Part 8
Nietzsche schijnt een buitengewoon sterk gestel gehad te hebben, evenals allen van zijn geslacht en zijn eenig gebrek was eene groote bijziendheid, die hem zoowel gedurende zijne studie als in zijne militaire dienstjaren zeer hinderlijk was. Zijne gezondheid schijnt eerst verminderd te zijn naar aanleiding van de ernstige ziekte, die hij in 1870 uit Frankrijk meebracht. Van af dat oogenblik openbaarden zich bij hem periodieke hoofdpijnen, gepaard gaande met braken, maag- en oogpijnen. Reeds in 1875 werden die aanvallen ernstiger en gedurende den winter, vooral tegen December en Januari deden zij zich zeer hevig gevoelen. De winter van 1876 op 1877, dien Nietzsche in het Zuiden doorbracht, schonk zijne ziekte geen duurzame beterschap. In 1879 keerden de aanvallen menigvuldiger en heviger terug dan te voren: van af Januari 1879 tot Januari 1880 telde Nietzsche honderd achttien dagen van vreeselijke pijnen. Zoo bracht hij drie jaren tusschen leven en dood door zonder zich te laten ontmoedigen in den strijd tegen de pijn, die hem martelde, besloten om te leven en zijne philosophische taak af te maken; gedurende het ergste zijner ziekte werkte hij zelfs aan een deel aphorismen Morgenröthe (1880-1881), dat, zooals hij later zei, geschreven werd "met een minimum van kracht en gezondheid." En in zijne energische kracht slaagde hij er in zijne pijn te overwinnen. Van af 1882 kwam er eene merkbare verbetering in zijnen toestand; zijne winters bracht hij in het Zuiden door bij Genua of Nice en zijne zomers in den hoogen Engadin, waar hij zich zeer hechtte aan het dorpje Sils-Maria. Dank zij die voorzorgen leidde hij een vrij dragelijk leven, dat hij aan eene intense letterkundige productie wijdde. Hij schreef en gaf achter elkander de volgende werken uit: Die fröhliche Wissenschaft (1881-1882), de vier deelen van Also sprach Zarathustra (1881-1885), Jenseits von Gut und Böse (1885-1886), Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift (1887). En in 1888 verdubbelde zijn intellectueele ijver: al werkende aan het groote werk, waarin hij de besliste uiting zijner denkbeelden wilde weergeven, Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwerthung aller Werthe, schreef hij in het voorjaar Der Fall Wagner (Mei en Juni), 's zomers de Dithyramben an Dionysos (Augustus) en Götzen-Dämmerung oder wie man mit dem Hammer philosophirt (einde Augustus, begin September); van 3 tot 30 September schreef hij het eerste deel van Der Wille zur Macht, Der Anti-Christ en tegen half December redigeerde hij nog Nietzsche contra Wagner.... Eenigen tijd daarna, in de eerste dagen van Januari brak de waanzin uit.
