Nietzsche's Philosophie

Part 5

Chapter 53,630 wordsPublic domain

Want, wel beschouwd, zijn al die helden der oude mythen van den Homerisch en tijd uitspruitsels van den god: "Dionysus, den eenigen waren held van alle tragedie, die onder het masker van den strijdenden held, in verschillende vormen verschijnt; hij is, om zoo te zeggen, in het netwerk van den individueelen wil ingeweven. In zijne woorden en daden is de godheid als een dwalend wezen, dat strijdt en lijdt en dat hij ons als zoodanig in de scherpe omlijning van het Episch visioen verschijnt, is te danken aan de tusschenkomst van Apollo, den tolk der droomen, die met behulp van die symbolieke verschijning aan het koor zijne Dionysische extase duidelijk maakt. In werkelijkheid echter is de tragische held die lijdende Dionysus, die in de mythe bedoeld wordt, die god, die in zichzelf de smart der individuatie ondervindt, die, volgens de legende, als klein kind door de Titanen verscheurd werd en als zoodanig onder den naam Zagreus werd aangebeden; daarmee werd bedoeld dat de verscheuring van den god, het beeld van zijne smart, gelijk stond met eene metamorphose in lucht, water, aarde en vuur en dat de individuatie bijgevolg beschouwd moest worden als de bron en de oorsprong van alle smarten, als een noodlottig iets op zichzelf.

Uit den glimlach van Dionysus werden de goden geboren, uit zijne tranen de menschen. In zijn toestand van verscheurde godheid vertoonde Dionysus een tweevoudig beeld: hij was zoowel de wreede, verwilderde demon als de zachte, vreedzame heerscher. Doch de heldendichters vestigden alle hoop op eene hernieuwde geboorte van Dionysus, wat voor ons zooveel beteekent als het verlangen naar het einde der individuatie, en ter eere van de komst van dien derden Dionysus weerklonk de vreugdezang van den heldendichter. Die hoop alleen kon een licht van vreugde doen stralen op het aanschijn van de verbrokkelde wereld, die zich in tallooze individuën oploste, wat door de mythe symbolisch werd voorgesteld door het beeld van de eeuwig treurende Demeter, die voor het eerst weer vreugde kende toen haar gezegd werd, dat zij nog éénmaal Dionysus zou baren." [31]

Zoo deden de Grieksche tragieken de wereld der Homerische goden, wier stralenkrans reeds begon te verflauwen, opnieuw herleven en benuttigden zij de Grieksche visioenen als sprekende zinnebeelden om hunne opvatting van het heelal onder een plastischen vorm te verklaren. Onder hun invloed werden die mythen vervuld van muziek en Dionysische wijsheid, en zoo, krachtig gemaakt door den Dionysischen geest, opgewekt door de tooverkracht der muziek, uit zich de oude Homerische mythe vóór haar heensterven, nog in den meest sprekenden vorm: "Nog éénmaal verheft hij zich als een held, die gewond werd; en de overvloed zijner krachten, de vrede en de wijsheid, die de dood hem beloven, zij allen lichten op in zijne oogen in een laatsten, machtigen weerschijn." [32]

In die periode van de "tragische wijsheid," die zich volgens Nietzsche het sterkst openbaarde in het drama van Aeschylus en die hij in zijne natuurlijkste uiting terugvond in de philosophie van Heraclites, lag volgens hem het toppunt der Grieksche beschaving en toen hij, zestien jaren later, in vol zelfbewustzijn, het werk zijner jongere jaren nog eens naging, besefte hij dat zijne voornaamste verdienste daarin bestond, dat hij in "Die Geburt der Tragödie" voor het eerst den diepen zin van den Dionysischen geest onder de Grieken had doen uitkomen. "De orgieënstaat verklaard als een gevoel van overvloeiende levenskracht, waarin zelfs de smart een prikkel is, heeft mij den weg getoond, die tot het besef van dat tragisch gevoel leidt, dat zoowel door Aristoteles als door onze hedendaagsche pessimisten zoozeer miskend wordt. De bevestiging van het leven tot in zijne moeilijkste en meest geduchte problemen, de Wil om te leven, zich hoogvoelend in het bewustzijn van zijne onuitputtelijke vruchtbaarheid ondanks de vernietiging van de schoonste typen der menschheid--dat noem ik den Dionysischen geest en daarin vond ik den sleutel tot de ziel van den tragischen dichter. De tragische ziel verlangt niet bevrijd te worden van vrees en van medelijden, zij tracht niet zich los te maken van een gevaarlijken hartstocht door eene hevige uitbarsting van dien hartstocht uit te lokken--volgens de opvatting van Aristoteles--neen: zij wil door medelijden en vrees heen zelve de eeuwige wordingsvreugde zijn, die vreugde, die ook het genot van vernietigen kent...." [33]

Toch moest in Griekenland de Dionysische geest wijken voor den geest der wetenschap.

