Nietzsche's Philosophie

Part 6

Chapter 63,518 wordsPublic domain

En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef het leven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: "Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!" [45] Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner's grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen." [46]

De eerste dier "Unzeitgemässen" is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: "Der Alte und der Neue Glaube" en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister--niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen, gemüthlichen Philister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den "Bildungsphilister", zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de "noodzakelijkheid, m.a.w. oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is"--wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en "zichzelf" te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: "Vergeet nooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij." En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der "Philister" ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles "ongezond" wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!

Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.

In het tweede deel der "Unzeitgemäszen" valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De "monumentale" geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De "traditioneele" geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaad voor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De "critische" geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: "Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus "objectief", die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en "subjectief" noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus "onpartijdig" blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; "slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter en verhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de "zieners" van het tegenwoordige behoort." [47]

Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de "universeele evolutie" het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden--om kort te gaan, naarmate hij zichzelf is geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: "Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de "universeele evolutie" of van de "geschiedenis der menschheid" zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa's rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheid ligt niet in het eindpunt van haren loop--het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht." [48]

IV.

Nietzsche stelt zich echter in zijne "Unzeitgemäsze Betrachtungen" niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.

Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken "Die Welt als Wille und Vorstellung" kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen. [49] Later zeide hij: "Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven." [50]

Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.

Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in "Die Geburt der Tragödie" tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als "een op zichzelfstaand iets," over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de "socratische" cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: "In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel--de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed." [51] In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel over het verband tusschen Schopenhauer's philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie "Unzeitgemäsze Betrachtungen" neerlegt. [52] In 1874, in zijn derde "Unzeitgemäsze", "Schopenhauer als Erzieher" spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.

De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne ware ikheid is, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot die ikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. "Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil men hem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis." [53] In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: "Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi's Re Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart der nirwana." [54] Nietzsche meende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.

En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.

Nietzsche's bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner's werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij "Tristan en Isolde" leerde kennen.

In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats "Tribschen".

"Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen," schreef Nietzsche in 1888, "van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen." [55]

Ongeveer 1872, toen "Die Geburt der Tragödie" werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: "Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen." [56]

En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk. Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der "Unzeitgemäszen", getiteld: "Richard Wagner te Bayreuth", waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de "tragische" wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een "Dionysisch" genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom "een dithyrambisch dramaturg" was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. "Het dramaturgisch genie," schreef Nietzsche, "dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont." Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten, want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.

Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.

Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen--zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

V.