Niet met juistheid kennen wij de ziekte, waaraan Nietzsche geleden heeft en zij schijnt ook de doktoren, die hem behandelden, in verlegenheid gebracht te hebben. Zijne zuster, die hem meermalen met bewonderenswaardige toewijding heeft opgepast, geloofde, dat zijne ziekte accidenteel en niet aangeboren was: naar haar oordeel lag de oorzaak in de ziekte, die hij in 1870 in de ambulance had opgedaan en waarna hij, in plaats van langen tijd rust te zoeken tot herstel van de ondervonden physieke en moreele schokken, slechts half beter zijnde, opnieuw aan het werk was getogen. Volgens mevrouw Förster-Nietzsche was de gezondheid van haren broeder langzamerhand vernietigd door overwerking, gepaard aan slechte hygiène en misbruik van medicamenten. Toch is het moeilijk, wanneer men den aard van Nietzsche's ziekte kent, geheel de hypothese van een erfelijken invloed van zich af te zetten, en Nietzsche zelf bedroog zich daaromtrent niet, want hij was er van overtuigd, dat de kiem zijner ziekte van zijnen vader kwam en gedurende zijn hevige crisis in 1880 verwachtte hij elk oogenblik "de cerebrale congestie" die hem uit zijn lijden zou verlossen. [68] Hieruit mag men echter niet besluiten, dat in Nietzsche de waanzin verborgen gehuisd heeft gedurende zijn geheele leven en op al zijne werken invloed heeft uitgeoefend. Weliswaar heeft het gerucht geloopen, dat Nietzsche herhaalde malen in een gesticht werd geïnterneerd en "dat hij zijne voornaamste werken geschreven zou hebben tusschen twee verblijven in een krankzinnigengesticht" [69], maar die praatjes zijn zoowel door Nietzsche zelf in het laatste jaar van zijn bewust leven [70] als door de personen zijner omgeving aan wier getuigenis men zonder bepaalde tegenbewijzen moeilijk zou kunnen twijfelen, categorisch weerlegd. Zelfs schijnt de ziekte, ook gedurende de hevigste aanvallen, bij hem geen enkele intellectueele dwaling te hebben veroorzaakt, welk feit herhaaldelijk door Nietzsche, zoowel als door zijne zuster bevestigd werd. Zoo schreef hij in 1888: "Gedurende de martelingen, die mijn hoofd mij deed ondergaan, gepaard met brakingen drie dagen achtereen, behield ik eene buitengewone helderheid van denken en kon ik met groote koelbloedigheid vraagstukken oplossen, waarvoor ik in normalen toestand, de noodige vlugheid of scherpzinnigheid, de noodige koelheid van hoofd mis.... Alle ziekelijke troebelen van het verstand, zelfs die halve verdooving, die koorts meebrengt, zijn mij tot den huidigen dag vreemd gebleven." [71] "Mijn pols," schreef hij ook, "was even langzaam als die van Napoleon I (= 60)." Toch dient gezegd te worden dat Nietzsche's voornaamste werken behooren tot de dagen tusschen 1882 en 1887 toen zijn toestand veel beter werd. En ten slotte blijkt het, dat zijn waanzin zeer plotseling is uitgebroken. Noch in zijne geschriften, noch in de brieven, die hij einde 1888 tot den beroemden Deenschen criticus Brandes richtte, kan men het minste teeken van waanzin vinden: hoogstens vindt men in de allerlaatsten eenige symptomen van ziekelijke opwinding. Daarentegen liet een briefje, dat hij op 4 Januari 1889 aan Brandes schreef, geen twijfel meer toe omtrent Nietzsche's geestestoestand: [72] dat was wel het werk van een krankzinnige.
Bovenstaande feiten vernietigen m.i. allen twijfel: Nietzsche's werken werden geschreven ten tijde, dat hij nog in het volle genot zijner vermogens verkeerde. Wil men niettemin toch geen waarde hechten aan zijne leerstellingen onder voorwendsel, dat zijn verstand, alvorens geheel tot waanzin over te slaan, reeds aangetast kon wezen door die ziekte, dan blijft dat toch niets meer dan eene mogelijkheid, die door geen enkel positief feit gestaafd wordt. Hoogstens kan men er uit afleiden, dat men Nietzsche's theorieën met buitengewone omzichtigheid moet onderzoeken alvorens die aan te nemen; maar dwingt de meest elementaire intellectueele eerlijkheid ons niet tot een zelfde onderzoek bij elke philosophische theorie? Of wil men reeds bij voorbaat Nietzsche's theorieën verzwakken onder voorwendsel, dat zij het werk waren van een zieke, een "ontaarde" en dat zij bijgevolg niet anders kunnen zijn dan "ongezond"? Niets komt mij echter onvruchtbaarder voor dan twee soorten van genieën te