Nadat de Grieken zich hadden losgemaakt van het pessimisme, hetzij dan door de bespiegeling van het schoone of door het bewustzijn der eeuwigheid van den wil, zochten zij een nieuwen steun in de redelijke kennis van het heelal. De wetenschap is ook een machtig wapen tegen het pessimisme, want evenals de kunstenaar tot het leven spreekt: "Ik neem u aan omdat uw beeld schoon is", zegt de geleerde: "Ik neem u aan, omdat gij waard zijt gekend te worden." Hij vindt in het wetenschappelijk ontdekken evenveel genot als de kunstenaar in het Apollinisch visioen en van dat standpunt uitgaande, is de wetenschappelijke illusie niet minder bevredigend dan de Apollinische of de Dionysische; men moet hierbij echter niet vergeten, dat de weldadige uitwerking van de wetenschap in de daad zelve van het onderzoek ligt en niet in de gevonden waarheid; en juist de groote dwaling, waaraan de wetenschap zich meestal schuldig maakt, is hare overtuiging, dat zij niet alleen de wereld kan leeren kennen, maar haar ook kan leiden en verbeteren. In haar kinderlijk optimisme gelooft zij naiefweg dat de wereld zoowel in haar geheel als in hare onderdeden te begrijpen is, dat de hoogste deugd bestaat in wetenschap, dat onwetendheid de bron is van alle kwaad en dat de mensch door middel van wetenschap alle deugden, zelfs die van den tragischen held bereiken kan.

Socrates is het eerste, groote rationalistische type in Griekenland. Bij hem sprak de rede zoo sterk, dat zij om zoo te zeggen, de plaats van het gevoel innam. De normale mensch wordt tegen de dwalingen van zijn gevoel gewaarschuwd door zijn verstand; bij Socrates daarentegen was het omgekeerde waar en het gevoel, die welbekende demon, wiens stem hij somtijds vernam, waarschuwde hem voor de dwalingen zijner logica! Toch, hoewel hij een minder edele figuur was dan de Griek van den tragischen tijd, wist Socrates zijne tijdgenooten te boeien door de groote macht zijner redeneerkunde en door zijn bewonderenswaardigen dood; hij verliet in volle kalmte en zonder eenig leedwezen het leven en bevestigde in zijn sterven zijn onomstootelijk vertrouwen in zijne ideeën en zijn kalm optimisme. [34]

De Socratische geest doodde de Grieksche tragedie. Voor de rechtbank der rede moest de Dionysische tragedie noodzakelijk vallen, juist door het irrationeele, illogische, "muzikale" element in haar.

Een tragedie bewijst niets en brengt geen enkele nuttige waarheid aan het licht; zij is daarentegen eigenlijk immoreel, want zij vertoont de vernietiging van de schoonste exemplaren der menschheid en zoo er nu, naar het wetenschappelijk optimisme beweert, een noodzakelijk verband bestaat tusschen wetenschap, deugd en het ware geluk, wordt de tragische moraal eene gevaarlijke ketterij. De "dichterlijke gerechtigheid" moet in alle geesteswerken zegevieren en zoo was voor Socrates de Esopische fabel de hoogste vorm der kunst. Socrates veroordeelde trouwens niet alleen de tragische kunst, maar over het algemeen de Helleensche cultuur: hij was de verpersoonlijkte rede en de Grieken daarentegen gehoorzaamden aan de hoogere gevoelswetten; zij zagen de macht en de schoonheid van het leven terwijl hij de logica en de zelfbewustheid er van verlangde en zoo verschijnt hij ons als de besliste verachter van den geest zijner tijdgenooten. Hij alleen te midden van hen, bekende "niets te weten" en hij zag juister dan zij allen. Hij liet zijn blik gaan over alle beroemde Atheensche figuren, over staatslieden en redenaars, dichters en kunstenaars en zag in, dat al die mannen, die zoo zeker van zichzelve en zoo vast overtuigd van hunne kennis waren, in waarheid naar de drijfveeren van het gevoel leefden en handelden zonder helder bewustzijn van hun doen. Zoo vond hij overal, waar hij den blik heenwendde, slechts illusie, dwaling en eene dwaze zelfingenomenheid, en in naam zijner overheerschende rede, in zijne bewustheid van de vertegenwoordiger eener nieuwe beschaving te zijn, veroordeelde hij de geheele Helleensche cultuur zonder ooit te vermoeden dat de oude wereld, die hij verwoestte, verre boven de nieuw ontkiemende stond.

