden zijn b.v. het Ware en het Goede begrepen, want zoo een feit ons ooit onbetwistbaar voorkomt, is het wel, dat waarheid beter is dan leugen; kan men van eene of andere bewering of theorie bewijzen, dat zij onjuist is, dan ontneemt men haar alle geloofwaardigheid en het geloof in waarheid en oprechtheid ten koste van alles is wellicht een van onze meest gevestigde overtuigingen. Zoo hebben zelfs de stoutste denkers bevreesd stilgestaan voor het probleem van goed en kwaad: Kant zag de waarheid, die boven alle rede en alle bespreking stond, in het bestaan van zijn categorisch imperatief, "handel zoo, dat uw gedrag tot algemeenen regel gesteld kan worden." En zelfs Schopenhauer, al critiseerde hij de Kantsche theorie van den plicht, erkende toch, dat alle menschen het praktisch er over eens zijn, den inhoud der moreele wet samen te vatten in: Neminum laede, immo omnes, quantum potes, juva: "Doe niemand kwaad en help anderen zooveel gij kunt." De wijsgeeren hebben de wettigheid der moreele overtuigingen nooit in twijfel durven trekken en hebben zich alleen opgehouden met het zoeken naar "den grondslag der moraal", naar het redelijk waarom (dat er praktisch niets toe doet) van het oordeel, dat voortdurend over alle menschelijke daden uit naam van het "moreel geweten" geveld wordt en waarvoor de geheele wereld vol eerbied buigt. Tegen die overtuigingen nu, die in onzen tijd het innerlijk leven van bijna alle menschen beheerschen, tegen de vereering van de waarheid en den godsdienst der moreele wetten trekt Nietzsche ten strijde; in plaats van die overtuigingen eerbiedig aan te nemen als een feit, waarover niet valt te twisten, en te erkennen als eene autoriteit, wier bevoegdheid men zonder heiligschennis niet kan onderzoeken, beschouwt hij haar eenvoudig als een vraagstuk en ziet hij er niet tegen op zich helder af te vragen: Waarom liever waarheid dan dwaling? waarom liever goed dan kwaad? En na het vraagstuk aldus gesteld te hebben, lost hij het met dezelfde stoutmoedigheid op en kiest als gedragsregel voor den waarlijk vrijen mensch de leus van die geheimzinnige orde der "Moordenaars", die de kruisvaarders in het Heilige Land ontmoetten: "Niets is waar; alles mag."

Voor Nietzsche zijn dan ook al die metaphysische, geheimzinnige en bovenmenschelijke wezenlijkheden, wier bestaan de mensch te allen tijde om zich heen heeft verondersteld en die hij onder verschillende namen als "God", de wereld der "Dingen op zichzelf", de "Waarheid" en het "Categorisch Imperatief" vereerd heeft, niet anders dan spoken onzer verbeelding. De onmiddellijke en eenige werkelijkheid, die het ons gegeven is te kennen, is de wereld van onze verlangens en hartstochten. Al onze daden, onze luimen en onze gedachten worden ten slotte door onze neigingen beheerscht en die neigingen komen alle weer voort uit één enkele oorspronkelijke neiging, de wil tot macht, die, volgens Nietzsche's hypothese, op zichzelf alleen voldoende is om alle levensuitingen, waarvan wij getuige zijn, te verklaren. Elk levend wezen, hetzij plant, dier of mensch, tracht in eigen kracht te winnen door andere wezens en andere krachten aan zijn heerschappij te onderwerpen en die aanhoudende poging nu, die voortdurende strijd, waarin elk wezen telkens weer zijn eigen leven op het spel zet om in kracht toe te nemen, is de grondwet van ons bestaan. Alle openbaringen van het leven worden zonder uitzondering door neigingen bestuurd; streeft de mensch naar deugd, waarheid of kunst, zoo heeft hij dat alleen te danken aan eene natuurlijke neiging, die hem ter eigen voldoening tot eene bepaalde wijze van handelen drijft en zoo is ook de waarheid, waaraan de geleerde zijn leven offert, oorspronkelijk te danken aan den wil tot macht, die zijne heerschappij wil vergrooten. Door eene zonderlinge afwijking echter is de mensch er toe gekomen dat, wat hij ter bevrediging van eigen behoeften zelf geschapen had, als zijn ideaal te aanbidden en in plaats van te zeggen: "Ik leef om mijne neigingen te bevredigen en krachtens die wet zal ik het goede en de waarheid zoeken naarmate mijn wil tot macht het mij toestaat", neemt hij als beginsel aan: "Het goede en de waarheid moeten ter wille van henzelve gezocht worden; men moet het goede doen, omdat het het goede is en naar waarheid streven uit liefde voor de waarheid; het leven van den mensch heeft slechts waarde naarmate hij zijn eigen belangen aan dat ideaal doel weet te onderwerpen en hij moet dus in naam van dat ideaal zijne persoonlijke neigingen beteugelen en zelfzucht als een kwaad beschouwen."

De mensch nu, die aldus redeneert en daarnaar handelt, wordt in werkelijkheid ook door zijn neigingen daartoe gedreven, want neiging is ten slotte de drijfveer van al onze handelingen, alleen zijn zijne neigingen bedorven.

De neigingen der menschen zijn trouwens niet alle even gezond; enkele zijn normaal en helpen de levenskracht vermeerderen, maar andere weer zijn ziekelijk en werken verzwakkend. Lichamelijke ziekten hebben natuurlijke oorzaken en ontwikkelen zich volgens de wetten van het organisme, maar zij eindigen toch met het lichaam te verwoesten en moeten dus door den medicus bestreden worden. Evenzoo gaat het met de ziekten der persoonlijkheid: zij hebben een natuurlijken oorsprong, maar hunne gevolgen zijn er niet minder noodlottig om. Naarmate nu in het gegeven individu normale of ziekelijke neigingen den boventoon voeren, zal hij een schoon exemplaar der menschheid of een ontaarde worden. Men vindt dus aan den eenen kant menschen, die gezond naar lichaam en ziel zijn, die "ja" zeggen tot het bestaan, die zich gelukkig gevoelen in het leven en waardig zijn dat leven te doen voortduren, en aan den anderen kant vindt men zieken, onmachtigen, decadenten, wier levensinstinct verminderd is en die "neen" zeggen tot het bestaan, menschen, die tot den dood en het niet-zijn overhellen en niet langer trachten, of althans niet moesten trachten, het leven te doen voortduren.

Dat is een natuurlijke physiologische waarheid, waartegen niets te zeggen valt: het leven verkeert inderdaad in een staat van vooruitgang of van verval en het neemt toe of af in kracht; de mensch is een plant, die het eene oogenblik ellendig voortsukkelt en het andere schitterend ontluikt, van alle kanten krachtige loten uitwerpend. Op die waarheid nu grondt Nietzsche zijn waardetafel.

Hij redeneert als volgt: "Ik weet niet of het leven op zichzelf goed of slecht is; niets is feitelijk zoo onnut als het eeuwigdurend getwist tusschen optimisten en pessimisten en wel om de goede reden, dat niemand ter wereld in staat is de waarde van het leven te beoordeelen: de levende mensch niet, omdat hij deel van het debat uitmaakt en zelf het voorwerp van het geschil is, en de doode evenmin, omdat hij dood is. [80] Niemand kan dus zeggen wat het leven in zijn geheel waard is en ik zal te eeuwigen dage niet te weten komen of het beter voor mij ware te zijn of niet te zijn. Van af het oogenblik echter, dat ik leef, wil ik, dat het leven in en om mij zoo overvloedig, zoo weelderig en zoo tropisch mogelijk zij. Ik zal dus "ja" zeggen tot al wat het leven schooner maakt en het meer waarde en intensiteit geeft. Zoo het mij duidelijk wordt, dat dwaling en illusie tot ontwikkeling van het leven dienen kunnen, zal ik "ja" zeggen tot dwaling en illusie en zoo ik de overtuiging heb, dat neigingen, die door de actueele moraal met den naam "slecht" bestempeld worden, als hardheid, wreedheid, sluwheid, brutale vermetelheid, een twistziek humeur, strekken tot vermeerdering der menschelijke levenskracht, zal ik "ja" zeggen tot kwaad en zonde; en zoo mij bewezen wordt, dat leed zoowel als genoegen de opvoeding van het menschelijk geslacht bevordert, zal ik "ja" zeggen tot het leed. Daarentegen zal ik "neen" zeggen tot al wat de levenskracht der menschelijke plant vermindert en zoo ik ontdek, dat waarheid, deugd, het goede, alle waarden in één woord, die tot nog toe door den mensch gehuldigd en eerbiedigd zijn, het leven benadeelen, zal ik "neen" zeggen tot de wetenschap en de moraal."

In het volgend hoofdstuk zullen wij nagaan op welke wijze zich, volgens Nietzsche, de hedendaagsche waardetafel gevormd heeft, vanwaar die waarden afkomstig zijn en welken zielstoestand zij bij den modernen Europeaan openbaren.

II.

"In den loop van mijne zwerftochten door de talrijke soorten van verfijnde of grove moraal, die tot nu toe op aarde geheerscht hebben of er nog heerschen, heb ik enkele trekken opgemerkt, die mij samenhangend voorkwamen en die steeds tegelijk te voorschijn traden, zoodat zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden, die door een aanzienlijk verschil gescheiden waren. Er bestaat een "Herrnmoral" en een "Sklavenmoral". De bepaling der waarden is tot stand gekomen òf in een ras van overheerschers, dat zich bewust was van den afstand, die het van het onderdrukte geslacht scheidde en daarop trotsch was, òf te midden van onderdanen, slaven en minderen van alle soort." [81]