willen onderscheiden, de "gezonde" en de "ziekelijke" genieën, daar het mij toch geheel onmogelijk schijnt de juiste grenslijn tusschen beide categorieën te bepalen. "Er bestaat geen gezondheid op zichzelve," zegt Nietzsche, "en alle pogingen om een dergelijk iets te bepalen, hebben jammerlijk gefaald. Gij moet rekening houden met uw doel, uwen horizon, uwe krachten, uwe neigingen en uwe dwalingen en bovenal met de innige overtuiging en de droombeelden van uwe ziel; dan eerst kunt gij beslissen wat, ook voor uw lichaam, het woord gezondheid beduidt. Er bestaan dus ontelbaar veel soorten van gezondheid van het lichaam en hoe grooter de mogelijkheid wordt voor het individu om het hoofd op te heffen, zooveel te meer zal het dogma van "de gelijkheid aller menschen", het begrip van eene "normale gezondheid" te niet gaan en bij de medici dat van een "normale hygiëne" en den "normalen loop eener ziekte" verflauwen. Dan eerst zal de tijd gekomen zijn om over de gezondheid en de ziekte der ziel na te denken en in beginsel vast te stellen, dat ieders eigen deugd de gezondheid zijner ziel is en in dat geval zal het zeer wel mogelijk zijn, dat die gezondheid bij den een gelijkt op datgene, dat bij den ander juist ongezond is. Dan nog rest de groote vraag, te weten of wij zonder ziekte zouden kunnen leven, juist met het oog op de ontwikkeling van onze deugd, en of de zieke ziel niet even onmisbaar is voor onze dorst naar zelfkennis en zelfbewustzijn als de gezonde, kortom, of het willen van uitsluitend gezondheid niet een vooroordeel en eene lafheid zou zijn, wellicht een zeer verflauwd overblijfsel van barbaarschheid, een reactionnaire neiging." Onder bovenstaande voorwaarden zullen wij geheel onpartijdig Nietzsche's theorieën kunnen bestudeeren; wij weten alleen, dat zij het werk van eene buitengewone natuur waren, en zijn besloten dat werk met evenveel onafhankelijkheid van geest te onderzoeken als wij gedaan zouden hebben wanneer de schrijver in plaats van lange jaren aan waanzin te hebben geleden, in 1889 neergeveld ware door de beroerte, die hij reeds negen jaren vroeger verwachtte, in welk geval waarschijnlijk niemand er aan gedacht zou hebben in zijn werk de hersenschimmen van een krankzinnige te zien.
II.
"Mijne formule voor de grootheid van een mensch," schreef Nietzsche in zijn dagboek van 1888, is amor fati: geen enkel feit willen veranderen. Noch in het verleden, noch in de toekomst, tot in de eeuwigheid niet; niet alleen het noodlot verdragen, nog minder het verhelen--alle idealisme is een leugen tegen het noodlot--maar het "lief hebben." Zoo leert ook Zarathustra aan zijne volgelingen:
"De wil is eene scheppende kracht. Al "dat is zoo" blijft slechts een fragment, een raadsel, een verontrustend toeval tot den dag, waarop de scheppende wil zegt: "Ik wilde het zoo!", tot den dag, waarop de scheppende wil zegt: "Ik wil het zoo! Ik zal het altijd zoo willen!" Overeenkomstig deze moraal wist Nietzsche zijne ziekte te willen; hij leed zonder zwakheid of zwetserij, zonder te pronk te loopen met zijne smarten, zonder tragischdoenerij en zonder wanhoop; zijn eenig streven was zooveel mogelijk voordeel te trekken uit de smarten, die hij leed en zoo goed mogelijk het leven, zooals het hem gegeven was, te ontginnen. Het staat niet aan ons hem te beklagen, want niets geeft ons het recht hem ons medelijden op te dringen, maar hij heeft recht op onzen eerbied.
De eerste weldaad, die hij in zijne ziekte vond was, dat zij hem verloste van zijn professoraal en philologisch "vak", want sedert lang reeds was hem zijne levenswijze te Bazel te veel en hij gevoelde duidelijk, dat niet de philologie, maar de philosophie zijn levensdoel was. "Dat is zeker, schreef hij in 1875, dat het feit van een enkelen regel geschreven te hebben, die waard is door de toekomstige geleerden verklaard te worden, mij veel zwaarder weegt dan de lof van den grootsten criticus."
En naarmate zijne ware bestemming hem duidelijker werd, gevoelde Nietzsche, dat zijn werkkring aan de universiteit hem tot last werd, want om plichtmatig zijne betrekking te vervullen, offerde hij zijne beste uren op aan eene studie, die van weinig of geen belang was voor de groote taak, die hij zich ten doel had gesteld.
Zijne ziekte bespaarde hem de pijn, die alle breken met het verleden meebrengt en dwong hem tot een geheel ander leven; voortaan verkeerde hij in de grootste eenzaamheid en alle lezen werd hem jarenlang onmogelijk; hij was gedwongen tot rust en nietsdoen en dientengevolge keerde hij in tot zichzelve en stond alleen tegenover zijne ikheid. En die ikheid, die vroeger verstoord werd door het uitwendige leven, die begraven werd onder eene opeenhooping van geleerdheid en door vreemde invloeden werd belemmerd, die ikheid begon opnieuw te spreken, eerst zacht fluisterend, dan luider en luider: "Nooit, zegt Nietzsche in zijn dagboek van 1888, heb ik mijzelve meer vreugde geschonken dan gedurende mijne smartelijkste lijdensjaren.... Die "terugkeer tot mijzelve" was mij als eene hoogere genezing! De physieke genezing was er slechts een gevolg van."
Ook nog uit een ander oogpunt wist Nietzsche partij te trekken van de levensvoorwaarden, die zijne ziekte hem voorschreef; hij heeft n.l. genoeg geestkracht gehad om in zijn zorgwekkenden gezondheidstoestand een bijzonder belangrijk psychiologisch verschijnsel te zien en zichzelf waar te nemen met de koelbloedigheid en de objectiviteit van den geleerde, die een merkwaardig "object" onderzoekt. Gewoon als hij was eene philosophie niet als een geheel van abstracte, onpersoonlijke waarheden te beschouwen, maar als de uiting van een temperament, van eene persoonlijkheid, overwoog hij van zelf met bijzondere belangstelling het volgend vraagstuk: Welken invloed oefenen gezondheid of ziekte op het denken van den wijsgeer uit, want wanneer het lichaam, onze "groote rede" lijdt, moet onze "kleine rede" onvermijdelijk het gevolg van dat lijden ondervinden; dientengevolge kan men de verschillende philosophische leerstellingen niet langer beoordeelen naar de hoeveelheid objectieve waarheid, die zij inhouden, maar moet men ze beschouwen als pathologische verschijnselen; men kan zich dan afvragen of deze of gene theorie of overtuiging een teeken van gezondheid of wel van verval is bij hem, die haar verkondigt.
Nu zal het natuurlijk een denker des te gemakkelijker vallen dat vraagstuk op te lossen, naarmate hij bij ondervinding meer of minder verschillende gezondheidstoestanden heeft doorgemaakt en dientengevolge in zekeren zin meer of minder philosophieën heeft "doorleefd". Nietzsche ging dus met wetenschappelijke nieuwsgierigheid, die in zijn geval van zekere grootheid getuigde, na welke de uitwerking was, die zijne ziekte op zijne denkbeelden veroorzaakte en op welke wijze het physiek lijden in zijn denken weerklank vond.
In de eerste plaats merkte hij op, dat het lijden hem wantrouwend stemde ten opzichte van het leven en hem weerspannig maakte tegen de troostende en verfraaiende droombeelden, die zoo welkom zijn aan hen, die het leven goedertieren behandelt. "Ik twijfel er aan, zegt hij, dat de smart ons "beter" maakt, maar ik weet, dat zij ons diepzinniger maakt." Om langdurige lichamelijke kwellingen te weerstaan, moet de mensch eene zeer groote mate van zelfbedwang uitoefenen, hetzij door de wilskracht van den Indiaan, die ondanks de hevigste folteringen tot het einde toe zijne zegevierende vijanden trotseert, hetzij door zich als de heilige of de fakir over te geven aan eene volkomen zelfverloochening in eene algeheele verzaking van den wil. De mensch, die zonder bezwijken een dergelijke beproeving doorstaat, leert de levensproblemen met een steeds helderder ziend wantrouwen beschouwen en meedoogenloos weigert hij de werkelijkheid mooi te vinden; hij weert alle verfraaiende en troostende hypothesen af en gevoelt een boosaardigen dorst naar wraak tegen het leven, naar vergelding; hij wil vergoeding zoeken voor al het leed, dat het leven hem berokkent door het vlak in de oogen te zien en het alle sluiers en bedriegelijke sieraden, die dienen moeten om de menschheid te verleiden en te bedriegen, te ontrukken. Mocht hij het leven nog liefhebben, dan is zijne liefde als die van den jaloerschen minnaar, die de vrouw nog liefheeft, die hem bedrogen heeft en hem wantrouwen inboezemt.
Verder merkte Nietzsche op, dat het lijden--zij het ook door eene schijnbaar paradoxale gevolgtrekking--hem tot optimisme had gebracht. Zijne ziekte leerde hem n.l. bij ondervinding de uitwerking kennen, die physiologische depressie op den geest van den denker veroorzaakt. Hij zag hoe het lijden langzamerhand den trots der wijsgeerige rede tracht te knakken, hoe het die rede wil brengen tot zwakheid, gelatenheid en droefheid en hij zoekt de oorden van toevlucht en rust op, de "zonneplekjes" in het rijk van den geest, waar het denken der zieken en ontaarden eenige verzachting voor zijne ellende vindt. En uit zijne opmerkingen besloot hij, dat alle philosophie, die vrede boven oorlog stelt, alle moraal, die van het geluk eene negatieve verklaring geeft, alle metaphysica, die een staat van evenwicht en bepaalde rust beschouwt als het einddoel van de evolutie en alle aesthetisch of godsdienstig verlangen naar eene betere wereld, naar een of ander hiernamaals, in den grond waarschijnlijk niets anders is dan een teeken van ontaarding; hij meende te begrijpen, dat alle pessimistische of quietistische theorieën slechts aantoonden, dat degenen, die haar uitvonden, aan een of andere physiologische kwaal leden. En daar hij genezen wilde, wilde hij ook optimisme. De ondervindingen, die hij gedurende zijne ziekte had opgedaan, maakten hem de ware oorzaak van het pessimisme duidelijk en daarom verzamelde hij alle levenskracht, die in hem was om zich tegen het leed te verzetten en physiek, zoowel als moreel een beslissenden strijd tegen zijne ziekte te voeren. Dank zij zijn geestkracht bleef hij overwinnaar; hij werd optimist en herwon zijne gezondheid: "In zekeren zin ontdekte ik het leven opnieuw, schreef Nietzsche in zijn dagboek van 1888, ik vond mijzelve terug en genoot van al het goede, zelfs van het kleinste zooals een ander het moeilijk zou kunnen doen,--van mijn wil om te genezen en te leven maakte ik mijne wijsbegeerte. Men merke dan ook op, dat de jaren, waarin mijne levenskracht tot zijn minimum daalde, dezelfde waren, waarin ik ophield pessimist te zijn; de drang naar zelfbehoud verbood mij eene philosophie van ontzegging en ontmoediging."
III.
De eerste daad in Nietzsche's philosophisch leven, zijne "Geburt der Tragödie" is de schitterende bevestiging van een nieuw, n.l. het tragisch ideaal en tevens een opgetogen lofspraak op Aeschylus, Schopenhauer en Wagner, in wie hij de voornaamste vertegenwoordigers van dat ideaal erkent. En evenzoo eindigde Nietzsche in de laatste jaren van zijn bewust leven opnieuw met de nog meer zegepralende en bezielde bevestiging van zijn ideaal, van datzelfde ideaal, dat hij reeds als jongeling in zich had bespeurd, want de philosophie van den Uebermensch, die Zarathustra onderwijst, komt in den grond bijna geheel overeen met de tragische philosophie. Tusschen die twee zelfde perioden nu van een bevestigen vol vreugde en vertrouwen, strekt zich een tijd van ontkennen en uitermatige critiek uit als eene depressie, die twee bergtoppen scheidt. Nietzsche was overijld aan het bouwen gegaan en moest inzien dat zijne bouwmaterialen niet sterk waren. Wij hebben opgemerkt, dat hij aan het einde van zijne eerste levensperiode staafde, dat Schopenhauers pessimisme en Wagners decadente kunst niets met zijn eigen innerlijke en oorspronkelijke overtuiging hadden uit te staan en dat hij begreep hoe noodig het was al zijne ideeën zonder onderscheid aan een strenge critiek te onderwerpen om er met vaste hand de vreemde elementen en parasieten, die er in geslopen waren, uit te roeien. In de tweede helft van zijn leven doorliep Nietzsche nog éénmaal, doch nu in omgekeerde richting, den weg, dien hij gedurende de eerste helft had gevolgd. Na meedoogenloos alle valsche waarden, die hij nog in zijne eerste werken erkende, te hebben vernietigd, verhief hij zich opnieuw van ontkennen tot bevestigen en ging hij over van de koele onversaagdheid van den criticus tot de quasi mystieke vervoering van den profeet.
De eerste werken uit Nietzsche's eigenlijk philosophische periode, Menschliches Allzumenschliches, Vermischte Meinungen und Sprüche, Der Wandrer und sein Schatten, Morgenröthe, die, zooals wij zeiden, geschreven werden gedurende den tijd dat zijne gezondheid het ernstigst bedreigd werd, spreken van het diepe wantrouwen in het leven, dat zijne ziekte in hem gewekt had; de geest, die er uit spreekt, is scherp en koud en Nietzsche doet zich er in kennen als de onbarmhartige verwoester, die tegen alle godsdienstige, metaphysieke en moreele begrippen stormloopt; hij vergelijkt zich daarin bij een mijnwerker, die de basis der meest vaststaande dogmen ondermijnt en langzaam, geduldig en zeker zijne onderaardsche gangen uitbreidt, ver van het daglicht en ver van het menschelijk oog. Menschliches is een verwoede aanval op het romantisch pessimisme, en in het bijzonder op Schopenhauer, wiens leerstellingen Nietzsche, als hij zijne vroegere meening verloochent, hooghartig verstoot; hij verwerpt nu de hypothese van den wil als een "op zichzelf staand iets", terwijl hij die nog aannam in Die Geburt der Tragödie en ontkent in het algemeen de noodzakelijkheid van het geloof in een "op zichzelf staand iets"; hij bestrijdt de moraal van het medelijden, de verheerlijking van de zelfverloochening, de leer, die den mensch voorhoudt, dat hij van alle persoonlijke en egoïste verlangens afstand moet doen en hij neemt zelfs niet langer aan, dat het doel van de menschheid bestaat in het voortbrengen van het genie, zooals hij nog in Schopenhauer als Erzieher schreef, maar verkondigt, dat zij over het geheel genomen geen bepaald doel voor oogen heeft.
In Der Wandrer und sein Schatten tracht Nietzsche "die schaduw te onderzoeken, die uit alle dingen vloeit zoodra de zon der kennis ze beschijnt" [73]; want al te goed weet hij welk eene verkeerde voorstelling men zich van alles maakt, wanneer men het alleen onder het licht der idealistische kennis bestudeert, daar men dan alleen de verlichte zijden ziet, terwijl de schaduwzijden voor den blik verborgen blijven, en daarom moet de denker, die zich een volledig beeld der werkelijkheid wil scheppen, haar ook van de donkere zijde leeren bezien. In de Morgenröthe eindelijk onderwerpt Nietzsche die waarde aan de critiek, die door den mensch te allen tijde als de hoogste waarde wordt beschouwd, n.l. het geloof aan de moraal. Hij toont aan, dat het gevoel van plicht niet uit een bovennatuurlijken oorsprong voortkomt en evenmin van overheerschende of besliste waarde is, dat er geen eeuwige en onverzettelijke wet bestaat voor goed en kwaad en dat de moraal, die den mensch dwingt jegens zichzelf waar te zijn ten koste van alles, ten slotte zichzelve vernietigt: de mensch wordt "immoralist" door de moraal, evenals hij atheïst wordt door den godsdienst: zijn intellectueele eerlijkheid dwingt hem er toe zijne critiek op de moraal zelve toe te passen en de wettigheid van hare leerstellingen in twijfel te trekken.