Wat beduidt uit een zuiver historisch oogpunt beschouwd, Nietzsche's theorie over de evolutie der Grieksche cultuur? Het zou wellicht gewaagd zijn die vraag reeds nu te willen beantwoorden, maar het is zeker, zooals Nietzsche zelf zeer goed wist, dat hij door philosophie en philologie samen te doen werken, geheel afweek van de strekking, die bij de hedendaagsche geleerden de overhand heeft. De positieve mensch, die alleen preciese feiten wil, weinig neiging gevoelt tot intellectueele avonturen en niet de minste aantrekking vindt in het onderzoek van vraagstukken, die niet door de wetenschap kunnen worden opgelost, die mensch is van zelve geneigd Nietzsche's methode te veroordeelen en tal van zijne beweringen, die volkomen tegenstrijdig zijn met de voorstelling, die men zich gewoonlijk van de Grieken maakt, zonder verder debat te verwerpen. Zoo Nietzsche éénmaal eene plaats moet innemen in de geschiedenis der philologie, zal het zijn als de inwijder en bevorderaar van leidende begrippen, die de mannen van het vak slechts te onderzoeken of te verbeteren hebben; en wanneer voor het "Dionysisch probleem," zooals Nietzsche het stelde, ooit eene oplossing werd gevonden, overeenkomende met de oplossing, die Nietzsche er van schetste, zou hij ongetwijfeld recht hebben op de dankbaarheid en de achting van die philologen, die hem zoo hard verstooten hebben. De toekomst zal ons de waarheid leeren, maar ook al zouden Nietzsche's begrippen geenerlei objectieve waarde voor de kennis der Grieksche ziel bezitten, zoo blijven zij toch van het hoogste belang voor de geschiedenis van Nietzsche's denken. Ergens zegt hij: "Ik ben verre van te meenen, dat ik Schopenhauer juist begrepen heb, maar door Schopenhauer heb ik mijzelve iets beter leeren kennen." [35]

Zoo kan men ook zeggen, dat het niet zeker is of Nietzsche de Grieken juist begrepen heeft en misschien heeft het zelfs geen nut en is het niet eens mogelijk te weten wat de aard der Grieken in werkelijkheid was; wellicht is het beeld, dat men zich van de klassieke oudheid vormt, niet anders dan de "wonderbare bloem, dien het verlangen van den Germaan naar het Zuiden deed ontkiemen." [36]

Maar daarentegen kon men wel met zekerheid zeggen dat Nietzsche aan de studie van de Grieksche oudheid het begrip van den Dionysischen geest en van de tragische cultuur te danken heeft en juist dat begrip van dien wil, die zich verheft tot het bewustzijn zijner eeuwigheid ondanks het menschelijk lijden en den dood, komt overeen met een der diepste zielegevoelens van Nietzsche en werd de spil van zijne geheele philosophie. Welke dus ook de intrinsieke waarde van "Die Geburt der Tragödie" moge zijn, voor ons blijft zij de verdienste houden van ons aan te toonen, hoe Nietzsche door den invloed der Grieksche cultuur zich van zijn eigen ikheid bewust werd.

III.

Wil men Nietzsche's aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.

Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem "ruw en zinneloos" voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niet toegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat "verkeerd" is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. "Ik veronderstel," zoo schreef hij, "eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uit één stuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van "vernietigers" zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren." [37] Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is "de mensch naar Schopenhauers begrip," de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven. [38] Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: "Het pessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen." [39] Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar het Nirvàna moet verlangen, maar vindt hij alles "goed" wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer's idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, "dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander." [40] De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. "Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: "Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijns wezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn." [41] Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. "Zoo is het mogelijk," zegt Nietzsche, "om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus--dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!" [42]

Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. "De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving," zegt hij, "en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen." [43] Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXde eeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria's van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijker vijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: "Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee--derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend." [44]

Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de "waardigheid van den arbeid" op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatie van den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.

Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond "socratisch"; hij, die de "moderne begrippen" deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en "tragische" overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: "God met ons!" de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij "barbaren" waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden "en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk."